Ad Valvas 1969-1970 - pagina 124
aan de Universiteit van Amsterdam. In 1934 legde hij het arts-examen af waarna hij huisarts werd te Hoorn en Alkmaar. Na zijn chirurgische opleiding in het St.-Elizabeth's Gasthuis te Haarlem, volgde zijn inschrijving in het specialistenregister in 1952. De heer Steensma, die een groot aantal reizen als scheepsarts heeft gemaakt, is vanaf 1956 tot heden lid van de Rijkscommissie voor de Stuurliedenexamens en thans werkzaam als bedrijfsarts in de Zaanstreek en als adviserend arts van de Radio Medische Dienst van het Ned. Roode Kruis voor de Scheepvaart.
sosiëcologie een nieuwe wetenschap
(vervolg van pag. 1). B2
C Cl
C2
D
Dl
D2
D3 Uit de eerste twee colleges,„Natuurbehoud en Milieubeheer" van prof. dr. K. H. Voous hebben we kunnen concluderen dat het diertje, het plantje en het landschapje geen zaken meer zijn, waar we al onze beschermingsenergie in kunnen steken. Het nijpend probleem voor onze generatie is: hoe behouden we het geheel van natuur en landschap zó, dat al wat leeft, de mens incluis, zich (vervolg op pag. 12).
waile ppoü echoltflneUep Dr. R. J. Scholtmeijer, benoemd tot gewoon hoogleraar in de urologie, heeft op 31 oktober zijn ambt aanvaard met het uitspreken van een rede, getiteld: „Raakvlakken van de urologie met andere medische wetenschappen". Wij laten hieronder een korte samenvatting van deze rede volgen. In de rede w o r d t de nadruk gelegd op de noodzaak van een goede samenwerking tussen de verschillende disciplines. De uroloog, een specialist wiens specifieke kennis in de regel slechts een klein gebied van het menselijk lichaam beslaat, kan zich alleen dan een optimale behandeling van zijn patiënten voorstellen wanneer hij daarbij op de hulp van andere specialisten kan rekenen. Tot deze specialisten behoren in de eerste plaats de röntgenoloog en radiotherapeut, voorts de internist, longarts, anaesthesist, laboratorium-arts, neuroloog, chirurg en kinderarts. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de kinderurologie. De kinderurologie staat nog in de kinderschoenen en in Nederland is het aantal urologen met grote ervaring in de kinderurologie nog zeer klein. Bij het kind komen meer urologische afwijkingen voor dan men in de regel beseft en vele van deze afwijkingen zijn, mits tijdig herkend, goed te corrigeren. ledere chronische of recidiverende urineweginfectie bij het kind is aanleiding tot een volledig urologisch onderzoek omdat vele chronische urineweginfecties bij het kind gepaard gaan met anatomische afwijkingen aan de urinewegen. Slechts door een systematisch onderzoek kunnen oecgelijke afwijkingen worden opgespoord en vervolgens gecorrigeerd. Een nauwe samenwerking met de kinderarts en röntgenoloog is hiervoor van het allergrootste belang.
