Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1966-1967 - pagina 101

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1966-1967 - pagina 101

5 minuten leestijd

bij het nadere onderzoek in hoofdstuk III naar de werking van de mededinging in het economisch proces. In dat verband passeren verschillende theoretische beschouwingswijzen de revue en wordt aandacht besteed aan derzelver bruikbaarheid in de analyse van concurrentiebeperkende gedragingen. Het hoofdstuk wordt besloten met een aanduiding van enkele perspectieven in de theorie van de onderneming en in die van de bedrijfstak welke ontwikkelingen van belang zouden kunnen zijn voor het inzicht in de werking van de mededinging. In het vierde hoofdstuk wordt gezocht naar de economischpolitieke grondbeginselen van de mededingingspolitiek. Daartoe wordt eerst getracht enig inzicht te verwerven in het wezen van politiek en beleid en in de beginselen van publiek beleid. Daarna wordt aandacht besteed aan de economische politiek in het algemeen en de plaats van de mededingingspolitiek in dit geheel. Het aldus verworven inzicht wordt geconfronteerd met de economische beschouwingen over de functie van de mededinging in de economische orde en in het economisch proces. Het blijkt dat zowel een redenering voor als een argumentatie tegen concurrentiebeperking kan worden opgezet; beide redeneringen hebben mogelijke implicaties met betrekking tot het mededingingsbeleid. Nadat op deze wijze de functie der mededingingspolitiek is behandeld komt vervolgens de kwestie van de instrumenten van het beleid ter sprake. Hierbij valt de nadruk op de noodzaak zoveel als mogelijk is de naleving van de beleidsnormen te bevorderen met behulp van overreding en overtuiging. In hoofdstuk V komt de juridische vormgeving aan de mededingingspolitiek aan de orde alsmede de handhaving van het mededingingsrecht. Onderzocht wordt hoe het mededingingsbeleid uit een oogpunt van rechtsbedeling op de meest geëigende wijze zou kunnen worden verwezenlijkt. In dat verband wordt aandacht geschonken aan enkele belangrijke kwesties waarover in theorie en praktijk verschil van mening bestaat: Moet de mededingingswetgeving gebaseerd zijn op een algemeen verbod van concurrentiebeperkende gedragingen of op een algemeen toezicht daarop? Moet de rechter of bij voorkeur de administratie worden belast met de uitvoering van de mededingingswetgeving? Wat voor sancties dienen bij overtreding te worden toegepast? Ook de functie van het mededingingsrecht binnen het geheel der rechtsorde wordt hier in de beschouwingen betrokken. In het zesde hoofdstuk wordt op zeer globale wijze onderzocht of de algemene gezichtspunten, die het onderzoek naar de grondbeginselen van de mededingingspolitiek opleverde, van belang zouden kunnen zijn bij de beschrijving en beoordeling van in de praktijk toegepaste stelsels van mededingingspolitiek. Het Amerikaanse, het Duitse, het Engelse, het Franse, het Nederlandse en het E.E.G.-stelsel komen hier achtereenvolgens in het blikveld. In de slotopmerkingen komen de resultaten van dit onderzoek ter sprake. personalia Bastiaan de Gaay Fortman, geboren 6 november 1937 te 's-Gravenhage, studeerde rechten en economie aan de Vrije Universiteit. In 1963 legde hij in deze twee faculteiten het doctoraal examen af, welke beide het predikaat cum laude verwierven. Van 1961 tot 1963 was hij repetitor Staathuishoudkunde en Burgerlijk en handelsrecht, daarna vervulde hij zijn militaire dienstplicht; sinds 1 april 1965 is hij wetenschappelijk medewerker voor economie aan de faculteit der sociale wetenschappen van de Vrije Universiteit. De promovendus woont: Joh. Verhulststraat 77 te Amsterdam. stellingen Uit de 16 bij de dissertatie behorende stellingen nemen wij de volgende over: VI In een tijd van overbesteding gepaard gaande met groei van het reëel nationaal inkomen per hoofd van de bevolking moet in de politiek der openbare financiën de nadruk vallen op manipulatie met de overheids-inkomsten.

XI

XII

XIII

XIV

XVI

Artikel 2 lid i van het Reglement betreffende de Krijgstucht hetwelk bepaalt dat de ondergeschiktheid de ziel is van de militairfi dienst, past niet in de Nederlandse rechtsorde welker grondbeginselen ook in de Krijgsmacht moeten doorwerken. De noodzaak tot samenwerking tussen niet-christenen en christenen in het dagelijks leven kan theologisch beter met het begrip „algemene roeping" dan met „algemene genade" (,,gemene gratie") worden gekwalificeerd: God roept elk mens afzonderlijk en allen tezamen tot werk, hetwelk zijn voltooiing moet vinden in het Koninkrijk dat komt. Theologische noch juridische motieven kunnen een verwijt aan dr. Martin Luther King dat hij in zijn acties tegen rassendiscriminatie in de Verenigde Staten illegaal handelt, rechtvaardigen. De verlaging van de loon- en inkomstenbelasting met ingang van i juli 1965 en i januari 1967 heeft in Nederland een tegelijk sociaal vooruitstrevend en economisch verantwoord beleid onmogelijk gemaakt. Het moet thans uitgesloten worden geacht dat een bundeling van de drie grote christelijke politieke partijen in Nederland een sociaal vooruitstrevend beleid zou bevorderen.

Wij leven in de twintigste eeuw. We rijden niet meer op ezeltjes. Wel hebben we overvolle autowegen. We lezen boeken die vandaag geschreven zijn. En t o c h . . . en toch is onze taal doorspekt met uitdrukkingen, die aan de Bijbel ontleend zijn. Bijbelse onderwerpen blijven kunstenaars inspireren. Is onze gedachtenwereld mede gevormd door de Bijbel. Moeten wij dit toeschrijven aan traditie of mogen wij zeggen dat de Bijbel de mens van alle tijden - dus ook de nu levende mens ~ aanspreekt? Hoe kan anders één boek 20-30 eeuwen overbruggen? Moeten de verhalen, personen en gebeurtenissen uit de Bijbel toch niet hechte raakpunten hebben met de wereld waarin wij leven? Tegen deze achtergronden kwam bij het Nederlandsch Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting - in samenwerking met de V.P.R.O. en K R.O. - de gedachte op om jongeren te vragen: Wat „doet" jullie de Bijbel? Het antwoord kun je op 7 manieren geven door: 1 fotografie; 2 tekenen/schilderen; 3 gedicht/kort verhaal; 4 kleinplastiek; 5 muziek; 6 verzorgen van korte radio-uitzending (bijvoorbeeld een hoorspel); 7 naaldkunst. We geven hieronder een aantal bijbelgedeelten. Wat treft j e daarin 't meest - hoe zou je dat uitbeelden?

5

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1966

Ad Valvas | 292 Pagina's

Ad Valvas 1966-1967 - pagina 101

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1966

Ad Valvas | 292 Pagina's