Ad Valvas 1967-1968 - pagina 294
neren in het generale ontwikkelingsproces dat zich heeft afgespeeld en nog steeds afspeelt.
de samenstelling van de atmosfeer grondig hadden ge"wijzigd, begon de invasie van de continenten.
aanloop naar het leven Allereerst moeten wij trachten ons voor te stellen dat verscheidene miljarden jaren geleden op de aarde geen leven voorkwam. Er waren continenten, maar daarop was geen enkel dier aanwezig en er groeide niet één grasspriet. Er waren oceanen, maar er zwom geen enkele vis in. Het regende en sneeuwde, de wind waaide over kale vlakten en gierde door rotsspleten, en als het droog was stoof het zand. De golven vloeiden met de getijden heen en weer over de stranden, maar er lag nergens een aangespoelde fles, plank of schelp. Waarschijnlijk verschilde de atmosfeer zodanig van de huidige dat wij en de meeste andere organismen toen niet hadden kunnen leven. Hoe is deze steriele en onherbergzame aarde gemetamorphoseerd en is het levensverschijnsel ontstaan, dat in een overstelpende variatie van organismen is gedifferentieerd? In de laatste jaren begint men doorzicht te verkrijgen in dit fascinerende probleem. Allereerst heeft het biochemisch onderzoek geconstateerd dat de meest fundamentele moleculaire vormen in de submicroscopische cellulaire onderdelen van alle levende organismen in grote mate overeenstemmen en op overeenkomstige wijzen daarin gesynthetiseerd worden en functioneren. Ook is het genetisch principe waardoor de generaties verbonden zijn universeel gelijk. Door deze ontdekkingen wordt niet alleen de eenheid van alle leven helderder dan ooit gezien, maar breekt tevens het begrip door waarom het bij het ontstaan van het eerste leven eigenlijk moet zijn gegaan. Ten tweede wordt in recente tijd het palaeontologisch fossielen-onderzoek aangevuld met chemische studies van de oudste afzettingen, waardoor inzicht wordt verkregen in de tijdschaal van de ontwikkeling van de biochemische capaciteiten. Ten slotte hebben model-experimenten, waarin omstandigheden die oorspronkelijk op aarde golden naar beste weten geimiteerd werden, tot de verbluffende conclusie geleid dat onder zeer eenvoudige chemische en physische voorwaarden, geheel buiten aanwezigheid van levende organismen, een grote variatie van organische stoffen kan ontstaan, waaronder juist de bouwstenen van de genoemde in alle organismen voorkomende fundamentele molecule-typen^).
twee tendenzen Het is voor het verdere betoog van belang er op te wijzen dat in de biosfeer twee tendenzen waarneembaar zijn"*). De eerste domineert in de groene planten. Zij leggen overdag een groot deel van de energie van het geabsorbeerde zonlicht vast in energierijke stoffen. Zij zijn a.h.w. de zonnebatterijen en de synthese-machines, waar de andere organismen in velerlei opzicht op teren. De tweede tendens overheerst in de vrij-levende dieren. Vormen de planten de basale biochemische phase, de mobiele dieren - of het nu slakken, kevers, spinnen of vogels zijn - beschikken over talrijke detectie-apparaten, zintuigen, die hen informatie over hun omgeving verstrekken. Deze wordt verwerkt in een zenuwstelsel en gebruikt om het dier met behulp van voortbewegingsorganen door zijn milieu te loodsen en bv. zijn voedsel en zijn partner te doen vinden. In deze tweede, dierlijke, phase begon de aardse werkelijkheid dus als het ware te ontwaken, begon zij zichzelf te voelen, zien, horen, ruiken, proeven. In de groep der gewervelde dieren kwam de verst doorgevoerde combinatie van verfijnde zintuigen voor, ingebouwd in hchamen die ook anderszins met voortreffelijke apparaten waren uitgerust, alle geconstrueerd volgens principes die velerlei modificaties mogelijk maakten. Het is deze, wat laat opgetreden dierstam, die in toenemende mate een dominerende rol is gaan spelen in de grote milieus van zee en land.
Op grond van deze moderne inzichten en onderzoek-resultaten is in het huidig wereldbeeld de mening ingebouwd dat enkele miljarden jaren geleden, door processen van de aard als zoeven aangeduid, in de atmosfeer en de zee, vooral aan de kust, de aanloop naar het leven is geschied. Op deze zg. chemische evolutie sloot dan de biotische evolutie aan, waarbij eerst, door nog geheel onopgehelderde processen, de differentiatie tot de meeste hoofdtypen van het organismenrijk plaats vond. In het begin waren deze tot de zee beperkt, maar enkele honderden miljoenen jaren geleden, mede mogelijk geworden doordat de organismen ^) Vgl. M. Calvin, Chemical evolution. Progress in theoretical biology, 1, 1-34, 1967; Z. J. R. den Hollander-Kamphuis, Het ontstaan van het leven. Chemie en techniek, 23, 40-44, 1968.
