Ad Valvas 1969-1970 - pagina 175
heeft de organisatie, welke taken dienen vera. interne opbouw en werking van de Univuld te worden om die te bereiken, hoe verversiteit houden die taken zich tot elkaar? b. externe relaties Op dit ogenblik worden er binnen en buiten De werkgroep is van mening dat in dit verde universiteit nogal wat ideeën ontwikkeld band de volgende zaken ter diskussie moeten over doel en funktie van de universiteit. komen. De diskussie over de nota-Posthumus heeft a. interne opbouw en werking van de niet tot groter eensgezindheid geleid. Toch is Universiteit het o.i. van belang bij de diskussie een keuze — verhoudingen in het onderwijs te maken uit de mogelijke doelstellingen, of — autoraitair - didaktisch (de al of niet uitbepaalde aksenten te leggen, of bepaalde drukkelijke leraar-leerling verhouding) verkombinaties te maken. Want slechts vanuit schaffend -consumptief (het kennispakket, die keuze is het mogelijk over herstrukturering dat opgediend w o r d t en verorberd dient te van de bestuursvorm te praten en de struktuur worden) af te stemmen op het gekozen doel. — de gebrekkige coördinatie tussen en inteDe hiervolgende opsomming van alternatieven gratie van verschillende disciplines IS niet uitputtend, zij is slechts bedoeld als — de desintegratie van het onderwijs en een gedachtenorientatie, een aanzet tot onderzoek. — het meer of minder ondemokraties f u n k t i o - diskussie. neren van administratieve, technische en Mogelijke doelstellingen bestuurlijke organen (de verantwoordingsonderwijs en onderzoek lijnen en ,,bevels"lijnen in de formele beI. Onderwijs en onderzoek als produktiefaktor stuurstruktuur de al of niet terechte, grote, universiteit leidt op voor beroep. invloed van het centraal beheersapparaat I I . Onderwijs en/of onderzoek gericht op op onderwijs en onderzoek enz.). individuele ontplooiing. b. de externe relaties van de Universiteit I I I . Onderwijs en/onderzoek voor de .WETENSCHAP". 1. de gebrekkige of foutieve funktievervulling van de Universiteit ten opzichte van de samen- IV. Kritiese funktie van onderwijs en onderleving. zoek t.a.v. de maatschappij. — aktieveen passieve versterking en konsoli Vragen — zijn I t / m IV elkaar uitsluitende datie van de bestaande maatschappelijke alternatieven Funkties-' orde t.g.v. het ontbreken van maatschappij— zo niet, moeten er dan aksenten gelegd en kritiek vanuit de Universiteit (onkritische prioriteiten gesteld worden, en waar? academici, ,,waardevrije wetenschapsbeoefeNadere uitwerking I t / m IV. ning", ,,neutrale opstelling" van de Universi ad. I. De maatschappij heeft wetenschap en telt, onderwijs en onderzoek niet gericht op wetenschappelijk opgeleiden nodig. Betekent fundamentele veranderingen en/of verbetehet kiezen van, of het aksent leggen op deze ringen). funktie dat de huidige maatschappelijke ver2. de groter wordende invloed van ,,buiten" houdingen en toestanden onkrities aanvaard op de Universiteit (al of niet terecht') worden? Is de huidige samenleving daarmee — de groter wordende invloed van b.v. de normatief gesteld? overheid, bedrijfsleven, onderwijsorganisaties, ad. I I . Is ontplooiing slechts bepaald door (eventueel kerk), waaronder intern individuele factoren, of be'ükent ont — de bestaande en komende competenties plooimg van het individu vanzelf ook dat er van het ministerie van O W met betrekking sprake is van aanpassing aan externe factoren tot - financiën - benoemingsbeleid - taakver(bv, beroepstaak)? Is het individu belang deling tussen verschillende Universiteiten en rijker dan de maatschappij, zodat de maat fakulteiten - bestuursstruktuur schappij zich aan hem moet aanpassen? — de invloeden van het bedrijfsleven, die zich ad. I I I . Wetenschap om de wetenschap. o.a. uit in het streven naar studieverkorting, Garandeert de ontwikkeling van de wetengefaseerde studieprogramma's, exameneisen. schap altijd de verheffing van de mensheid? II De discrepantie tussen hetgeen de universiteit als bestuurlijke en technisch-admmistra- Of ligt al of met verheffing van de mensheid m het (politieke) gebruik/misbruik van wetentieve organisatie doet en de eisen, die haar, schap? Kan de wetenschapschapper daar lets/gezien haar taak gesteld worden. niets aan of tegen doen? Deze problematiek kan men grofweg in twee ad. IV. Is de universiteit het maatschappijaspekten onderscheiden, hoewel deze nauw krities instituut bij uitstek? Heeft iedere aan elkaar verbonden zijn beslissing t.a.v. onderwijs en onderzoek in a. de schaalvergroting, d.w.z. een toenemende welk vak dan ook een maatschappij-etiese complexiteit en massaliteit dimensie? — het explosief toegenomen aantal studenten — de ingewikkelder en omvangrijker geworden A . Met de keus van de doelstellingen is nog met alles gezegd. Om de diskussie toe te spitbegrotingsprocedure d.w.z. — de toekenning en verdeling van gelden voor sen en na te gaan wat er in feite gedaan wordt/moet worden, volgt hieronder een personeel, gebouwen en apparatuur serie punten, die met de gekozen doelstellmg— de toenemende specialisering en f u n k t i e (en) in verband gebracht moeten worden. differentiëring van het onderzoek, het wetenOok hier geen volledigheid, de invulling is schappelijk corps en het technisch admini weer min of meer arbitrair. stratieve corps. 