Ad Valvas 1968-1969 - pagina 127
TWEE NIEUWE LECTOREN In december 1968 zijn benoemd tot lector: dr. R. H. Rozendal te Aalsmeer in de anatomie en de embryologie (faculteit der geneeskunde) en dr. H. Loman te Nieuwkoop in de biofysische chemie (faculteit der wiskunde en natuurwetenschappen). personalia Rients Hendrik Rozendal (op 13 februari 1933 te Nijkerk geboren) studeerde geneeskunde aan de VU, waar hij in 1964 promoveerde op een proefschrift getiteld „Some aspects of the development in vitro of skeletal elements of the chick embryo". Naast zijn werkzaamheden op hst AnatomischEmbryologisch Laboratorium van de VU, waaraan hij sinds 1954 in verschillende wetenschappelijke functies ~ sinds 1964 wetenschappelijk hoofdmedewerker - verbonden is, is dr. Rozendal docent voor anatomie aan de CALO (ChristeUjke Academie voor Lichamelijke Opvoeding) te Arnhem. Hij is lid van verschillende examen-commissies
op het gebied van lager en middelbaar onderwijs in het vak liohameHjke opvoeding. Hendrik Loman (geboren op 26 juni 1932 te Emmen) studeerde scheikunde aan de VU en verwierf het judicium „cum laude" zowel bij zijn doctoraal examen (in 1959) als bij zijn promotie (in 1963) op het proefschrift getiteld „Onderzoek van complexen met behulp van kationen wisselaars". Dr. Loman is sinds 1959 in verschillende wetenschappelijke functies - vanaf 1964 als wetenschappelijk hoofdmedewerker - werkzaam bij de VU, waar hij momenteel tevens een leeropdracht heeft voor de stralingschemie.
IN MEMORIAM PROF. MR. L.W.G. SCHOLTEN Nog geen halfjaar nadat hij zijn hoogleraarschap in het Staatsrecht aan de VU had neergelegd, is prof. mr. L. W. G. Scholten overleden. Typerend voor zijn taakopvatting was dat hij zich pas na zijn laatste college onder doktersbehandeling stelde, hoewel hij daarvóór reeds de verschijnselen van zijn ziekte had onderkend. Na een operatie die geen genezing meer kon brengen, was hij zich ervan bewust nog slechts enkele maanden te zullen leven. Hij had zich daarbij neergelegd, in de mening dat hij - nu zijn enige tijd daarvoor overleden vrouw zijn bijstand niet meer behoefde en zijn hoogleraarschap was beëindigd — zijn taak hier had voltooid. Prof. Scholten was een geboren docent. Steeds wist hij zijn gehoor te boeien door in verzorgde stijl het geldende staatsrecht te verklaren vanuit de historie. Duideüjk was, dat de parlementaire geschiedenis - en daarin vooral de grote staatslieden zoals Thorbecke, Lohman en Groen - zijn liefde had. Zo talrijk waren soms de anecdotes waarmee hij zijn colleges kruidde, dat de concreet te behandelen stof wel eens in de verdrukking dreigde te komen. Steeds echter werden zijn anecdotische verhalen geïntegreerd in een diepgaande beschouwing van het aan de orde zijnde onderwerp, waarbij hij een persoonüjke stellingname niet uit de weg ging. Onafhankelijk in zijn denken was prof. Scholten zeker. Hij hep aan niemands leiband, ook niet aan die van de politieke partij waarvoor hij enkele jaren in de Tweede Kamer zitting had. Onverbloemd uitte hij zijn kritiek op het standpunt dat de Tweede Kamer-fractie van de ARP innam ten aanzien van de mammoetwet, de Nieuw-Guinea-kwestie en de omroep. Dit onafhankelijk denken is hem niet altijd in dank afgenomen. Het heeft hem daarbij wel geraakt dat zijn werk niet altijd de erkenning ondervond die het ongetwijfeld verdiende.
