Ad Valvas 1968-1969 - pagina 249
schap en daagde hen uit toch vooral met Nederlanders in dialoog te gaan, kritisch deel te nemen aan bewegingen die zich inzetten voor strukturele veranderingen van de universiteiten, en open ogen te hebben voor de grote aandacht in de studentenwereld voor maatschappijproblemen. Diskussie hierover kon niet meer gevoerd worden, maar besloten werd deze later te voeren op de Volkshogeschool „Bergen", waar de Indonesiërs voorlopig hun verbUjf hebben.
Bij de „walking lunch" in de docentenkamer van het Provisorium die daarna op het programma stond, waren namens de universiteit verder aanwezig de hoogleraren dr. G. E. Meuleman, dr. D. S. Attema, dr. J. W. Schoorl en dr. J. Verkuyl, alsmede vertegenwoordigers van de staf van diverse fakulteiten. Er werden verschillende afspraken gemaakt om de kennismaking met de V.U. later op andere wijze voort te zetten.
HEitsriiriNniiitßitiKi; Onder deze kop is de laatste tijd hoofdzakelijk aandacht besteed aan de discussie over de nota-Posthumus. Niettemin is er in het kader van de herstructurering van het wetenschappelijk onderwijs nog een aantal andere zaken aan de orde. De discussie over bestuur en organisatie, de structuur van het onderzoekbeleid (waarover de volgende keer) en de structuur van het wetenschappelijk corps. Over dat laatste onderwerp volgt hieronder het één en ander. Een commissie van de stafraad V. U. heeft haar verslag over deze materie uitgebracht. Daaraan wordt, naast het commentaar van het Interacademiaal Overleg van Stafconventen en een samenvatting van het oorspronkelijke rapport, aandacht besteed. DE WETENSCHAPPELIJKE STAF: HOFHOUDING OF MINISTERRAAD? 1. De functie vaiyWetenschappelijk medewerker tot in'ae hoogste rang verschaft de betrokkene, in vergelijking tot evenwaardige maatschappelijke betrekkingen, in de regel niet de voldoening die voorkomt uit een taak, die volvoerd wordt met een eigen verantwoordelijkheid. Noch in het geven van onderwijs noch in het verrichten van wetenschappelijk onderzoek is sprake van die zelfstandigheid, die een goede taakvervulling eist. 2. De onderlinge verhoudingen, als bepaald door de wet en de bestaande rangenstelsels, zijn nog teveel ingegeven door de betrekkingen uit een voorgaande periode, waarin de staf in verhouding tot het hooglerarencorps nog niet zulk een gewichtige plaats innam en de verantwoordeUjkheden van de staf minder uitgesproken waren.
Het verlangen naar academisch prestige en meer sociaal aanzien is een factor, waarmede terwille van gezonde organisatorische verhoudingen ernstig rekening moet worden gehouden. Het huidige rangenstelsel, ook in zijn nieuwe vorm, is in wezen ongeschikt om tegemoet te komen aan de eisen van het universitaire leven. De ontworpen rangen van wetenschappelijk medewerker in alle gradaties, mogen in een ambtelijk milieu zeer toepasselijk zijn, maar vooral door de te gedetailleerde bevorderingsprocedure en het hierbij behorend beoordelingssysteem kan het moeilijk voldoen in een hiërarchie, waarin op een zekere leeftijd leider en ondergeschikte nagenoeg eikaars evenknie zijn en waarin geschiktheid minder bepaald wordt door de capaciteit opdrachten uit te voeren, dan door verantwoordelijkheidsgevoel, toewijding, initaitief en creatieve gaven.
