Ad Valvas 1969-1970 - pagina 238
— Interne organisatie. Hoe die er p r e c i e s gaat uitzien, doet e r niet zó veel toe, want het staat al vast dat e r een zelfstandig dagelijks bestuur komt (blijft) en v e r d e r heeft Den Haag via a d m i n i s t r a tieve/financiële/leerstoel- e . d . bepalingen voldoende g r e e p op de universiteiten om aan de basis de (bestuurs-)teugels wat losser te laten. ^.^ -MJ-*' Wat de organisatoriese vrijheid van de kleinste eenheid betreft: ' De nota-Veringa wekt de indruk dat instituten en vakgroepen in de praktijk een one man - one vote beslissingsstruktuur zouden kunnen krijgen. Blijkens Veringa's oratie in de k a m e r ^) is zelfs dat nog niet de bedoeling. Het gaat om nog kleiner e eenheden, die onder elkaar een soort concensus ontwikkelen; "Ik ben voorts nog steeds van mening dat de nieuwe wet het als grondstruktuur niet mogelijk moet maken, dat een fakulteit of subfakulteit in de wezenlijke zin van het woord wordt bestuurd door een algemene vergadering van allen, die op een of andere wijze bij de werkzaamheden binnen die eenheid zijn betrokken, waarin elke aanwezige 1 stem heeft en die juridles als hoogste bestuursorgaan wordt aangemerkt." ( ^ "Het spreekt vanzelf, dat binnen de studierichting nog een zeer gevarieerde infrastruktuur zal bestaan. Men kan b. v. het oog hebben op een groep onderzoekers, die zich met een enkel onderzoeksprojekt bezig houden, in zulk een groep - dit kan gelden voor elk samenwerkingsverband - die zo beperkt van omvang is, dat intensief regelmatig persoonlijk kontakt mogelijk is, zal natuurlijk een formele hiërarchie kunnen bestaan. Het kan zo zijn, dat een wetenschappelijk hoofdmedewerker het Projekt met enkele medewerkers en studenten uitvoert, maar in zulk een werkeenheid - ik parafraseer nu de nota bestuurshervorming - zal in de praktijk tussen de leden van die gemeenschap een sfeer van samenwerking kunnen en moeten ontstaan, waarbij verschillen in rang en in de daaraan verbonden bevoegdheden in de formeel juridiese zin op de achtergrond blijven. In e e r d e r e publikaties is gesteld dat de nota-Veringa in tegenspraak zou zijn met de 100%-wet, g e zien zijn tegemoetkomend karakter t. o. de studenteneisen van het voorjaar. Anderen meenden dat de nota een onnodig stuk onrust verwekt zou hebben, omdat de 100%-wet a l léén al tal van voldoende garanties zou bieden voor het voeren van een centraal geleid wetenschapsbeleid. In tegenstelling tot deze konklusies zijn wij van mening, dat de nota-Veringa én de 100%-wet samen de "aangeklede Maris"-universiteit vormen - alleen beter overeenkomend met moderne organisatieinzichten: de funktionele werkdemokratie - . Met deze aangeklede Maris is aan de organisatoriese, financiële en administratieve voorwaarden voldaan om een soepel, geleidelijk invoeren van "Posthumus" mogelijk te maken.
1) Vaststelling hoofdstuk VIII (onderwijs en Wetenschappen) lilTfl, de handel innen van de tweede kamer op 12 november 1969, blz. 863. 16
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969
Ad Valvas | 502 Pagina's