Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1969-1970 - pagina 234

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1969-1970 - pagina 234

3 minuten leestijd

HET OVERIG PERSONEELSBELEID Rijksuniversiteiten. / Art. 42, lid 3 en 4 (ongewijzigd) "3. Onze minister kan, na overleg met curatoren, aan curatoren richtlijnen en aanwijzingen geven met betrekking tot het personeelsbeleid. 4. Onze minister ziet toe op het gevoerde personeelsbeleid." Universiteit v^n Amsterdam. Art. 91, lid 3 (nieuw) "3. Onze minister kan na overleg met curatoren bepalen, dat bepaalde richtlijnen, welke voor de rijksinstellingen van wetenschappelijk onderwijs gelden met betrekking tot het personeelsbeleid, eveneens door curatoren van de gemeentelijl^ universiteit van Amsterdam zo veel mogelijk dienen te worden in acht genomen." De bevoegdheden wat betreft personeelsbeleid, die voorheen de gemeenteraad van Amsterdam had, heeft de minister nu aan zich getrokken. Bijzondere universiteiten. Art. 94, lid 2 (nieuw) "2. Onze minister kan na overleg met de besturen van de bijzondere universiteiten bepalen dat bepaalde richtlijnen, welke voor de rijksinstellingen van wetenschappelijk onderwijs dan wel voor de academische ziekenhuizen bij de rijksuniversiteiten gelden met betrekking tot het personeelsbeleid eveneens door deze besturen zo veel mogelijk dienen te worden in acht genomen." 1) Voorheen was alleen bepaald dat de materiële arbeidsvoorwaarden niet beter mochten zijn dan die voor het personeel aan de rijksuniversiteiten. Het is de minister nu mogelijk, het al lang voorgestane strak h i ë r a r c h i e s e of m e e r funktioneel aangepaste beheersapparaat op te bouwen (zie overheidsbeleid); hij kan dit doen door middel van bepalingen ten aanzien van salarisschalen, rangenstelsels, funktie-omschrijvingen en funktiewaarderingen.

FINANCIEN EN CENTRALISATIE A. Ontwikkelingsplan en financiële schemaas 2) Voor een centraal geleid wetenschapsbeleid vanuit Den Haag is het nodig dat de minister inzicht heeft in de plannen van de universiteiten ten aanzien van ontwikkelingen van onderwijs en onderzoek. Sinds 1968 moeten de universiteiten eens in de vier jaar een ontwikkelingsplan indienen, met een raming van de financiële gevolgen. Dit dient te geschieden op b a s i s van richtlijnen van de minister èn op een door de minister te bepalen tijd. Tevens dienen de kuratoren jaarlijks een financieel schema in, wederom op basis van richtlijnen van de minister. Door middel van de richtlijnen zijn de ontwikkelingsplannen en financiële schemaas onder andere onderling vergelijkbaar, waardoor deze stukken als basis kunnen dienen voor een te ontwikkelen gecentraliseerd, nationaal wetenschapsbeleid, met taakverdeling en a l . Op basis van de financiële schemaas van de diverse universiteiten stelt de minister een algemeen financieel schema samen,dat hij rondstuurt naar alle universiteitsbestuurders. De hier genoemde beleidsvoorbereidende stukken worden óók overgelegd aan de beide k a m e r s van de Staten Generaal. B. Inkomsten van de universiteit 3) In de e e r s t e plaats: Rijksbijdragen, inkomsten welke samenhangen met voorzieningen, waarvoor een rijksbijdareg wordt verleend; en inkomsten uit het daaruit ontstane vermogen. De minister bepaalt, wat er met een eventueel financieel overschot gebeurt. Het efficiency-buro Bosboom en Hegener, en de kuratoren uit Tilburg hebben hieruit opgemerkt, dat dit leidt tot majoreren (=teveel vragen) en opsouperen (= ervoor zorgen, dat het geld hoe dan ook opraakt: verspilling). In de tweede plaats: Schenkingen, erfstellingen en legaten, inkomsten uit voorzieningen waarvoor geen rijksbijdrage wordt verleend; en de inkomsten uit de daaruit ontstane vermogens.

1) Uit de MvT (blz. 12) blijkt dat de woorden 'zo veel mogelijk' worden gebruikt omdat regelingen voor ambtenaren (waaronder het personeel van rijksinstellingen valt) niet automatisch opgaan voor personeel aan de bijzondere universiteiten, die geen ambtenaren zijn. Dit betekent dat bepalingen qua inhoud identiek kunnen zijn, maar dat de formele redaktie (aanheffing, ondertekening, aanduiden van rangen en funkties) verschillend behoren te zijn. 2) artikelen 97, 98, 98bis en 99 van de Wet op het W.O., ingevoerd op 12 februari 1968. 3) Inkomsten: artikel 100 W. op W.O.,oud en nieuw Goedkeuring: artikel 106, nieuw art. 12

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969

Ad Valvas | 502 Pagina's

Ad Valvas 1969-1970 - pagina 234

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969

Ad Valvas | 502 Pagina's