Ad Valvas 1969-1970 - pagina 235
Ook deze inkomsten moeten op de begroting worden vermeld, hetgeen voorheen niet het geval w a s . De minister heeft inzicht in de totale financiële positie van de universiteiten. Met het toekennen van een rijksbijdrage aan de universiteit zal de minister met het tweede soort inkomsten geen rekening houden. Echter: de kuratoren hebben de goedkeuring van de minister nodig als het aksepteren van e r f s t e l lingen e . d . of het aanwenden van het vermogen zou kunnen leiden tot het verhogen van de rijksbijdrage nu of in de toekomst^). Met andere woorden Een erfenis aksepteren voor een onderwijsvoorziening kan alleen als dit een tijdelijke voorziening is öf als dit een tijdelijke voorziening is öf als de garantie blijft bestaan dat het nodige geld op de een of andere manier zal blijven komen. Een liefdadige miljonair kan dus óók al niet m e e r helpen. c. de begroting
2
)
Kuratoren stellen de begroting op. De begroting wordt ingericht volgens de richtlijnen van de m i n i s t e r . Dit laatste was al zo voor de openbare universiteiten; het geldt nu ook voor de bijzondere universiteiten. Op dit moment is er, naar de MvT zegt (pag. 8 e e r s t e kolom), een kommissie druk doende, de d i v e r s e begrotingen vergelijkbaar te maken, door een modeIbegroting op te stellen. Een voor alle universiteiten nieuw punt is, dat de minister al of niet goedkeuring verleent aan het geheel van de begroting of een deel ervan. Vroeger keurde de minister al of niet de hoogte van de totale begroting goed. Dit betekent dat de minister op eUc punt van het universitaire beleid 'financieel' kan ingrijpen, door een bepaald begrotingsgedeelte niet goed te keuren: zo kan ieder onderwijs- of onderzoekexperiment geboycot worden 3). De mogelijkheid tot ingrijpen via de begroting is ook de basis voor het ministeriële leerstoelenbeleid (zie aldaar). Voor wat betreft de kwaliteit van onderwijs en onderzoek ontstaan de volgende mogelijkheden (moeilijkheden) : - De grootte van het docentencorps wordt gering gehouden zodat de docenten geen tijd m e e r hebben voor onderzoek of om bij te blijven in hun vakgebied; alleen nog schriftelijke tentamens kunnen afnemen - die de tendens hebben de stof tot feitelijkheden te reduceren -; alleen nog m a s s a l e hoorkoUeges kunnen geven - éénrichtingsverkeer in de kennisoverdracht met ook al de tendens tot v e r feitelijking-; de mogelijkheden tot experimenten ontbreken vrijwel. Kortom: Een steeds schoolser systeem, dat uitmondt in een vaktechniese opleiding. - Bij het laag houden van de posten voor investeringen in gebouwen en de personeelsposten, ontstaat e r een situatie van overbevolking van de fakulteiten met als gevolg strengere selektie; invoering van al of niet formele numerus fixus e.d, - Door geen geld voor onderzoek t e r beschikking te stellen kan het onderzoek plaatsvinden in s p e ciale overheidsinstellingen (of aan een enkele fakulteit) waar alleen de z e e r begaafde studenten aan het onderzoek mogen komen deelnemen of een post-akademiale opleiding genieten. Een eventueel eensgezind verzet van de universiteiten wordt doorbroken door de invoering van het konkurrentie-beginsel, De begroting van een universiteit dient van nu af aan te worden toegestuurd aan alle andere universiteitsbesturen. Binnen zestig dagen mogen de universiteitsbesturen zich bij de minister komen beklagen over andermans begrotingen (art. 102 lid 3 nieuw). Een doorbreking van het kollegialiteitsbeginsel zal, vooral gezien de hierna nog kort te bespreken strukturele investeringstekorten, een beknibbelen op eikaars begrotingen tot gevolg hebben; dit neemt de minister al veel werk uit handen4).
1) Voorheen waren de bijzondere universiteiten vrij in de besteding van erfstellingen e.d.; de Rijksuniversiteiten daarentegen mochten vroeger geen enkele financiële handeling zelfstandig verrichten. Dit is nou die vergrote autonomie van de rijksuniversiteiten. 2) Artikel 102 Wet op W. O . , nieuw en oud. 3) Af- en overschrijvingen: voor RU art. 103 oud en nieuw, voor Bijz. Univ. art. 114, 3 oud. Ook al zou de universiteit onder de ministeriële beschikking uit willen, dan kan dat niet, omdat er geen verschuivingen op de begroting mogen plaatsvinden; deze bepaling is niet nieuw, maar is nu van groter belang, omdat het de effektuering betekent van de mogelijkheid van de minister op specifieke delen van de begroting in te grijpen en naleving hiervan te bewerkstelligen. 4)Op alle financiële beslissingen van de minister staat beroep op de Kroon open (art. 102 lid 6 en art. 110 Wet op W.O.; nieuw).Dit houdt formeel in dat de Raad van State, afdeling geschillen in bestuur, advies uitbrengt aan de Kroon, maar de betrokken Ministers, m dit geval van onderwijs en financiën beslissen. Het komt vrij zelden voor dat de ministers tegen een advies van de Raad van State ingaan daar zij dan alle korrespondentie, de beslissing betreffende, moeten publiceren, met daarbij de mogelijkheid dat het parlement ingrijpt. Echter juist in de mogelijkheid dat de ministers - geheime - korresi>ondcntic met de RvS kunnen voeren, voor er advies wordt uitgebracht, zorgt ervoor dat de ministers niet vaak 'contrair' behoeven te gaan.
13
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969
Ad Valvas | 502 Pagina's