5. De huidige structuur, waarin het staflid lang moet wachten tot het tot een verantwoordelijke positie wordt geroepen, _ bergt het gevaar van immobilisme in zich en is weinig geschikt om buitenstaanders voor de universiteit aan te trekken. 6. Onvoldoende is tot dusver de gelegenheid benut om door een doeltreffende selectie degenen die voor een wetenschappeUjke staffunctie ongeschikt zijn te doen afvloeien. Objectieve beoordelingsmethoden worden nauwelijks toegepast. 7. Te weinig wordt het door junioren gegeven onderwijs door ouderen kritisch geobserveerd. Didactische vorming heeft nog te weinig aandacht. 8. De rangdifferentiatie - in de gelederen van de staf te ver doorgevoerd - is in het hooglerarencorps onvoldoende ontwikkeld om bij een juiste taakverdeUng ieder het zijne te geven. Als de zaken er zo ernstig voor staan, en er niettemin geen uiterlijke tekenen van arbeidsonrust onder de staf zijn waar te nemen als stakingen, massaal ontslag en sabotage aan practicum-instrumenten, dan moet het bovenstaande wel een schets zijn van de bestaande structuur, opgesteld- door een commissie, die daar drastisch verandering in wil brengen. Dat klopt: de commissie „Structuur van het Wetenschappelijk Corps" van de Academische Raad (Commissie Van Os) heeft de formulering van deze noodtoestand op zijn naam gebracht, en stelt voor daaraan het volgende te doen.
RANGENSTELSEL De Staf zou voortaan moeten bestaan uit: a. De Wetenschappelijk assistent Jaarlijks wordt aan een deel van de afgestudeerde doctorandi de positie aangeboden van wetenschappelijk assistent, in tijdelijk dienstverband van max. 4 jaar. Voorwaarde is het voltooien van een proefschrift in die tijd, waarvoor minstens de helft van de , werktijd beschikbaar zal zijn.
De discussie zal zich voornamelijk afspelen rond de volgende vragen: I. Welke factoren pleiten voor handhaving of versterking van Bilaterale hulpverlening aan de ontwikkelingslanden ten koste van multi-leterale hulpverlening? Ter afsluiting van de gastcoUegeweek van 5 tot en met 9 mei (zie volgende Ad Valvas) organiseert het Aktie-komité in samenwerking met de A.R.V.O.S. (Amsterdamse Raad voor Ontwikkelings Samenwerking) een FORUM-AVOND, waarop gesproken zal worden over De opvattingen van de Nederlandse Politieke partijen over de hulp aan ontwikkelingslanden (het omstreden evaluatie-rapport van prof. dr. Jansen c.s. zal een belangrijk discussie punt vormen). Voor de poUtieke partijen zullen aanwezig zijn de heren: Zijlstra (ARP), Mommersteeg (KVP), Van der Spek (PSP), SchÜngemann (VVD), Ruygers (PvdA), Imkamp (D'66) en een kamerhd van de CHU-fractie. Een panel, dat voor een kritische begeleiding zal zorgen, bestaat uit de heren; H. Coppens (Nesbic-redacteur), D. Scherpenzeel (VPRO-radio), P. Dijkstra (Nesbic-redacteur), Van Oostveen (lid van de Nationale Adviescommissie voor Ontwikkelingshulp).
II. Prevaleert in het drempelprojektenprogramma het belang van de ontwikkelingslanden of is het belang van het Nederlandse bedrijfsleven in deze bepalend? (Het drempelprojekten programma beoogt steun aan kleine en middelgrote bedrijven en dient als tegemoetkoming in de vaak hoge aanloopkosten, die zich kunnen voordoen bij investeringen in ontwikkelingslanden). III. Welke kriteria zijn gehanteerd bij de keuze van ontwikkelingslanden, waaraan Nederland hulp verleent? (het z.g. voorkeursbeleid). III a. In hoeverre is de volksvertegenwoordiging betrokken geweest bij de totstandkoming van dit voorkeursbeleid? III b. Welke factoren rechtvaardigen de onevenredig grote mate van hulpverlening aan Indenesië. De Forumavond vindt plaats op 9 mei om 20.00 uur in de grote zaal van het American-Hotel (Leidseplein)
3
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1968
Ad Valvas | 330 Pagina's