Ad Valvas 1969-1970 - pagina 304
StüüPgPOGCI Belofte maakt Schuld. Het doelstellingendebat, dat in de Stuurgroep aan de hand van de diverse schriftelijke bijdragen zo vurig gevoerd werd, is plotseling^fgebroken voor belangrijker zaken: de nieuwe organisatieplannen voor een LtniiVersitaire struktuur. Het tijdschema drong en men wilde nu wel eens weten hoe fraai de praktijk er dadelijk aan de Vrije Universiteit uit gaat zien. Het doelstellingendebat werd eigenlijk achteloos afgebroken, tè achteloos misschien. Het voordeel van een dergelijk debat is in ieder geval geweest, dat alle geledingen hun gedachten over de doelstellingen van een (vrije) universiteit met al zijn taken en funkties duidelijk op papier gezet hebben. Men weet nu waar men aan toe is, wat men aan elkaar heeft en waar men dadelijk bij de organisatie van een nieuwe, experimentele struktuur mee te maken krijgt. De stukken van de heren Fijn van Draat, de Roos en van der Wal (studenten) en van de heer Ubbink (direkteur) zijn al in Ad Valvas van 23 januari gepubliceerd. In een vorig nummer werd beloofd ook de rest te publiceren, want een aantal werkstukken zijn er in het doelstellingendebat in de Stuurgroep eigenlijk bekaaid afgekomen! Belofte maakt Schuld en op verschillende doelstellingen zal men blijven stuiten; de stukken van de heren Crum (wet. staf), Dengerink (sekretaris curatoren), van Eek en Haverhoek (techn. adm. staf) en Walravens (student) hebt u nog te goed. We doen dat in tweeën: vandaag de bijdrage van dr. J. D. Dengerink, volgende week de andere drie. De overige Stuurgroepleden hebben niets van zich laten horen, maar sluiten zich al dan niet stilzwijgend bij de eigen geleding aan. Taaie kost, die doelstellingen, maar belangrijk! DOELSTELLINGEN UNIVERSITEIT uitgangspunt Sprekende over de doelstellingen van de universiteit en dit doende vanuit de grondslag der Vrije Universiteit kan worden gesteld, dat de universiteit t o t taak heeft voor haar deel en naar eigen aard mede te werken aan de vervulling van de opdracht waarmede de mens door G o d , zijn Schepper, in deze wereld is gesteld, te weten het ontsluiten en in cultuur brengen van de aarde, t o t eer van zijn Schepper en daarin t o t heil van zijn naaste. De Vrije Universiteit spreekt o.m, in artikel 2 van haar reglement uit, dat zij deze taak niet kan vervullen in eigen kracht, maar optreedt ,,in diepe afhankelijkheid van de mogendheid des Heren" en ,,eniglijk (wil) steunen op de genade Gods" (nieuw voorgestelde formuleringen van de grondslag spreken uit, dat de Vrije Universiteit al haar arbeid wil verrichten ,,op de grondslag van het Evangelie van Jezus Christus"). de universiteit: haar eigen aard en samengestelde structuur Voorts kan gesteld worden, dat het eigene van de universiteit bestaat in het zijn van een wetenschappelijk vormingsinstituut. Deze vorming heeft niet alleen betrekking op het periodiek wisselend deel van de bevolking, t.w. de studenten, doch ook op de meer vaste kern, t.w. het wetenschappelijk corps. Het verschil tussen beide groeperingen is, dat de eerste zich nog bevindt in een proces van opleiding t o t zelfstandig wetenschappelijk denken, terwijl de laatste geacht wordt het stadium van zelfstandig denken bereikt te hebben. Dit impliceert een wetenschappelijke gezagsrelatie tussen de leden van het wetenschappelijk corps enerzijds en de studenten anderzijds, welke gezagsrelatie geleidelijk aan intensiteit zal verliezen en meer en meer in een nevenschikking zal overgaan, naar gelang
de studenten tot grotere wetenschappelijke rijpheid zullen komen. We hebben hier te maken met een (normatief) structureel gegeven. De universiteit is en blijft opleidingsinstituut. Ook de vaste wetenschappelijke werkers zullen echter voortdurend zichzelf en elkaar moeten vormen, en zich ook moeten laten vormen door de studenten, het laatste alleen reeds door de vragen die de studenten stellen en door de wijze waarop zij hun vragen formuleren. Ook dit is een normatief gegeven, d.w.z. hier ligt een opdracht. In de universiteiten hebben we echter behalve met het wetenschappelijk corps en met de studenten te maken met het administratief en technisch beheersapparaat. Dit heeft enerzijds een dienende functie ten opzichte van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, anderzijds dient het een