Ad Valvas 1966-1967 - pagina 129
op de werking op het publiek Een romanschrijver bijvoorbeeld heeft veel meer autonomie dan een toneelschrijver Maar daai staat tegenover dat goede acteurs, gesteund door een goede spelleider aan de tekst een nevenwerking kunnen verlenen die aan de werkingssfeer m hoge mate ten goede komt De samenwerking van een schrijver met zijn vertolkers kan dus zowel voor- als nadelen hebben Iemand die voor het toneel schrijft moet daarmee rekening houden Hij moet ei tevens lekenmg mee houden dat hij voor een publiek schrijft dat in een schouwburg samenkomt en dan een groep vormt Dit stelt speciale eisen aan de vormgeving van het drama, zowel wat tijdsduur als wat bouw betreft Hoewel de formulering van wat de spelfiguren zeggen natuurlijk van groot belang blijft is een andei aspect van groter belang in het drama Dat is wat ik handeling zou willen noemen De handeling is het kenmerkendste element in het drama Zonder handeling wordt ieder m rolvorm geschreven stuk niets anders dan leesliteratuur De handeling maakt een stuk tot toneelliteratuur Wat het wezen is van deze handeling, welke soorten handeling men kan onderscheiden en hoe de werkmg van de handeling is zal de kern van mijn lezmg zijn
overleg over overleg Op initiatief van de Nedeilandse Studenten Raad vindt zaterdag 28 januari 1967 te Delft een conferentie plaats, welke is opgezet in samenwerking met het rectorencollege (college van rectores magnifici der Nederlandse universiteiten en hogescholen) Het onderwerp vooi de conferentie luidt „Vormen van overleg en samenwerking in het wetenschappelijk onderwijs" Aan elke universiteit en hogeschool is een tiental deelnemers aan de conferentie aangewezen, het zijn leden van de academische senaat, wetenschappelijke medewerk(st)ers en studenten De V U -delegatie heeft de volgende samenstelling prof dr W J Wieringa, pi of dr G E Meuleman, dr L Vlijm, dr G Somsen, drs C G van Leeuwen, H de Groot, S J Smnema, J H M Pieters, S Faber en S J Noorda Ter voorbeieiding op de conferentie zijn 14 stellingen rond-
gezonden aan de hand waarvan het gesprek zal plaatsvinden Deze luiden 1 Onderlinge overleg en samenwerking m het wetenschappelijk onderwijs zijn noodzakelijk voor docent en student 2 De universiteit kan binnen haar bestel uitwerking geven aan het aankweken van het maatschappelijk verantwoordelijksheidbesef, als belangrijke doelstelling van het wetenschappelijk onderwijs, door studenten daadwerkelijk te betrekken bij overleg over de problemen van de universitaire samenwerking 3 Het onderling oveileg over het wetenschappelijk onderwijs dient primair te geschieden op het niveau van faculteit, subfaculteit en interfaculteit, resp afdeling onderafdeling en tussenafdeling 4 Als overleginstantie dient de studieraad 5 De studieraad bepaalt zelf de inhoud van het oveileg Dit overleg strekt zich in elk geval uit tot de organisatie van het onderwijsprogramma, de inrichting van het studieprogramma en de regeling der examens 6 De faculteit etc neemt alvorens ten aanzien van deze onderwerpen te beslissen kennis van de mening(en) naar voren gebracht door de studieraad 7 De resultaten van het overleg moeten openbaar zijn 8 Het overleg moet regelmatig geschieden Ten aanzien van de te behandelen onderwerpen dient wederziids zo volledig mogelijke informatie te worden verstrekt 9 Het overleg moet geïnstitutionaliseerd worden, de studieraad moet daartoe in bestuurs - en andere reglementen worden omschreven 10 De overlegpartners moeten het vertrouwen genieten van en moeten weten welke gedachten leven onder de groeperingen die ZIJ vertegenwoordigen 11 De student-vertegenwoordigers worden aangewezen door de faculteits-, resp studieverenigingen 12 De gesprekspartners m de studieraad mogen ten aanzien van het te voeren overleg met vooraf worden gebonden 13 De noodzakelijke continuïteit m het overleg heeft niet zozeer betrekking op personen, maar veeleer op gedachte en informatie 14 Het overleg op het niveau van faculteit etc sluit het overleg op andere niveaus niet uit Het conferentiethema zal ingeleid worden door prof ir H J de WIJS (rector magnificus van de Technische Hogeschool te Delft), na groepsdiscussie zal er o 1 v prof mr J van der Hoeven (rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam) een plenaire zitting plaatsvinden Zo mogelijk zal m Ad Valvas van 10 februari een verslag van de conferentie worden opgenomen
de academische raad Nu de Academische Raad weer eens in de publiciteit is gekomen bij het afscheid van ir Mans als voorzitter is er een aanleiding om nog eens de aandacht op het werk van de Raad te vestigen Voorzitter is thans prof dr H H Janssen - Nijmegen en vicevoorzitter dr E H Reerink president-curator - Leiden Als advies-orgaan van de Regering kan de raad niet zoveel ruchtbaarheid aan zijn werkzaamheden geven Dat de raad evenwel, mede door zijn andere taken, een rol van betekenis speelt blijkt wel uit het volgende de opdracht aan de academische raad In de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs zijn de artikelen 5 tot en met 14 gewijd aan de Academische Raad Het IS de bedoeling dat deze raad een schakel vormt zowel tussen de Nederlandse universiteiten en hogescholen onderling als tussen deze instellingen en de maatschappij De raad dient een doelmatige samenwerking tussen de instellingen alsmede de aanpassing van het wetenschappelijk onderwijs aan de ontwikkeling van de wetenschap en aan de behoeften van de maatschappij te bevorderen Hiermede heeft de raad een opdracht gekregen
waarbij hij zelf initiatieven kan en moet nemen De taken welke uit deze opdracht kunnen voortvloeien zijn vele en velerlei Een ander zeer belangrijk punt dat m de Wet is aangegeven heeft betrekking op de ontwikkelingsplannen die de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs eenmaal per vier jaren moeten maken voor het onderwijs en de beoefening der wetenschap aan de universiteit of hogeschool De raad beschouwt deze ontwikkelingsplannen m onderling verband en brengt zijn oordeel aan de betrokken ministers ter kennis samensteUing Om de aan hem opgedragen taken te kunnen vervullen is de raad samengesteld uit een door de Kroon benoemde voorzitter, tevens lid, twee leden voor elk der Nederlandse universiteiten en hogescholen benevens ten hoogste tien door de Kroon benoemde leden Voor de VU treedt als vertegenwoordiger op mr J Meynen met als plaatsvervanger dr J D Dengerink en prof mr W F de Gaay Fortman met als plaatsvervanger prof dr J Lever De leden stemmen zonder last of ruggespraak De voorbereiding van het werk van de raad en de uitvoering
3
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1966
Ad Valvas | 292 Pagina's