Ad Valvas 1968-1969 - pagina 209
van de mensen die universitair onderwijs geven. Ze benaderen de stof die ze doceren wel kritisch, maar ze zijn aan enige zelfreflexie ten aanzien van hun doceren vaak niet toegekomen. Er zijn nu nog faculteiten die de noodzaak van onderwijs-research niet inzien, terwijl ik me niet kan voorstellen dat er in die faculteiten geen onderwijsproblemen zouden bestaan. Men was in het algemeen erg weinig sensitief voor dit soort problemen. In de derde plaats speelt misschien de omstandigheid een rol dat de maatschappij weinig gelegenheid heeft om het wetenschappehjk onderwijs op de vingers te tikken. De kwaliteit van een bepaalde lagere school zie je vanzelf als de leerhngen op de middelbare school terecht zijn gekomen. Als de universiteit slechte leraren, advocaten of psychologen aflevert, zo redeneerde men, dan is dat jammer, maar
dat is niet de directe verantwoordelijkheid van de faculteit. Ad Valvas: Als u directeur was van de afdeling onderwijs-research aan de VU welke directieven zou u dan geven voor de discussie over de herstructurering? Prof. Drenth: Als ik dat was dan zou ik mijn taak beperkt zien tot stimulering en begeleiding en in uiterst zeldzame gevallen bijsturen van de discussies. Je kunt in die positie geen uitspraak doen over ideale structuren. Die moet men zelf proberen te vinden. Zou je bindende adviezen geven dan ondergraaf je je eigen struktuur. De verantwoordelijkheid voor de herstructurering ligt bij de faculteiten.. Discussie ieiden, informatie aandragen en onderzoek doen, maar de beslissingen moeten uit de faculteit zelf komen. dV.
KSIE VRIENDEN en vriendinnen; autoriteiten.
De Studentenraad was tot op dit moment een organisatie, die pretendeerde studentenbelangen te behartigen. Vanaf 1947 tot voor kort was dit louter een materiële belangenbehartiging; sinds vorig jaar oktober heeft zich deze belangenbehartiging meer verplaatst naar het vlak van het onderwijs: doelstelUngen en taakvervulling van de universiteit; de materiële belangenbehartiging werd secundair. De intensivering van de belangenbehartiging vond zijn oorzaak in een ontluikend demokraties bewustzijn, dat zich aanvankehjk slechts manifesteerde in het overnemen van de nederlandse parlementaire „demokratiese" strukturen (algemeen mene verkiezingen, regering en parlement, oppositie enz.). Zoals u weet, leidde deze struktuur tot schijngevechten en kibbelpartijen over niet-wezenUjke zaken. Het voortschrijdend demokraties proces in de studentenbeweging gaf een verschuiving te zien naar een ideologie van kollektieve betrokkenheid op basis van persoonlijke inbreng. Het betreft vooral de inbreng in de betrokkenheid bij de problematiek van deze funktie, de invloed en de plaats van het onderwijs in het algemeen en van de universiteit in het bizonder, in de maatschappeUjke ordening. Omgekeer betreft het de invloed van de samenleving op het onderwijs. (Met analyses van de laatst bedoelde relatie is reeds een begin gemaakt. Ik wil u slechts herinneren aan de ontleding van autoriteitskonflikten in hierarchiese strukturen en aan het onderzoek van de invloed van het bedrijfsleven op de universiteit). Het meest kenmerkende was dat de diskussie over deze zaken (konkreet MARIS, POSTHUMUS) een verbizondering te zien gaf naar de fakulteiten. Hier ontstonden werk- en aktiegroepen, die insprongen in de beweging en haar versterkten en de diskussies op gang brachten daar waar zij in eerste instantie behoren plaats te vinden: nauw betrokken op de eigen opleiding. Deze ontwikkeUng was de impliciete doodsteek voor het funktioneren van het studentenparlementarisme, zoals we dat tot nu toe kenden. Immers de studenten-
politieke partijen bleken niet in staat de algemeen gestelde problematiek te kunnen herleiden tot fakulteitsnivo, m.a.w. zichzelf te hergroeperen binnen de fakulteiten. Het is overigens de vraag of een verschuiving van de aktieradius van dergelijke politieke partijen naar de fakulteiten wenselijk zou zijn geweest.
