Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1968-1969 - pagina 311

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1968-1969 - pagina 311

7 minuten leestijd

Afdeling van de afdeling bestuurskunde in Zambia Drs. R. C. E. Kapteyn, wetenschappelijk medewerker van de afdeling bestuurskunde, verblijft sinds september 1968 in Zambia. Hij is daar door de V.U. gedetacheerd als Research Affihate aan het Public Administration Department van de University of Zambia, De heer Kapteyn is 30 jaar. Hij is getrouwd, zijn vrouw is bij hem in Zambia. Op 2 oktober 1967 legde hij zijn doctoraalexamen politicologie af. De laatste twee jaar van zijn studie was hij als Studentenassistent aan de afdeling bestuurskunde verbonden. Na zijn doctoraalexamen werd hij benoemd tot wetenschappeUjk medewerker voor vergelijkende bestuurskunde (ontwikkelingslanden). Drs. Kapteyn blijft tot september in Zambia. Hij komt daarna terug naar onze universiteit om gedurende één jaar colleges te verzorgen over het openbaar bestuur in ontwikkelingslanden. Daarna zal hij werken aan een onderzoeksprojekt, dat de afdeling bestuurskunde onder leiding van prof. H. A. Brasz in 1970 of 1971 hoopt aan te vangen in enkele Zambiaanse provincies. Hij stuurde ons het hier volgende verslag van zijn werkzaamheden. Eusaka, april 1969. Determijn van mijn uitzending, sept. '68sept. '69, is nu ongeveer voor de helft verstreken. Ondertussen begint een beeld te ontstaan in hoeverre ik mijn opdrachten hier kan vervullen. Mijn opdracht was in de eerste plaats de praktijk van het openbaar bestuur in Zambia te leren kennen. De werkcolleges bestuurskunde die ik tot nu toe in Amsterdam verzorgde, leken teveel op „droogzwemmen". Wij konden wel theoretiseren, maar hoe het werkelijk toegaat in het openbaar bestuur in een ontwikkelingsland wisten wij niet. Met de praktijk van het openbaar bestuur hier heb ik vooral kunnen kennismaken in het Solwezi-district in North-Western Province. Een typisch landelijk, nog weinig ontwikkeld gebied: dunbevolkt, bijna geen geld in omloop etc. In dit gebied had ik goede introdukties door bemiddeling van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers. Daarom kon ik hier een klein onderzoek opzetten. Eén van de merkwaardigste resultaten van dat onderzoek vind ik, dat de belastingdienst in Solwezi-district minder int dan hij zelf kost. Er zijn 6 Revenue-collectors in dienst van de Rural Council (vergelijkbaar met onze gemeenten), die tezamen ± 5500 Kwatcha kosten per jaar aan salaris en vergoedingen. In 1968 werd echter niet meer dan 2752 Kwatcha geind.

De Vrije Universiteit is in 1880 ontstaan uit oppositie tegen de gevestigde machten in kerk en staat. Vrij wil zeggen vrij van de staat en vrij van de kerk, uitgaande van een vrije vereniging. Intussen is de Vrije Univer^siteit nimmer geheel vrij geweest van de Gereformeerde Kerken, en na 1950 is de V.U. hoe langer hoe minder vrij geworden van de overheid. De Vrije Universiteit heeft een grondslag die verpUchtend is voor bestuur, hoogleraren, de bibliothecaris en de docerende wetenschappelijke staf. Van het overige personeel en tevens van de studenten wordt verwacht dat zij zich door hun vrijwillige toetreding conformeren aan het bestaan en voortbestaan van deze reformatorische universiteit. Van vrijwillige toetreding kan men niet meer helemaal spreken bij toewijzing van de studenten aan de verschillende universiteiten, maar van de V.U. uitgaande kan men blijven

(D.w.z. ongeveer de helft van de uitgaven aan het apparaat belast met het innen ervan). Men begrijpe mij goed: het is al te simpel de belastingdienst en de Zambiaanse belastingbetalers te verketteren. Het is veel belangrijker om proberen te begrijpen hoe deze situatie kan bestaan en hoe die situatie veranderd kan worden. Ik geef dit voorbeeld om te laten zien hoe maatschappelijk relevant de vergelijkende bestuurskunde is. Naast dit onderzoek heb ik voor het onderwijs in Nederland (het doctoraal werkcollege bestuurskunde 1969/70) zes case-studies verzameld en uitgewerkt. Het bovenstaande onderzoeksresultaat wijst op bet belang van mijn opdracht om een vergelijkend onderzoek op te zetten in samenwerking met de Universiteit van Zambia of een andere daarvoor in aanmerking komende universiteit en andere instellingen. De samenwerking met de Universiteit van Zambia verloopt moeizaam. De universiteit was bijv. nalatig in het honoreren van de toezegging tot een financiële bijdrage in de kosten van mijn uitzending (in de begroting was daartoe f 3500 opgenomen). Mede in verband hiermee heb ik tot nu toe niet veel assistentie bij onderzoek en onderwijs aan de universiteit verleend. Wel hoop ik, ook bij eventueel verder onderzoek, dat vanuit de universiteit een wetenschappelijke begeleiding wordt gegeven. Met name door prof. van Velzen, hoogleraar in de sociologie en de econoom dr. B. de Gaay Fortman.