2
naar de top: de mens Via de successievelijke nieuwe groepen van vissen, amphibieén en reptielen, met steeds gecompliceerder zenuwstelsels, zijn ten slotte de vogels en de zoogdieren ontstaan. Dit zijn ware bio-technische wonderen, onder meer doordat zij de enige dieren zijn die individueel hun Uchaamstemperatuur met behulp van nauwkeurige regelmechanismen constant kunnen houden, wat hen minder afhankelijk maakt van de uitwendige omstandigheden, maar ook alle processen in hun hchaam betrouwbaarder doet verlopen. Bij hen nemen hiernaast ook de gedragsverschijnselen een hoge vlucht, bij voorbeeld te maken hebbend met nestbouw, partner-keuze, sociale verhoudingen in groepsverband en verzorging van de jongen, dit alles gepaard gaand met dikwijls opvallende en zeer gevarieerde communicatiemiddelen. Het is in de groep der zoogdieren dat de top werd bereikt door het, vermoedelijk geleidelijk, ontstaan van het wonderlijkste wezen, de mens, binnen de orde der zg. primaten. In deze nieuwe materiële comphcatie werd, na een onvoorstelbaar lange en ingewikkelde weg, deze aardse werkelijkheid eindelijk klaar-wakker. Het besef, de capaciteit van abstract doorzicht en leervermogen, de fantasie, braken door, maar tevens een vrijwel onbegrensde mogelijkheid van handelen, vooral in de letterlijke betekenis van het '*) J. Lever, Planten, dieren en plan tendieren. Wijsgerig Perspectief, 4, 209-22, 1964.
woord en een overweldigende te voren onbekende vrijheid, vol variabele potenties. Over de eerste periode van ons bestaan, in het Pleistoceen met zijn ijstijden, beginnen wij ons geleidelijk een indruk te vormen. Een der opvallendste trekken is de aanvankelijk zeer langzame en uniforme ontwikkeling van de cultuur, zoals wij die vooral kennen uit de opeenvolgende typen van stenen werktuigen. samenleving Waren de mensen eerst gedurende lange tijd voornamelijk jagers van nomadisch karakter, enkele duizenden jaren geleden begonnen sommigen met landbouw en veeteelt, waardoor grotere groepen bijeen konden leven op een vaste woonplaats met een stabieler bestaan, ook een cultuur-verdieping veroorlovend door ambachts- en standen-differentiatie. De eerste steden en beschavingen ontstonden op verschillende plaatsen van de continenten. Het denkklimaat werd beheerst door een gevarieerd lokaal religieus kader. De kunst bloeide veelal. Soms werden de eerste stappen op het gebied van de wiskunde gedaan. Op het gebied van de natuurwetenschap was op verscheidene plaatsen vooral aandacht voor astronomische verschijnselen, dikwijls echter met een sterk religieuze achtergrond. Hier en daar kwam de techniek, vooral de bouwkunde en soms de chirurgie, tot bloei. De meeste van deze beschavingen zijn gebleken zijpaden van de ontWikkeUng te zijn geweest. De Europese beschaving, waarin vooral Griekse, Romeinse, Joodse en Christelijke invloeden geleidelijk samensmolten, vertoonde aanvankelijk dezelfde trekken als de overige beschavingen. Immers, wereldbeeld, filosofie, religie en maatschappelijke verhoudingen en inzichten dreigden in de Middeleeuwen tot een star statisch geheel vast te lopen. Momenteel kan echter wel geconstateerd worden dat de hoofdlijn van de evolutie werd opgevat in het West-Europa van de 16e en 17e eeuw, waar een nieuwe doorbraak optrad, een nieuwe phase werd ingeluid van de lange ontwikkeUng die wij vervolgden. De voornaamste gangmaker hierbij is de natuurwetenschap geweest. Velen hebben zich afgevraagd hoe het komt dat juist hier in West-Europa, en niet in andere, zelfs oudere, beschavingen zoals bv. die van China, deze nieuwe weg werd gevonden. In een boeiend betoog stelt de Engelse filosoof Whitehead^) dat natuurwetenschap slechts mogelijk is wanneer een sterke interesse voor - door nauwkeurige waarnemingen verkregen - nuchtere „feiten" samengaat met de vaste overtuiging dat abstracte generalisaties mogelijk zijn, dat er dus orde in de natuur heerst. Hij wijst er op dat het in de Middeleeuwen aan het eerste veelal heeft geschort, maar dat tegen het einde van deze periode een grotere belangstelling voor dingen en gebeurtenissen in de menselijke omgeving ontstond, tot uitdrukking komend en beïnvloed door een naturalisme in de kunst. Ten aanzien van het tweede acht hij, naast invloeden vanuit de Griekse en Romeinse traditie, de belangrijkste factor de sfeer-bepalende invloed van de middeleeuwse theologie, die het denken impregneerde ^) A. N. Whitehead, Science and the modern world, 1925.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1967
Ad Valvas | 356 Pagina's