Fa
oudere-jaars-studenten verdergaand passief kiesrecht moeten hebben dan eerste-jaars? Door de studenten is deze vraag bevestigend beantwoord door 47% en ontkennend door 49%, terwijl 4% deze vraag niet beantwoordden. Bij de overige groepen is de mening ja bij 61 a 78% (hoogleraren, lectoren, wetenschappelijke staf) en 40% administratieve- en technische medewerkers) en neen bij resp. 15 a 34% en 5 1 % . Geeft U bij het kiezen van vertegenwoordigers of afgevaardigden voor bijvoorbeeld een universiteitsvergadering respectievelijk -raad of -parlement, de voorkeur aan; rechtstreeks vanuit de gehele geleding gekozen vertegenwoordigers? Door de studenten is hierop gereageerd met neen door 79% en met ja door 16%. Bij de overige groepen bedraagt het neen 67 a 83% en het ja 5 è 26%. faculteits- resp. sub-faculteltsgewijze gekozen vertegenwoordigers? Het ja domineert hier t.w. bij 84% van de studenten en 72 a 90% van de overige groepen. Het neen haalt resp. 13% en 4 a 2 1 % . Geeft U bij het kiezen van studentenvertegenwoordigers voor bijvoorbeeld een faculteitsvergadering, -raad of -parlement de voorkeur aan bijvoorbeeld: (deze vragen zijn niet gesteld aan de administratieve- en technische medewerkers), direct gekozen vertegenwoordigers? De studenten hebben deze vraag met ja beantwoord door 72% en door 23% met neen. Bij de overige groepen met ja door 48 a 62% en met neen door 4 0 a 31 %. door faculteitsvereniging aangewezen vertegenwoordigers? Door 75% van de studenten is hierop met neen geantwoord en door 19% met ja. Bij de overige groepen metfj^en door 54 a 62% en met ja door 31 a 28%. óf moet in de afvaardiging van studenten nuancering aangebracht worden, bijvoorbeeld naar aantal studiejaren of bijvoorbeeld pré-kandidaten en kandidaten? De studenten hebben hierop met 56% gereageerd met ja en met 39% met neen. Bij de overige groepen 79 è 68% bevestigend en 13 è 26% ontkennend. Wilt U voor de onderstaande onderwerpen met een 1 , 2 of 3 aangeven, wat volgens U prioriteit moet hebben? Door ons is het gemiddelde rangnummer berekend, waarbij „geen a n t w o o r d " buiten beschouwing is gelaten.
Vormgeving bestuur Sub-faculteit Faculteit Universiteit Organisatie Onderwijs Onderzoek Beheer
Hoogleraren en lectoren
Wetensch. staf
Studenten
1,7 1,8 2,4
1,8 1,9 2,2
1,9 1,8 2,2
1,3 2,1 2,6
1,4 2,0 2,4
1,3 2,0 2,6
B
De vragen in hoofdstuk II van de enquête handelen over het onderwijs en onderzoek en de ontwikkeling van de maatschappelijke orde. Bent U van mening, dat bij onderwijs en onderzoek meer aandacht aan een kritische benadering van de maatschappij moet worden geschonken? Ja antwoordt 86% van de studenten en 12% neen. Bij de hoogleraren, lectoren en wetenschappelijke staf liggen deze percentages: 59 a 76% ja en 33 a 20% neen. Moet dit ingebouwd worden:
BI
bij de kandidaatsstudie?
ja
neen geen antwoord B2
neen geen antwoord
neen geen antwoord
C2
Ill A
Studenten
30% 40% 30%
48% 32% 20%
55% 37% 8%
Hoogleraren en lectoren
Wetensch. staf
Studenten
51% 19% 30%
53% 29% 18%
58% 34% 8%
Hoogleraren en lectoren
Wetensch. staf
Studenten
31% 36% 33%
31% 46% 23%
35% 56% 9%
facultatief?
ja
C Cl
Wetensch. staf
bij de doctoraalstudie?
ja
B3
Hoogleraren en lectoren
I
Bent U van mening, dat in de huidige maatschappelijke orde: teveel nadruk w o r d t gelegd op de economische groei en de stijging van de materiële welvaart? De studenten hebben deze vraag bevestigend beantwoord met 69% en ontkennend met 26%. Bij de overige groepen (inclusief administratieve- en technische medewerkers) liggen de uitkomsten op ja met 60 a 62% en neen met 25 a 27%. te weinig aandacht w o r d t geschonken aan de ontwikkeling van de factor ,,welzijn" in het menselijk leven? De studenten reageerden hierop met ja 79% en neen 16%. Bij de overige groepen ja met 69 a 76% en neen met 14 a 16%. In dit hoofdstuk zijn tenslotte enige praktische vragen, speciaal de V U betreffende, aan de orde gesteld. Bent U van mening, dat de V U — afgezien van normale menselijke tekortkomingen —
f
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969
Ad Valvas | 502 Pagina's