stellen dat niemand door de V.U. verphcht wordt om bij de V.U. te gaan werken of studeren. Tegenover een vrije instelling als deze mag men een loyaal standpunt verwachten. Een vrije instelling kent wel het recht van oppositie, niet dat van revolutie. Het recht van opstand behoort bij een dwangverband, zoals een staat, waarvan men lid wordt door geboorte, als deze staat geen emigratie toelaat en de burgers knecht zonder mogelijkheid tot oppositie en evolutie. De Vrije Universiteit is ontstaan uit het beginsel van de vrije organisatie en het recht van oppositie tegen de gevestigde machten, en dan nader uit de vrijheid die Christus schenkt. Die christelijke vrijheid is de inspiratiebron om inspraak en medezeggenschap te vragen. Thans echter komt de inspiratie tot een ongedifferentieerd medebesUssingsrecht voort uit een marxistisch-freudiaans mensbeeld. Deze marxistisch-freudiaanse mens is een innerlijk verscheurde, ontwor-

Vruchtbaarder contacten heb ik gelegd met twee overheidsinstellingen: het National Institute of Public Administration en de Provincial and Local Government Division. Het National Institute of Public Administration houdt zich bezig met het opleiden van, vooral hogere, ambtenaren en wil in samenwerking met ons een onderzoek opzetten. Het heeft ons daarbij financiële steun toegezegd. Wij kunnen het N.I.P.A. steunen door onderwijs te geven. Ook de Provincial and Local Government Division is geïnteresseerd in onderzoek. Dit vooral om informatie te verkrijgen, waarop plannen voor reorganisatie van het bestuur op provinciaal en districtsniveau gebaseerd kunnen worden. Het is voor een bestuurlijk onderzoek in een ontwikkelingsland noodzakelijk om een goede relatie met de overheid te hebben. Beide genoemde instellingen ressorteren onder het Office of the President, dus rechtstreeks onder president Kaunda. Voor ons bestuurskundig onderzoek hebben wij toegang tot North-Western Province en de Copperbelt. De Copperbelt is de mijnstreek (koper) van Zambia. De streek grenst aan het koperveld in Katanga (republiek Congo). Wij kunnen dus het bestuur vergelijken in een landelijk en in een stedelijk gebied. Dit is maatschappelijk relevant, omdat vooral de achterstand in de ontwikkeling van het platteland de oorzaak is van de migratie naar de steden, die daar niet voldoende opgevangen kan worden. Wat resulteert in krottenwijken, „shanty-towns". De vergelijking is wetenschappelijk relevant om inzicht te krijgen in hoeverre stedelijk bestuur in Afrika „speerpunten " in de ontwikkeling zijn, zoals ze dat in Nederland waren. Om inzicht te krijgen in deze problemen staat de bestudering van de rol van de overheid centraal. Het is de enige Afrikaanse moderne institutie van enige omvang. De overheid moet verandering bevorderen. Haar werking en inrichting is daarom één van de belangrijkste praktische problemen, die in ontwikkelingslanden om een oplossing vragen.

telde en eenzame mens, een mens waarvoor God dood is en die zich volgens A. Mitscherlich bevindt „auf dem Weg zur vaterlosen Gesellschaft". De bijbelse inspiratie tot een bevrijd menszijn gaat uit van Jezus Christus. Christus is een ambtsnaam, het ambt van vrij mens, van de zoon des mensen. Dat menszijn houdt een volheid van ambten, van bevoegdheden in. Uitgedrukt in de ambten van Israel is Christus zowel koning als ook priester en profeet. Uitgedrukt in moderne functionele termen is Christus bevoegd tot gezag, liefde en het weten van de waarheid. Wie de Heidelbergse Catechismus (1563) nog kent vindt deze ambtsgedachte uitgewerkt in de vragen en antwoorden 31 en 32. Uit deze betekenis van de naam Christus volgt de betekenis van het woord christen. Velen van ons stellen het op prijs om christen genoemd te worden. Maar waarom wor-

7

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1968

Ad Valvas | 330 Pagina's

Ad Valvas 1968-1969 - pagina 311

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1968

Ad Valvas | 330 Pagina's