zelfstandige positie in te nemen, omdat het allerlei universitaire zaken naar eigen specifieke kriteria moet beoordelen, d.w.z. een zelfstandige inbreng moet hebben in het geheel van de universiteit. Ten slotte moet binnen het geheel der universiteit een zelfstandige functie worden toegekend aan het bestuur op onderscheiden niveaus. Daarbij mag dit bestuur niet worden gezien in de beperkte zin van het toewijzen van formatieplaatsen en middelen en van het zorgen voor de benodigde ruimten. In het be^ sturen van de universiteit dient centraal te staan het onderzoek- en onderwijsbeleid. Voor het besturen in deze ruime zin zijn specifieke kwaliteiten vereist, die als zodanig niet noodzakelijkerwijs bij de onderzoeker, de docent, de student of de administratieve of technische medewerker aanwezig behoeven te zijn. De universiteit is een samengesteld geheel van eenheden, organen en functies en van mensen die in deze eenheden, organen en functies werkzaam zijn. Deze mensen zullen daarin elkaar — zoals de Bijbel ons leert — t o t een hand en een voet moeten zijn, terwijl zij zich allen bewust zullen moeten blijven, dat
atuupgpoep zij lid van het universitaire lichaam zijn. Het is zeer wel mogelijk, dat incidenteel de hand een functie overneemt van de voet en omgekeerd. Zodra echter de hand, voet met de voeten wil gaan worden, wordt het lichaam in zijn goed en evenwichtig functioneren gestoord. gezag, vrijheid, democratie Het voorgaande houdt i n , dat instellingen als gezag, vrijheid en democratie slechts juist kunnen worden gezien, indien w o r d t erkend, dat zij binnen een breder verband functioneren en als zodanig relatief van aard zijn, en dat in radicale zin. Deze radicale relativiteit bestaat hierin, dat de mens voor alles wat hij w i l , denkt of doet primair verantwoordelijk is en blijft tegenover God als zijn Schepper en Onderhouder, die in Christus ook zijn Verlosser wil zijn. Aan het centraal laten staan van dit gegeven zullen wij als Vrije Universiteit ook bij alle streven naar herstructurering niet kunnen ontkomen. Hierover kan niet op democratische wijze worden beslist. Een tweede, schijnbaar minder maar door haar oorsprong even radicale relativiteit bestaat hierin, dat de mens niet op zichzelf bestaat en primair zichzelf moet verwezenlijken, maar door zijn Schepper is geplaatst in allerlei samenlevings-, c.q. samenwerkingsverbanden en is geroepen de hem geschonken capaciteiten daarin ten dienste van zijn naaste te stellen. Dat houdt tegelijkertijd een geweldig stuk zelfbegrenzing in. Het voorgaande houdt noodzakerlijkerwijs in een negatie van een recht op absoluut gezag, van de mogelijkheid van een ongestructureerde vrijheid en van een radicale democratie. het „waarom" der herstructurering De enige reden t o t (omvattende) herstructurering kan gelegen zijn in het feit dat de huidige structuur naar het oordeel van de daarbij betrokkenen niet meer deugt, omdat daardoor onderzoek en onderwijs in hun ontwikkeling worden geremd en degenen die t o t de universitaire gemeenschap behoren niet voldoende in hun functie tot hun recht kunnen komen. Een roep om groter slagvaardigheid, meer efficiency, democratisering, enz., op zichzelf is zeker niet doorslaggevend. De vraag is, hoe het komt dat bepaalde structuren niet adequaat zijn of tot wanstructuren zijn geworden. Dit kan het gevolg zijn van een achterblijven bij de ontwikkeling van wetenschap en onderwijs. Slechts enkele voorbeelden: — na een tijdperk van sterke specialisatie zijn wij gekomen in een periode waarin allerlei sectoren van wetenschap elkaar weer zoeken, zelfs dwars door faculteits- en subfaculteitsmuren heen; — de grote toeneming van het aantal studenten alsmede de sterke verbreding van de kring waaruit deze studenten komen vraagt om nieuwe onderwijs- en examenmethoden: — de tijd waarin het besturen van een universiteit in vrije t i j d kon geschieden en een bestuurslidmaatschap van een faculteit of subfaculteit als een gemakkelijk te vervullen bijbaantje kon worden beschouwd is voorbij; — sterke toeneming van de beheerstaken: de verhouding van het beheersapparaat tot het professionele onderwijs- en onderzoeklichaam; — het gebrek aan communicatie in de snel in omvang en gecompliceerdheid toegenomen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969
Ad Valvas | 502 Pagina's