Ad Valvas 1968-1969 - pagina 259
^ ^ f l IN tJP'^
ad valvas
WEEKBLAD VAN DE CIVITAS ACADEMICA DER VRIJE UNIVERSITEIT
HEitsrnniuniitEitiKi; Op het verzoek van Curatoren aan de faculteiten en sub-faculteiten van de VU om hun reacties op de nota-Posthumus, heeft de sub-faculteit van de sociaal-culturele wetenschappen, bij schrijven van 7 maart 1969 geantwoord, dat ,,is gebleken dat er binnen onze sub-faculteit een geringe animo bestaat voor een discussie over de nota ". Als redenen werden onder meer opgegeven het feit dat men zojuist een vergaande studiehervorming achter de rug had, en dat de problematiek die Posthumus in zijn nota aanpakt, op andere wijze reeds binnen de subfaculteit aan de orde was gesteld. De sub-faculteit had namelijk enkele maanden tevoren een aantal „spelregels"aangenomen voor de periode tot en met de cursus 69l70, die beogen de inspraak van de studenten op het sub-faculteitsniveau een officiële status te geven. Tijdens de discussie over de spelregels kwam al naar voren, dat gegarandeerde inspraak weliswaar een stap vooruit is, maar dat er iets wezenlijkers dient te veranderen, voordat van een werkelijke betrokkenheid van alle deelnemers aan het sub-faculteitswerk sprake is. Dat wezenlijke dient men te zoeken in het onderwijs, de situatie waarin docent en student verkeren, het proces van de kennisoverdracht. De plenaire sub-faculteitsvergadering (een nieuw instituut, als uitvloeisel van de spelregels, waarin alle hoogleraren, lectoren, wetenschappelijke medewerkers en een aantal studenten zitting hebben) besloot daarop in haar vergadering van 11 december 1968 tot het vormen van een werkgroep projektonderwijs. In de opdracht aan de werkgroep projektonderwijs, vraagt het sub-faculteitsbestuur zo mogelijk voor 1 mei 1969 een rapport te ontvangen over o.m. de volgende punten: 1. Wat is de inhoud van termen als projektonderwijs en projektgroepen? 2. Zijn er naast projektonderwijs alternatieven om de grote groep thans niet participerende studenten meer direkt te betrekken bij onderwijs en onderzoek binnen de subfaculteit? 3. Welke concrete mogelijkheden.zijn er voor projektonderwijs per sectie en welke gevolgen heeft de uitvoering hiervan voor het benodigde personeel en materieel? De werkgroep, bestaande uit mej. K. Kruyer en de heren dr. P. J. Boukema, M. Ernsting, drs. G. J. Heyne den Bak, drs. D. Th. Kuyper, J. Kuipers, F. Kemper, G. Nugteren en prof. dr. H. J. van Zuthem (voorzitter), waaraan later werden toegevoegd de heren P. Smit en A. Walravens, heeft ondertussen haar werk afgesloten. In een exclusief interview met Ad Valvas (het universiteitsblad van de primeurs) zette de werkgroep haar ideeën uiteen:
DE ONDERWIJSSITUATIE ZELF MOET WORDEN GEDEMOCRATISEERD A V: Hoe is de opdracht aan de werkgroep tot stand gekomen? Cie; Het idee is ontstaan in de studieraad. Daar kwam de zaak van de „spelregels" aan de orde. Die spelregels zijn een mooi ding, maar ze blijven een min of meer formele aangelegenheid; je moet er inhoud aan geven. De onderwijssituatie zélf moet gedemocratiseerd worden. De werkgroep is bij haar werk geïnspireerd door de voorstellen in het plan voor een Radenuniversiteit van Boekraadt en van Nieuwstadt uit Nijmegen. Het rapport van de werkgroep zal nu verder in discussie worden gebracht. 13 Mei wordt er een hearing over dit onderwerp gehouden binnen de subfaculteit en daarna gaan de studieraad en de plenaire sub-faculteitsvergadering er zich nog over beraden. De procedure is zó opgezet dat we in september zouden kunnen gaan draaien.
A V: Van welke overwegingen is de werkgroep uitgegaan bij het opstellen van het rapport? Qe: We hebben veel aandacht gegeven aan het artikel van dr. Gras (onderwij s-researcher uit Utrecht) over de radenuniversiteit, dat is verschenen in de NSR-Posthumuskrant van november '68. Verder hebben we ons een aantal uitgangspunten gesteld, die op de situatie in onze subfaculteit betrekking hebben. We zijn nagegaan wat de verhouding zou moeten zijn tussen projectonderwijs in kleine groepen en het cursorisch onderwijs. Daarnaast heeft de werkgroep zijn terrein beperkt tot het onderwijsproces. De bestuurlijke kant van de zaak (waar in het plan van de radenuniversiteit sterk de nadruk wordt gelegd) hebben we niet in de beschouwing betrokken. We hebben ons als doel gesteld dat onze voorstellen een vergroting zouden betekenen van de creatieve deelname van de studenten aan het onderwijs. Daarnaast proberen we op die manier een stevige onder-
16e JAARGANG Nr. 27 2 mei 1969
bouw te geven aan de „formele" democratisering. De begeleiding van steeds grotere aantallen studenten is natuurlijk ook een punt geweest. Het rapport besteed aan de andere kant geen aandacht aan de personele consequenties van onze voorstellen; we hebben ' dat met opzet achterwege gelaten. Binnen de werkgroep is voortdurend aangedrongen op een pragmatische opzet. Om deze experimenten te blijven begeleiden is op de laatste vergadering dan ook een voorstel aangenomen van mej. Kruyer, om een aparte werkgroep te belasten met de taak het proces van democratisering en onderwijs vernieuwing, voortdurend te blijven begeleiden. Er moeten nog zoveel, ook min of meer ideologische, uitgangspunten opnieuw doorgedacht worden. De werkgroep heeft snel werk willen leveren om in september al met experimenteren te kunnen beginnen. A V: Waaruit bestaan de voorstellen van de werkgroep? Cie: We hebben een aantal suggesties op lange termijn gedaan (zie interview met drs. D. Th. Kuyper, Ad Valvas 7 maart 1969) en een aantal aanbevelingen op korte termijn: - In september wordt de cursus voor de eerstejaars geopend met een introductieweek. Die week heeft een bepaald thema, bijvoorbeeld sociale verandering en Macht. Tijdens die week ligt het accent al op de groepen. - De Inleiding Sociologie voor eerstejaars zal geheel uit groepsactiviteiten bestaan. We denken aan 20 groepen van 12-15 man. ledere groep heeft een eigen mentor, een doctoraal student. De kennisoverdracht dient geheel via de groep te verlopen. Functies binnen de groep rouleren. - Daarnaast wordt voorlopig in het experiment betrokken het college Methoden en Technieken. We streven naar een integratie van het vak sociologie en M. T. De beide vakken worden door dezelfde groepen behandeld, aan de hand van hetzelfde thema. Op dat thema, is de bedoeling, gaat M. T. dan onderzoek doen. - De werkgroep doet in haar rapport een aantal suggesties om meer aandacht aan de vakfilosofische scholing te besteden. Daarbij hebben we in het midden gelaten of één docent daarmee moet worden belast, of dat we een poging moeten doen om de filosofie in de verschillende vakken te integreren. - De werkgroep adviseert het thema van de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1968
Ad Valvas | 330 Pagina's