Ad Valvas 1969-1970 - pagina 241
gen, dat, indien de regelen volstrekt onder de maat zouden zijn, artikel 96 - intrekking van civiel effect en subsidie - van toepassing zou kunnen zijn. Maar het Rijk zelf heeft te groot belang bij het voortbestaan van de universiteit dan dat n a a r dit middel anders dan in een wel z e e r opgelegd geval zou worden gegrepen. b . Artikel 94 - betrekking hebbend op het personeel - wordt met enige bepalingen aangevuld. Voor het tegenwoordige bevat dit artikel slechts de bepaling, dat de jaarwedden, wedden, beloningen en toelagen van en de vergoedingen verleend aan het wetenschappelijk en het overig personeel der b i j zondere instellingen niet hoger mogen zijn dan die van het overeenkomstige personeel van de openb a r e instellingen. Die bepaling wordt in artikel 94, derde lid, wat nader gespecificeerd gehandhaafd. Maar met betrekking tot het personeel wordt nu - in artikel 94, e e r s t e lid - de bepaling opgenomen, dat de besturen van de bijzondere instellingen regelen treffen met betrekking tot de financiële en overige rechtspositie van het personeel, en dat daarbij zoveel mogelijk overeenkomstige r e g e ling vinden de onderwerpen, welke met betrekking tot de rechtspositie van het personeel der openb a r e instellingen krachtens de wet moeten worden geregeld. Ook hier intussen v e r d e r alleen kennisgeving aan de Minister van de getroffen regelen. Het geldt hier v e r d e r een m a t e r i e , welke in de tegenwoordige verhoudingen vanzelfsprekend i s : een verzekering van de rechtspositie van het p e r s o neel. Van m e e r belang is de bepaling in artikel 94, tweede lid, nieuw, dat de Minister na overleg met het bestuur van de bijzondere instelling bepalen kan, dat bepaalde richtlijnen "welke voor de rijksinstellingen van wetenschappelijk onderwijs dan wel voor de academische ziekenhuizen bij de openbare instellingen gelden met betrekking tot het personeelsbeleid" eveneens door de bijzondere instellingen zo veel mogelijk dienen te worden in acht genomen. Het betreft hier een m a t e r i e , welke ook r e e d s thans speelt: de bedoelde richtlijnen hebben ook r e e d s thans voor de bijzondere instellingen betekenis, met name in het verband, dat de bijzondere instellingen de bepaling, dat de rechtspositie van het personeel niet beter (dus wel minder goed) mag zijn dan die van het "openbare" personeel aldus opvatten, dat de rechtspositie gelijk moet zijn aan die van het "openbare" personeel. Daarom p l e gen ook thans r e e d s de richtlijnen, hier bedoeld, veelszins te worden gevolgd. Maar het bezwaar is voor het tegenwoordige, dat die richtlijnen alleen, omdat zij formeel slechts voor het personeel der openbare instellingen gelden, plegen voorbereid ,te wordeiv ten Departemente ïri Qverleg met de-openbare instellingen, en dus de bijzondere instellingen daarop geen invloed kunnen oefenen. In dit opzicht komt e r nu verbetering: de richtlijnen zullen i m m e r s e e r s t "na overleg met" de besturen van de bijzondere instellingen toepasselijk kunnen worden verklaard, hetgeen, blijkens de m e m o r i e van toelichting ertoe leiden zal, dat ook de bijzondere instelling^! in de voorbereiding van de r i c h t lijnen zullen worden betrokken, wat het overleg met de besturen van de bijzondere instellingen over de vraag, of de richtlijnen dan ook voor de bijzondere instellingen zullen gelden, zal vergemakkelijken. Het verdient daarbij aandacht, dat, terwijl bij andere regelen, zoals hieronder vermeld, alleen is gesteld, dat het bestuur van de bijzondere instelling wordt gehoord, hier voorafgaand overleg wordt voorgeschreven. Het "zoveel mogelijk" geeft bovendien ruimte voor modificaties c. Artikel 93, vierde lid, van de bestaande wet bepaalt, dat de besturen van de bijzondere instellingen van elke aanstelling van een hoogleraar of een lector binnen dertig dagen kennis geven aan de Minister. Aan deze bepaling wordt door artikel 94, vierde lid, nieuw, enige uitbreiding gegeven. A l l e r e e r s t zal ook kennisgeving moeten geschieden van de benoeming van houders van zelfstandige onderwijsopdrachten. Dit sluit aan bij de ontwikkeling op dit t e r r e i n : het instituut van zelfstandige onderwijsopdrachten is iets van latere datum. Dan wordt bepaald, dat de mededeling van de benoeming moet vergezeld gaan van de "nodige gegevens". Op dit "nodige" moet de aandacht vallen. Het sluit aan bij de bestaande algemene bepaling van artikel 93, tweede lid, dat de besturen aan de Minister de "nodige" inlichtingen geven omtrent de universiteit en hogeschool. "Nodig" is voor de b i j zondere instellingen met voordracht gesteld tegenover de bepaling van artikel 46 met betrekking tot de openbare instellingen, dat curatoren aan de Minister de "gevraagde" inlichtingen omtrent de universiteit of hogeschool verstrekken. Daarmede is tot uitdrukking gebracht, dat de Minister slechts die gegevens mag vragen, welke hij in de uitoefening van zijn wettelijke bevoegdheden nodig heeft. Andere inlichtingen behoeven de bijzondere instellingen niet te geven. Nu is het ten opzichte van de benoeming van de hoogleraren aldus, dat de bijzondere instellingen daarin vrij zijn, en de Minist e r , ook niet voor wat betreft een appreciatie uit wetenschappelijk oogpunt, daarin niet mag treden. Dat blijft onverlet, en de memorie van toelichting (pag. 12, ad lid 4) stelt dan ook, dat die "gegevens" slechts zullen bestaan in een curriculum vitae en een overzicht van de wetenschappelijke loopbaan van de benoemde, met uitdrukkelijke erkenning, dat de Minister op grond van de wet niet de b e voegdheid toekomt een oordeel uit te spreken over de wetenschappelijke kwaliteiten van de benoemde; anders is het bij de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, waar de Minister de goedkeuring van de benoeming heeft, en dan ook wordt voorgeschreven, dat de aanstellingsbesluiten vergezeld moeten gaan van een uitvoerige toelichting (art. 91, zesde lid, nieuw). En v e r d e r wordt dan nog bepaald, dat de Minister in kennis moet worden gesteld van het vacant r a ken van leerstoelen, lectoraten en plaatsen voor zelfstandige onderwijsopdrachten. Deze bepaling beoogt kennelijk de Minister gelegenheid te geven om in voorkomende gevallen over de noodzakelijkheid van de vervulling met het bestuur in bespreking te treden. Dit kan niet anders dan een v r i j blijvend overleg zijn. Maar indien de Minister van oordeel zou zijn, dat van vervulling van de vacature ware af te zien, dan is het beter in het stadium van de vacature daarover te handelen, dan dat e e r s t bij de volgende begroting de Minister van bezwaar tegen de desbetreffende post zou doen b l i j ken en dan de aangelegenheid c.q. in beroep zou moeten worden beslist. 4 . Er is nog een onderwerp, eigenlijk vallend buiten de "financiële gelijkstelling", dat in het onder19
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969
Ad Valvas | 502 Pagina's