Ad Valvas 1968-1969 - pagina 126
„weggekocht", i.v.m. de betere financiële vooruitzichten van een carrière in die sector. Literatuur; De Nota-Posthumus: „De universiteit, doelstellingen, functies, structuren." De Brochure: ,,Aantekeningen voor een Radenuniversiteit". SVB-Cahier: „Menselijk Kapitaal". Posthumus-krant van de NSR. Verkrijgbaar bij Bureau Studentenraad, De Boelelaan 1115.
dacht zou dan echter worden afgeleid van de hoofdzaak, te weten dat faculteitsbesturen en adjunct-secretarissen zich samen moeten toeleggen op zodanige taakbepahng, dat daarmee het beoogde doel duideüjk gediend wordt.
Directeuren zien in de ontwikkeling van deze nieuwe functie een mogelijkheid de universitaire organisatie te versterken en de zo grote bij onderzoek en onderwijs betrokken menselijke en zakelijke belangen daadwerkelijk te dienen.
DRIE HOOGLERAREN
TANDHEELKUNDE ADJUNCTSECRETARIS VAN EEN FACULTEIT Gedurende de laatste maanden zijn in enkele faculteiten adjunct-secretarissen benoemd. Tot nu toe zijn als zodanig aangesteld: drs. B. Ruland, faculteit der sociale wetenschappen, M. Havenhoek, faculteit der economische wetenschappen, drs. W. Niemeijer, faculteit der letteren, ir. J. H. Santema, centrale interfaculteit (ing. 1 februari 1969). Deels door bevordering van binnen uit, deels ook door aanstelling van buiten af. Verdere benoemingen in deze functie zijn te wachten. Directeuren bedoelen met het instellen van deze nieuwe functie een versterking van de organisatie, waardoor het mogelijk wordt hoogleraren en wetenschappelijke staf te ontheffen van lasten, die niet noodzakelijkerwijs door hen gedragen behoeven te worden. Zowel de grondslag der Universiteit, als reéel inzicht in de eisen, die in de toekomst aan het wetenschappelijk onderwijs zullen worden gesteld, vragen dat allen die in onderzoek en onderwijs een eerste en grote verantwoordelijkheid dragen, ook organisatorisch in de gelegenheid worden gesteld hun aandacht op de kernpunten te concentreren. Tot nu toe was het maar al te vaak zo, dat hoogleraren en wetenschappelijke medewerkers een groot deel van hun tijd en krachten moesten besteden aan beslommeringen, die op zichzelf onvermijdelijk zijn, maar wier last ook door anderen goed en soms beter gedragen kan worden. Men kan het ook anders zeggen: er was wel teamwork, maar het team zelf was niet veelzijdig genoeg. De adjunct-secretarissen zijn toegevoegd aan en staan onder de faculteitsbesturen. Soms kunnen twee faculteiten samen een adjunctsecretaris hebben. Soms ook zal een adjunctsecretaris in een sub-faculteit worden benoemd. In dit laatste geval blijft echter de eerste verantwoordelijkheid rusten op de adjunct-secretaris van de gehele faculteit. Waar de faculteiten onderling sterk verschillen in opdracht, historie en persoonlijkheid der hoogleraren is het moeilijk een uniforme taakomschrijving voor de adjunct-secretarissen te geven. Binnen bepaalde grenzen zal er differentiatie zijn. Het wetenschappelijk onderwijs is daarmee ook gediend. Te verwachten valt dat de adjunct-secretarissen bemoeienis zullen hebben met begrotingszaken, het voorbereiden en verslaan van vergaderingen, toezicht op faculteitspersoneel, salariëring en vooral personeelszorg, faculteitsplanning, voorbereiding en uitvoering van besluiten enz. Er zou veel meer te noemen zijn. De aan-
6
Voor de in september gestarte tandheelkundige opleiding zijn de eerste drie hoogleraren benoemd. Het zijn: dr. W. A. M. van der Kwast te Haarlem voor mondziekten en kaakchirurgie, dr. C. O. Eggink te Doorn voor de conserverende tandheelkunde en dr. P. A. E. SUlevis Smitt te Haarlem voor de protetische tandheelkunde. personalia
in de rang van wetenschappelijk hoofdmedewerker. Hij promoveerde in 1964 op het proefschrift „Resultaten van endodontische behandelingen beoordeeld volgens een gestandaardiseerde methode". Dr. Eggink bekleedt binnen de Utrechtse subfaculteit der tandheelkunde en het Tandheelkundig Instituut verscheidene functies (o.a. is hij lid van de Conventsraad en de begrotingscommissie, voorzitter van de Conventscommissie, secretaris van de onderwijscommissie en van de Instituutsraad).
Willem Anton Maurits van der Kwast (geboren op 10 januari 1927 te Amsterdam) studeerde tandheelkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Na het behalen van zijn tandartsendiploma in 1953 trad hij in dienst van het Academisch Ziekenhuis te Groningen, waar hij in verschillende functies werkzaam was. In 1957 promoveerde hij te Groningen op het proefschrift ,,Over de hyperplasie van de gingiva als neveneffect van het anti-epilepticum Fenytoine". In datzelfde jaar vestigde hij zich als specialist in het St. Elisabeth's of Groote Gasthuis te Haarlem, waar hij na korte tijd werd benoemd tot afdeUngshoofd. In 1961 volgde zijn benoeming tot buitengewoon lector aan de Vrije Universiteit, welk ambt hij op 20 september 1968 aanvaardde mefhet geven van een openbare les getiteld „Dubieus bezit". Dr. Van der Kwast is voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Mondziektea, (namens Nederland) vertegenwoordiger in „International Council of Oral Surgeons" en lid van het hoofdbestuur van de Ned. Mij tot bevordering der Tandheelkunde.
f^
Christiaan Otto Eggink (geboren op 18 september 1925 te Amersfoort) studeerde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, waar hij in 195 2 zijn studie afsloot met het tandartsexamen. Sinds 1954 is hij in verschillende wetenschappelijke functies verbonden aan de afd. Conserverende Tandheelkunde (onderafdeling Endodontic) van de RU te Utrecht, laatstelijk
Petrus Abraham Elisa Sillevis Smitt (geboren op 4 september 1930 te Haarlem) studeerde tandheelkunde aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Van 1955 tot 1960 vervulde hij zijn dienstplicht als tandarts bij de Kon. Marine; in die tijd maakte hij een studie van de epidemiologie van gingivitis Plaut-Vincent onder militairen der Zeemacht. Tevens was hij als gast werkzaam op het laboratorium voor medische microbiologie van de Rijksuniversiteit te Leiden. In 1960 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift „Enige klinische en bacteriologische aspecten van de gingivitis gangraenosa (Plaut-Vincent)". Daarna vestigde hij zich als tandarts te Haarlem. Sinds 1966 is dr. Sillevis Smitt als wetenschappelijk hoofdambtenaar - aanvankelijk part-time - verbonden aan de afdeling protetische tandheelkunde van de tandheelkundige subfaculteit van de Universiteit van Amsterdam; hij werkt als gast op het histologisch laboratorium en is belast met de inrichting van een researchlaboratorium voor histologisch werk in de nieuw te bouwen tandheelkundige kliniek dezer universiteit. Dr. SUlevis Smitt is voorzitter van de Stichting Wetenschappelijk Tandheelkundige Arbeid en vertegenwoordiger namens de Nederlandse Mij tot Bevordering der Tandheelkunde in de Centrale Medisch-Pharmaceutische Commissie v. d. Ziekenfondsraad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1968
Ad Valvas | 330 Pagina's