Ad Valvas 1969-1970 - pagina 246
h. E r g aanvechtbaar is de numerieke argumentatie: De UvA scheidt de kandidaatsopleiding niet in CA en N\\'S; in Utrecht moest de opeliding in NWS opgeheven worden op bevel van de minister, de meeste CA-studenten daar willen blijkens een enkète na hun kandidaats NWS gaan studeren. i . Uitgangspunt was optimaal gebruik van mankracht en materiële middelen. Bij de opheffing NWS in Utrecht gold als voornaamste argument de aantallen studenten, een e e r s t e verschuiving in de a r gumentatie van de minister. Dan komt e r het voorstel tot een "trapsgewijs afbraakproces" van alle NWS-studies, juist bij het toenemend besef van het belang van deze studie in de aktuele wereldverhoudingen èn bij het toenemend aantal studenten in deze richting; Het voorstel van de m i n i s t e r is dus niet gebaseerd op het aantal studenten maar op de geringe m a a t schappelijke behoefte. Terwijl juist deze behoefte weer grotendeels afhangt van het overheidsbeleid: - ontwikkelingshulp, - instituten (ter opheffing van vooroordelen), ( ^ j . De KULA-enkète was volledig onbetrouwbaar; een b e t e r e enkète wordt gehouden, k. Door de sluiting van vele afdelingen zullen die in Leiden en Amsterdam overbezet raken; of dat nou optimaal is ? 1. Beperking van de hoofdvakstudie tot de randstad Holland. m.Het feit dat ideologiese oriëntatie van een bijzondere universiteit als argument wordt gebruikt om gedeelten van voorzieningen in stand te houden. Hierdoor worden de bijzondere instellingen in een gepriviligeerde positie gebracht. n. Als numerieke gegevens- de aantallen studenten -doorslaggevend moeten zijn, is niet duidelijk waarom er een "balans" zou moeten zijn tussen één universiteit in Leiden enerzijds en twee in Amsterdam anderzijds. o. Wat betreft de vervulling van vakatures en - door de uitbreiding van het aantal studenten - de nodige nieuwe formatieplaatsen, tegen gehouden i . v . m . de taakverdeling: Dat klopt niet met de e r v a ring dat de aanvrage tot nieuwe formatieplaatsen in Amsterdam systematies worden aangehouden, en e r in Leiden wel belangrijke uitbreidingen zijn toegestaan. De niet gewilde ad hoc beslissingen zijn zo geworden tot een stelselmatig vooruitlopen op de plannen van de minister. De sektie bevestigde tenslotte unaniem het standpunt, zoals dit in haar nota van oktober 1967 (zie terug) werd uiteengezet. Korte samenvatting. Bij taakverdeling, koncentratie en opheffing van studierichtingen is niet de mening van deskundigen van belang, noch het aantal studenten, noch de stand van de wetenschap, noch beschikbare mankracht en middelen, noch een demokratiese beslissing - het erin betrekken van allebelanghebbenden - , m a a r alleen de visie van de minister op de maatschappelijke behoefte aan afgestudeerden, en die visie hoeft dan nog niet juist te zijn ook. Het op deze wijze doorvoeren van taakverdeling betekent aan de totale willekeur van inkapabele, want ondeskundige, mensen in Den Haag te zijn overgeleverd. Het moge duidelijk zijn dat de opheffing van de opkomende moderne sinologie aan de UvA niet gebaweerd is op de maatschappelijke behoefte aan ontspanning tussen Oost en West, maar op angst voor politieke agitatie tegen al te s t a r r e anti-kommunisten.
DE MAATSCHAPPELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE UNIVERSITEIT
wemer Hofmann.
Niemand zal willen ontkennen dat de universiteit een band heeft met de maatschappij. Als openbare instelling maakt ze in ieder geval deel uit van de maatschappij, die haar materieel en immaterieel steunt en waaraan zij van haar kant gekwalifiseerde vaklieden levert. De universiteit heeft als m a a t schappelijk instituut daarom een maatschappelijke funktie - of ze dat nu wil erkennen of niet. Vanuit deze uiterlijke situatie kan echter geen antwoord gegeven worden op de eigenlijk beoogde vraag, welk karakter de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de universiteit heeft, hoe deze m a a t schappelijke verantwoordelijkheid bepaald wordt en wat dat wel inhoudt voor de verschillende wetenschappelijke disciplines aan de universiteit. E e r s t moet worden gevraagd: wat is de maatschappij, waarop de universiteit - niet als instituut, maar als verzameling van personen die met haar bezig zijn - in haar geestelijke werkzaamheden betrokken moet zijn? De maatschappij moet bepaald niet identiek geacht worden met de Staat, die soms direkt de gang van zaken in onderwijs en onderzoek zou willen bepalen. De historische eis van vrijheid van de wetenschap uit de tijd van het k l a s siek liberalisme richtte zich juist tegen de staat. En de gedachte aan het brij zijn van staatsinvloeden in onderzoek en onderwijs moet vooral na de ervaringen uit de jongste duitse geschiedenis, onaanvechtbaar worden geacht. Hier moet nu de volgende stap verder gedaan worden: het is niet meer voldoende, dat de u n i v e r s i 24
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969
Ad Valvas | 502 Pagina's