Ad Valvas 1967-1968 - pagina 174
C/30CDCO
In de ledenraadsvergadering van 18 januari deelde het bestuur het volgende mede: „J. de Vries, pres., J. K. van den Berg, vice-pres., mej. H. J. Raatgever, secr.sociaal, en G. N. van Trigt, secr. buitenland hebben bedankt voor het lidmaatschap van het Nederlands Studenten Akkoord en zijn Ud geworden van de Studenten Vak Beweging. Als gevolg daarvan heeft het bestuur het noodzakelijk geoordeeld zijn zetel ter beschikking te stellen. Dit besluit is niet ingegeven door een plotselinge koersverandering in het bestuursbeleid. Daar evenwel dit bestuur als „NSAbestuur" naar buiten is getreden, dient de ledenraad in volle vrijheid over de consequenties van de stap van deze vier bestuursleden te beslissen." Naar aanleiding van deze bestuursmededeling aanvaardde het NS A het ontslag van het bestuur, de SVB weigerde. Op grond hiervan werd gezocht naar een mogehjke overbrugging van de tijd tot na de verkiezingen van 20, 21 en 22 februari a.s., waaruit het volgende resulteerde: De beide fracties en het bestuur zijn overeengekomen dat: 1. het tot nu toe gevoerde beleid zal worden gecontinueerd; 2. de beide fracties eerder dan onder normale omstandigheden inlichtingen over voorgenomen nieuwe initiatieven van het bestuur ontvangen; 3. de fracties het bestuur voldoende armslag verlenen voor een slagvaardig beleid.
FRAG>^^1TARISCH
Het besef dat de universiteit de race met de zich ontwiklcelende samenleving dreigt te verliezen, is de laatste jaren in toenemende mate en in wisselende toonaarden tot uitdrukking gebracht. Ik herinner u aan de in 1963 door de toenmalige minister Cals uitgebrachte nota, die op merkwaardige wijze als testament bekend geworden is. De betiteling „testimonium" zou ik meer op zijn plaats vinden. Ik wijs er voorts op dat de Academische Raad na enige jaren studie en beraad aan mijn ambtsvoorganger een advies heeft doen toekomen ten aanzien van de structuur van het wetenschappelijk onderwijs. Ik wijs op de woorden, die mijn ambtsvoorganger, prof. Diepenhorst, kort voor zijn afscheid van het ambt in de Eerste Kamer heeft gewijd aan de problematiek van de herstructurering. Ik releveer de instelling van een aantal commissies, laatstelijk nog die van de commissie-Andriessen, wier taakstelling voortkomt uit het inzicht dat het
6
standpunt NSA Wij zien dit als een zeer inconsequente stap van de betrokken bestuursleden. Immers, dit bestuur begon zijn loopbaan als „NSA-bestuur" en de NSA-fractie heeft het beleid van dit bestuur steeds goedgekeurd. Wij menen dat deze bestuursleden zich onvoldoende bewust geweest zijn van het politieke gewicht van hun stap, die aan de verkiezingen een ongepast kluchtig element heeft toegevoegd. Nu de betrokken bestuursleden desondanks gemeend hebben zich bij de SVB te moeten aansluiten, ontstond er een breuk in de vertrouwensrelatie tussen NSA-fractie en het SRVU-bestuur. Gelet op het grote aantal nieuwe projecten, dat op stapel staat en het feit dat de volgende maand reeds een nieuw SRVU-bestuur zal moeten worden geformeerd op basis van de verkiezingsuitslag heeft het NSA gemeend akkoord te kunnen gaan met bovenstaande formulering van de buitengewone demissionaire status van het bestuur. commentaar SVB De SVB-fractie stelt hiertegenover dat het bestuur eenjaar lang een beleid heeft gevoerd dat met kleine wijzigingen een SVB-beleid had kunnen zijn en dat de fractie niet vreest dat een koerswijziging in het bestuursbeleid het gevolg zal zijn van deze besUssing, die overigens zonder enige pressie van SVB-zijde is genomen. De fractie heeft derhalve de ontslagaanvrage van het bestuur geweigerd.
universitaire bestel aanpassing en vernieuwing behoeft. Ik vestig niet in de laatste plaats de aandacht op wassende stromen van redevoeringen en pubUkaties, die evolutie of revolutie prediken. De tijd is naar mijn overtuiging rijp voor de conclusie, dat het mzicht van noodzakelijke hervorming heeft gezegevierd. De maatschappij IS ongerust, de universiteiten zijn oiurustig. Niemand hoor ik verdedigen dat de noodzaak van verandering niet is gebleken, memand hoor ik dan ook nog concluderen dat de noodzaak bestaat om niet te veranderen. Maar met de aanvaarding zonder meer van het bestaande is ook de eensgezindheid verdwenen. Ik acht dat gunstig omdat het van bezinnmg getuigt. Maar het is ook uitermate belastend. Problemen zijn gesteld, oplossingen gezocht, hypothesen gepresenteerd, van vele zijden, in vele opzichten. De drijfveer van ons handelen kan die zijn, welke wijlen president Kennedy inspireerde tot zijn New Frontier-gedachte: „because it has to be done". Maar het antwoord op de vraag, wat gebeuren moet, vereist méér dan het stellen van problemen, oplossingen en hypothesen. Het vereist het verzamelen van de feiten en het verifiëren van de veronderstellingen. Seymour Wolfbein van het Amerikaanse department of Labour heeft in september 1966 op de door de OECD belegde „Policy
conference on highly qualified manpower" de functie van het onderwijs beschreven als het proces, dat de individuele mens in staat stelt om opgewassen te zijn tegen de onvermijdelijke veranderingen die zullen plaatsvinden in de relatie tussen hetgeen hij leert en hetgeen hij in zijn arbeidssituatie zal moeten verrichten. Duidelijk is hiermede nog eens aangegeven het verschd tussen onderwijs en opleiding. De gedachte speelt in op de conceptie van de „education permanente", briljant beschreven door Louis Armand in zijn boek ,,Plaidoyer pour l'avenir". Wanneer wij werken aan de herstructurering van het wetenschappelijk onderwijs, trachten wij wegen te banen voor de ontplooiing van de mens in de toekomst. De wijdse conceptie van het levenslange onderwijs vormt dan het enige reéle operatie-terrein. In dit licht moeten structuur en didactiek worden bezien. In dit licht moeten de doelstellingen van het wetenschappeUjk onderwijs worden bezien. Tegen de achtergrond van de grote conceptie moeten wij niet alleen min of meer speculatief de realiteit van de toekomst plaatsen, maar ook concreet de eisen, welke voortkomen uit de realiteit van vandaag. Deze realiteit toont een universiteit, waarvan men weet wat er in gaat, maar niet wat er uit komt. „There is no valid measure of educational outputs", is een in kringen van onderwijseconomen gangbare maar evenzeer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1967
Ad Valvas | 356 Pagina's