1. Inhoudsbepaling. b. de gevoelde behoefte tot vergroting van — wie bepaalt/bepalen de inhoud van onderefficiency, bestuurskracht, slagvaardigheid wijs en/of onderzoek? en doelmatigheid. met welke kriteria houden zij rekening De herstrukturering van de Universiteit m de (kwaliteit, visie op de maatschappij)? ruimste zin van het woord zal voor een groot wat IS de rol van deskundigen? deel bepaald worden door de accenten, die men op de bovengenoemde mogelijke redenen — hoe stringent moet de inhoud bepaald tot herstrukturering legt. Welke aspekten voor worden? — door wie en wat moet de studieduur beieder het zwaarst zullen wegen is afhankelijk paalt worden? van het (impliciete) mensen maatschappij2. relatie onderwijs-onderzoek. beeld, dat men heeft. — zijn onderwijs en onderzoek principieel verschillende zaken? zijn het functioneel hoofdstuk II verschillende zaken? — wat IS de — eventuele — functie van onderONDERWIJS, ONDERZOEK wijs voor onderzoek, en die van onderzoek EN DE F U N K T I E V A N BEHEER voor onderwijs? Inleiding 3. didaktiese strukturen. Wanneer men gaat spreken over bestuursher— geprogrammeerde mstruktie, hoorkolleges, vorming, is het goed om te weten wat er bewerkgroepen, projektonderwijs, de rol van de stuurd moet worden. Welke doelstellingen deskundigheid in deze vormen.
— selektie ja/nee? en waar en wanneer? En zo ja waarnaar en waarop? De selectiemethoden — onderlinge vergelijking — objektieve kriteria (geen verband met het aantal), daarna loting of wachtlijsten? — groepsselectie — zelfselectie — de propedeuse als selectiemiddel (informerend, differentiërend, het brugklas idee, de gewaarmerkte ,,graad" ook voor andere universiteiten bindend?) 4. autonomie. — hoe groot behoort de autonomie te zijn van leerstoel, vakgroep, sektie, subfaculteit, faculteit, universiteit? wat heeft het nivo van autonomie voor konsekwenties voor inhoud en vorm van onderwijs? — wat IS de samenhang met en de invloed van een grotere eenheid? — wat met de maatschappij - bv. formele (direkte) invloed - personele unies - automatics via ,,vraag en aanbod" 5. onderwijs/onderzoek en beheer. — het probleem van centralisatie-decentralisatie. — het anticiperend karakter van beheersaktiviteiten. — de verzelfstandiging van het beheer en de demokratlese kontrole? — moet beheer dienstverlenend zijn aan onderwijs en onderzoek en moet het in onderof nevengeschikt verband worden uitgevoerd? hoofdstuk III ORGANISATIE A. Eksterne relaties van de universiteit 1. De overheid a. In hoeverre heeft de overheid een taak t.a.v. de universiteit? b. In hoeverre is er sprake van verantwoordelijkheid van de overheid t.a.v. de universiteit en hoever strekt die verantwoordelijkheid zich uit? c. Betekent de taak en verantwoordelijkheid van de overheid dat deze uiteindelijk beslissingen kan nemen t.a.v. de openbare rasp. bijzondere universiteiten op het gebied van financiën, benoemingen, taakverdeling enz.? d. Wat IS m dit kader de specifieke plaats van de bijzondere universiteit? e. Wat betreft de eventuele autonomie van universiteiten heeft deze een konserverende demokratiserende of unitiërende werking? f. Maakt de beantwoording van de vorige vragen enig verschil, naar gelang u de huidige overheid beschouwd als een demokratlese, goed funktionerende instelling of niet? 2. Zusterinstellingen a. Hoe dient een eventuele vrijwillige taakverdeling tussen en samenwerking met zusterinstellingen (andere universiteiten, hogescholen, instituten) te zijn geregeld? b. Moet er een supra-universiair instituut zijn dat de middelen voor onderwijs en onderzoek over de instellingen van hoger onderwijs verdeelt? 3. Overigen. Acht u relaties gewenst en op welke wijze met het bedrijfsleven, maatschappelijke instellingen, politieke partijen, vakbonden, hoger beroepsonderwijs, andere onderwijsinstellingen, T N O , R V O , ZWO.enz;-? B. Interne relaties 1. Direkte demokratie naast/tegenover indirekte demokratie a. Hanteren we bij het opbouwen van een universitaire organisatie het beginsel ,,direkte demokratie waar maar enigszins mogelijk en in zo weinig mogelijk gevallen (n.1. daar waar direkte demokratie prakties niet mogelijk is) vertegenwoordiging" of gaan we uit van het beginsel ,,vertegenwoordiging is regel en direkte demokratie is uitzondering".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969
Ad Valvas | 502 Pagina's