Ad Valvas 1969-1970 - pagina 239
NOTA VAN HET KOLLEGE VAN DIREKTEÜREN INZAKE HET WETSONTWERP 10626 1. Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van dit ontwerp voor de Vrije Universiteit moet men van tweeërlei uitgaan: a. het wordt voor de Vrije Universiteit van het grootste belang geacht dat het subsidie van het Rijk wordt gebracht van (laatstelijk) 98, 5% op 100%. Het is r e e d s gebleken, dat men met het tegenwoordige subsidie niet uitkomt; de rekening over 1968 levert een tekort op van ƒ 204.000 bij nadelige u n i v e r s i t a i r e saldi van respectievelijk ƒ 679,000 (universiteit), ƒ 214.000 (ziekenhuis) en ƒ 37.000 (verpleegstersschool). Maar bij de v e r d e r e uitbouw van de instellingen en de voortschrijdende geldontwaarding (zich vooral in de personeelskosten uitende) zal dit tekort op korte termijn belangrijk oplopen. Blijkens de begrotingsstukken van het ministerie van onderwijs en wetenschappen zijn de exploitatiekosten (volgens de rekening van de V . U . voor 1968 bedragen hebbende ƒ 45.293.000 en voor 1967 ƒ 36.040.000) geraamd voor 1970 op ƒ 64.472.000. Dit betekent dat dan de l | % van ƒ 679.000 stijgt tot ƒ 967.080, terwijl ook wat betreft ziekenhuis en verpleegstersschool die 1^ % zeker een hoger bedrag zullen vertegenwoordigen. E r moet dus met een telkenjare oplopend tekort worden gerekend, dat blijkens de ervaring niet door verhoging van de inkomsten kan worden gedekt. Dit tekort betekent echter ook, dat op de niet subsidiabele kosten (geestelijke verzorging van studenten, contacten met het buitenland) tot het u i t e r s t e zal moeten worden bezuinigd. Maar die n i e t - s u b sidiabele kosten zijn nu juist de uitgaven, waarin de eigen aard van onze universiteit zich kan b e t o nen. Indien de eigen inkomsten daarvoor kunnen worden besteed, zal onze universiteit zich, met name ook in het buitenland (de ontwikkelingslanden daaronder begrepen), veel s t e r k e r dan tot d u s v e r r e kunnen ontplooien. b . Een regeling, waarbij het Rijk de kosten ten volle voor zijn rekening neemt, moet uiteraard een m e e r d e r toezicht van de Overheid op het financiële beleid medebrengen, r e e d s daarom, wijl de waarborg voor een zo efficient mogelijk beleid, voor het tegenwoordige gelegen in de omstandigheid dat de universiteit in de kosten ten dele zelf moet voorzien, komt te vervallen. 2. Beziet men nu de zaak, met name uit het oogpunt van het onder Ib gestelde, dan zou men de v e r wachting kunnen hebben, dat het Rijk de oplossing zou zoeken in deze richting, dat het voor de openb a r e , voor 100% gesubsidieerde, instellingen geldend financieel regime zonder m e e r voor de b i j zondere instellingen toepasselijk zou zijn verklaard. Maar zó is het niet geschied. Het ontwerp is n . 1 . daarvan uitgegaan, dat e r reden is aan de openb a r e instellingen een m e e r d e r e zelfstandigheid te geven. Zelfs wordt in de m e m o r i e van toelichting (pagina 4, tweede alinea) gesteld, dat op de duur ook voor de openbare instellingen de ontwikkeling kan gaan in de richting van een voornamelijk repressief toezicht. Aan de openbare instellingen wordt dus een m e e r d e r e zelfstandigheid verleend, en aan dat regime worden dan ook- wat betreft het financieel beleid - de bijzondere instellingen onderworpen. Welke zijn nu de punten, waarin de openbare instellingen m e e r zelfstandigheid verkrijgen, punten welke aldus ook voor de bijzondere instellingen behouden blijven? A l l e r e e r s t deze, dat voor de subsidiabele uitgaven de norm, welke tot d u s v e r r e alleen voor de b i j zondere instellingen gold (artikel III van de tegenwoordige wet) ook voor de openbare instellingen zal gelden (art. 96 t e r . van de nieuwe wet). Voorts is de vrijheid van beschikking over eigen inkomsten, welke de bijzondere instellingen tot d u s v e r r e hadden, óók voor de openbare instellingen erkend (art. 100, e e r s t e lid, onder b, jo. de bepaling van a r t . 102, tweede lid, derde zin, dat de voorschriften omtrent de begroting niet gelden voor de begroting inzake voorzieningen waarvoor geen rijksbijdrage wordt verleend). Dan is - en dit is een zeer belangrijk punt - het beroepsrecht tegen beschikkingen van de minister hetwerlk de openbare instellingen enkel binnen de door de wet vastgestelde rijksbijdrage hadden verruimd in de zin, waarin dit beroepsrecht thans voor de bijzondere instellingen geldt: de b e schikking op het beroep geschiedt onafhankelijk van de vraag, of het Rijk dienvolgens tot een b e t a ling wordt verplicht, waarin de rijksbegroting niet voorziet (artikel 102, zesde lid nieuw jo. a r t i kel 102 bis "nadere vaststelling bij de wet van het hoofdstuk van de rijksbegroting"). Verder is de bepaling van het bestaande artikel 106 omtrent de vereiste goedkeuring op besluiten van curatoren van de openbare instellingen in het nieuwe artikel 106 drastisch beperkt. Tegen de uitbreiding van de aldus beperkte bepaling ook op de bijzondere instellingen kan moeilijk bezwaar worden gemaakt (op artikel 106, e e r s t e lid onder c komen wij hieronder nog terug). Er zijn zelfs punten, waarop de positie zowel van de openbare als van de bijzondere instellingen wordt v e r s t e r k t . Artikel 102, derde lid, bepaalt voor het tegenwoordige voor de openbare instellingen, dat de begroting wordt ingericht volgens door onze minister te geven richtlijnen. En artikel 114, tweede lid, bepaalt voor de bijzondere instellingen, dat de begroting wordt ingericht volgens door onze minister te stellen richtlijnen, welke vastgesteld dienen te worden met inachtneming van 17
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969
Ad Valvas | 502 Pagina's