Ad Valvas 1968-1969 - pagina 201
PROFESSOR TEWHAEFF KOMT SPREKEN
Op uitnodiging van de VVS VU zal prof. dr. W. H. C. Tenhaeffop donderdag 13 maart in een voor ALLE CIVES toegankelijke bijeenkomst in de Grote Zaal van Americain (aanvang kwart over acht 's avonds) spreken over TELEPATHIE EN HELDERZIENDHEID Mieke Tuinenburg, h.t. praeses van de W S V U , leidt hem gaarne bij u in met het hier volgende:
Onder parapsychologie verstaan wij die zijtak van de empirische (experimentele) psychologie, weUce als object van studie heeft het z.g. paranormale verschijnsel. Het voorvoegsel para is niet geheimzinnig; het wordt ook in andere uitdrukkingen gebruikt (paramedisch) en in dit geval bedoelt het een grensgebied van de psychologie aan te geven. Aan deze verschijnselen Uggen vermogens van algemeen menselijke aard ten grondslag. Reeds in de bijbel wordt melding gemaakt van personen, die „extra-sensory perception" vertoonden. De neiging echter, om deze verschijnselen in een theologisch raam te passen (bezeten door den boze of een wonder, dat hing af van de levenswandel van de betreffende persoon) maakte een wetenschappelijke aanpak onmogelijk en deze denkwijze veranderde pas in de tweede helft van de vorige eeuw door een opkomende belangsteUing voor de psychologie, die tot die tijd slechts een onderdeel van de wijsbegeerte was. Een systematisch, wetenschappelijk onderzoek van de buiten-zintuigeüjke waarneming, de paragnosie, zoals het geheel der verschijnselen van telepathie, helderziendheid in ruimte en tijd e.d. genoemd wordt, ontwikkelde zich vanaf 1880, toen in Engeland de Society for Psychical Research werd opgericht als eerste wetenschappelijk genootschap op dit gebied. In Nederland volgde in 1920 een dergeUjke instelling; de StudieVereniging Psychical Research.
Prof. Tenhaeff, die psychologie studeerde met de bedoehng zich te specialiseren in de parapsychologie, werd in 1933 privaatdocent in de parapsychologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In 1953 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar aldaar en belast met de leiding van het Parapsychologisch Instituut der Rijksuniversiteit.
DE'JOHANNES PASSION' Al in de vroege middeleeuwen was het de gewoonte op palmzondag en in de lijdensweek het passieverhaal voor te lezen. Wanneer men precies dit verhaal begon te zingen is onbekend. Het zingen van de diverse partijen was eerst uiterst eenvoudig (reciteren, lectiostijl), maar werd tegen het einde der Middeleeuwen door de invoering van de meerstemmigheid steeds ingewikkelder. Uit de 16e, 17e en 18e eeuw zijn er bv. in Duitsland een groot aantal Passiones bekend. J. S. Bach schreef voor zijn nieuwe baan in Leipzig als eerste grootse werk de Johannes Passion. In het conservatieve Leipzig was men vóór 1721, toen Kuhnau, Bachs voorganger, voor het eerst een passio „mit vielerley Instrumenten auf das kiinstlichste musizierte", gewend aan een veel eenvoudiger versie. Het is onbekend, of Bach al in 1723, dus voor zijn officiële ambtsaanvaarding, of een jaar later, de Johannes Passion uitgevoerd heeft. Zeker is het, dat hij zich, bij de uitvoeringen (4x?) van dit werk, niet steeds aan de „Urtext" hield. Vaak bracht hij wijzigingen in notenbeeld en bezetting aan. Dit blijkt uit het stemmen-materiaal, dat bewaard is gebleven van diverse uitvoeringen. De partituur met de definitieve versie kwam pas in zijn laatste levensjaren klaar. Bach beschikte zelf over een koor en orkest, dat voor een deel uit studenten bestond, waardoor de bezetting sterk wisselde. Hij was zo genoodzaakt om de ene keer viola d'amores en de andere keer normale violen met sordine te gebruiken. Hij verving nu eens de luit (in nr. 31) door orgel, dan weer door klavecimbel. Dikwijls zijn echter de veranderingen verbeteringen, zoals het meespelen van de fagot in alle koren en in sommige aria's (11, 19, 63). Opvallend is ook de aan-
duiding bij de tenoraria: „Ach mein Sinn" (19): tutti gU strumenti". Uit de bewaard gebleven fagot-partij blijkt, dat het de bedoeling was, dat de hobo's, de fluiten en de fagot in de voor-, tussen- en naspelen (met „forte" aangeduid) meespeelden en in de rest (aangeduid met „piano") niet. Verantwoording Bij de huidige uitvoering van het Kamerkoor van de VU o.l.v. R. v. Randwijk op 17 maart in de Kruiskerk te Amstelveen, is getracht om te komen tot een zo partituur getrouw mogelijk beeld. Dit hield in dat het koor van ± 100 tot 24 moest worden teruggebracht en het orkest van 32 tot 19. Bach immers zet zelf in zijn, aan de Leipziger raad gerichte: „Kurtzer, jedoch hóchstnóthiger Entwurff einer wohlbestallten Kirchenmusik", zijn wensen uiteen met betrekking tot koor en orkest: Ie violen: 3x; 2e violen: 3x; altviolen: 2x; ceUi: 2x; contrabas: l x ; hobo's: 3x; fluiten: 2x; fagot: lx. Naast de normale moderne instrumenten maken we bij deze uitvoering gebruik van de luit en de viola da gamba. Helaas bleek het niet mogelijk om goede viola d'amore-spelers te krijgen, maar zoals gezegd, ook Bach gebruikte violen met sordines. Overeenkomstig de fagotpartij zullen de blazers in aria 19 meespelen. Uiteraard is het uiterst moeilijk om juist in een kleine bezetting de Passio Secundum loannem uit te voeren. Het stelt enorme eisen aan de technische vaardigheden van koor en orkest en aan het inzicht in de boeiende doch ingewikkelde materie van de 18e eeuw + uitvoeringspraktijken. Toch moeten we afstand doen van grote koren en orkesten, althans voor barokmuziek, want pas dan kan deze muziek weer in zijn volle luister klinken. Ton Koopman
5
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1968
Ad Valvas | 330 Pagina's