Sterk interesseerde prof. Scholten zich voor de persoonlijke omstandigheden van zijn studenten en het hinderde hem dat door het getal persoonlijke contacten buiten tentamens e.d. om nauwelijks meer mogelijk waren. Mild was hij in de beoordeling van hun prestaties, tenzij hij de indruk had dat van die mildheid misbruik werd gemaakt: dan volgde een onverbiddelijke afwijzing. Tolerant met name was hij in zijn contact met promovendi. Hij had voor hun opvattingen respect en was spaarzamer met zijn kritiek dan de betrokkenen vaak gehoopt of verdiend hadden. Met prof. Scholten is een man heengegaan die evengoed thuis was in de anti-revolutionaire staatsleer als in die van Thorbecke, die scherpzinnig de staatkundige toestand kon analyseren en die op stimulerende wijze zijn colleges gaf. Maar vooral zullen we hem missen als iemand voor wie de menselijke persoonlijkheid in Gods schepping de hoogste waarde had en die van dat inzicht in zijn colleges en in zijn omgang met anderen getuigenis aflegde. P. J. Boukema
SRVU OVER OPENBARE DISCUSSIES De SR VU heeft een weergave gegeven van zijn gedachten ten aanzien van het standpunt van het senaatsbestuur inzake openbare discussies. Hij heeft dit gedaan in een brief (gedateerd 2 december 1968) aan de rector magnificus, waaraan in de niet-universitaire pers wel, maar door een misverstand in het laatste 1968-nummer van Ad Valvas geen aandacht werd besteed. Hieronder volgt alsnog het belangrijkste uit de door de SR VUvice-voorzitter Wiemer Salverda gesigneerde brief. Wij zijn eveneens van mening, dat er een bereidheid moet zijn om te discussiëren, zoals u die bij een docent verwacht. Het kan evenwel onjuist zijn te wachten, totdat zich onder de studenten een behoefte tot discussie manifesteert; er zijn uitlatingen denkbaar, die voor het universitair bestuur zelf al aanleiding moeten vormen om een discussie tot stand te brengen. Het lijkt goed hierbij op te merken, dat deze discussies niet altijd vrijblijvend kunnen zijn. Uit de eerste vier punten van uw brief menen wij te mogen opmaken, dat studenten buiten het college gedane uitspraken van een docent over pohtieke en maatschappelijke vraagstukken niet aan de orde mogen stellen op zijn college tenzij, zij een onmiddellijk verband tussen deze uitspraken en zijn collegestof kunnen aantonen. In de praktijk komt het er op neer, dat uitlatingen slechts aan de orde komen, wanneer'de docent dat wil - hij maakt uit of het onmiddellijk verband bestaat of niet - dat wil zeggen ze komen slechts toevallig aan de orde. Naar onze mening kan wetenschap - het onderwerp van het onderwijs aan de universiteit - niet los gezien worden van zijn maatschappelijke contekst dientengevolge zijn uitlatingen van een docent ook buiten het college over politieke en maatschappelijke vraagstukken niet los te zien van zijn wetenschappelijke opvattingen. Ze moeten daarom in principe ter discussie staan, juist binnen de colleges, omdat het een mogehjkheid is de studenten, die het college moeten volgen, te stimuleren krities na te denken over de daar verkondigde wetenschappelijke opvattingen van de docent en de politieke en maatschappeüjke implicaties er van. Wil dit bovenstaande mogehjk worden, dan dienen de huidige positie van de docent ten opzichte van de studenten en dientengevolge de opzet van het onderwijs en de hele bestuursstructuur van de Universiteit te veranderen. Om deze redenen en in verband met de bestaande algemene onvrede met de universitaire structuur is het nu zeer urgent om een discussie te beginnen met alle betrokkenen over de huidige bestuursstructuur, de studieopbouw en de inhoud van het onderwijs. Wij verzoeken uw senaat hierbij alle mogelijke medewerking te verlenen, die al voldoende gerechtvaardigd wordt door de pretentie van de Vrije Universiteit doorzien te hebben dat wetenschap niet waardevrij is.
7
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1968
Ad Valvas | 330 Pagina's