Rede (met naschrift) uitgesproken op 27 februari 1969 door de nieuwe SRVUpresident Gerrit v. d. Wal, bij de installatie van het vanaf die dag optredende bestuur. Eén van de laatste stuiptrekkingen van het studentenpailementairisme was de aanzet tot de formatie van een koördinerende werkgroep; in de formele struktuur „zakenkabinet" genoemd. De geschetste ontwikkehng en processen liepen ten gevolge van radikaliserende en politiserende momenten parallel met een polarisering, een duidelijk worden van de tegenstellingen tussen de beweging en de autoriteiten. In het afgelopen jaar werd duideUjk (zie
jaarverslag van mijn voorganger) dat de autoriteiten met name het overleg met studenten onvoldoende au serieus namen. Geprovoseerd door het „overleg", dat geen overleg was; door het herhaaldelijk schokken van het vertrouwen, door het niet willen voldoen aan de voorwaarde van volledige openbaarheid, door het proberen het tot verantwoording roepen van de studenten zonder zelf bereid te zijn tot algemene verantwoording, werd het volgen van een hardere lijn een natuurlijke reaktie. Resumerend signaleren wij: 1. een verschuiving van de belangenbehartiging in de studentenbeweging; 2. de val van het studentenparlementarisme; 3. een „overleg", dat geen overleg is. Het lijkt ons zinloos en tijdverspillend de door het aftredende bestuur opgedane frustraties ook te ervaren; bovendien is voor ons de partisipatie van de studenten in de beweging het enige direkte doel. Trekken wij de konklusies uit het voor- gaande, dan dienen wij de volgende uitgangspunten voor onze werkzaamheden te hanteren: 1. Zolang niet is voldaan aan de minimale voorwaarden voor overleg, n.1. volledige openheid van beleidszaken en effektuering van het recht van informatie, is het voor ons onaanvaardbaar het „overleg" met de autoriteiten te kontinueren, met name omdat een dergelijk kompromiterend overleg in sterke mate de partisipatie in de weg staat. Onze eerste daad zal dan ook zijn het overleg met de autoriteiten op te schorten tenzij aan deze voorwaarden is voldaan. 2. Participatiebevordering; uitbreiding van de aktieradius; koördinatie van en steun aan werk- en aktiegroepen in de fakulteiten. In dit verband gaan we werken aan een nauwgezette en diepgaande inventarisatie van de werkzaamheden van de Studentenraad tot nu toe. Een kritiese toetsing van de werkzaamheden van de SRVU aan en een evaluatie van de geherformuleerde inhoud (die overigens op zich ook ter diskussie büjft staan) en doelstellingen op korte termijn. Na inventarisatie zullen de uitkomsten'bediskussiëerd moeten worden in de fakulteiten. Daar zal beslist moeten worden over het bestaansrecht van een eventueel geherstruktureerde grondraad. Een loskoppeling van de neutrale studentenvoorzieningen, waaraan de SRVU nog zijn bestaansrecht ontleent - bv. op grond van de redukties lid worden van de Studentenraad; - een loskoppeling van de ideologies gefundeerde aktie- en strijdbaarheid; m.a.w. een opheffing van die situatie, waarbij betaald wordt voor iets wat totaal ondergeschikt is gemaakt aan het wezenlijke doel van de grondraad. Loskoppelingen zou kunnen betekenen een verplaatsing van de techniese verzorging van de puur materiële belangenbehartiging naar een neutraal voorzieningenburo. Een dergelijk buro zou impulsen en opdrachten moeten krijgen vanuit de belanghebbende groep. Immers aan de aard en de mate van de studentenvoorzieningen hgt toch een pohtieke ideologie ten grondslag. Waarschijnlijk zou thans een loskoppeling een groot,,leden" verlies en een forse financiële schade veroorzaken. Tot het
3
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1968
Ad Valvas | 330 Pagina's