Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1969-1970 - pagina 236

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1969-1970 - pagina 236

4 minuten leestijd

VAN MOGELIJKHEID TOT NOOOZAKELIJKHEID

(of het faillisement van de onderwijsfinanciering) De bedragen die de overheid uitgeeft aan het wetenschappelijk, blijven voortdurend achter, als men ze plaatst tegen de achtergrond van diskrepantie tussen maksimumkapasiteit en het - te verwachten - aanbod van studenten. Na de prinsipiëtó verwerping van de numerus clausus door de tweede k a m e r komt minister Diepenh o r s t in september '66 met een algemeen financieel schema voor de periode '67-'70.Hij gaat d a a r in uit van een prognose van 82, 000 studenten voor het j a a r 1970. Dat wil zeggen dat hij weigert uit t e gaan^vjßi^de op dat moment jongste prognose van 97.000 studenten. Dat betekent een bezuiniging van 1500 miljoen aan m a t e r i ë l e en 315 miljoen aan personele kosten. De hoop, die e r altijd nog was, om de achterstand van het wetenschappelijk onderwijs in Nederland, opgedaan in de ekonomiese k r i s i s en de tweede wereldoorlog, in te lopen, lijkt vervlogenl Overigens werd de toezegging aan het parlement de financiële schemaas te herzien, bij het bekend worden van nieuwe cijfers, nog steeds niet uitgevoerd. Minister Veringa, die op 5 april '67 Diepenhorst is opgevolgd, pakt de onderwijsproblematiek op een andere wijze aan: a l l e r e e r s t stelt hij een aantal kommissies voor het WO in en benoemt P o s t humus tot speciale r e g e r i n g s k o m m i s s a r i s voor het WO. Met enig financieel lapwerk lost Veringa de m e e s t onbevredigende onderwijssituaties aan de universiteiten op. Als intussen het rapport Dalmulder 1) voor publikatie is vrijgekomen - 8 juli '68 - komt zomer '69 de minister met een algemeen financieel schema voor de jaren ' 7 0 - ' 7 3 . Hierin blijkt de kraan pas goed dichtgedraaid te worden De investeringen - de extra bedragen ten opzichte van het voorafgaande jaar die bestemd zijn voor materiële voorzieningen, als gebouwen e . d . - over de periode '70-'73 worden teruggebracht tot het nivo van 1968; 360 miljoen per j a a r . D i t betekent een absolute daling ten opzichte van 1969 van 28 miljoen gulden. Daarbij is e r ook nog sprake van forse prijsverhogingen na 1968, zodat relatief gezien de investeringen vanaf 1970 zeker 10% beneden het nivo van 1968 ligg^en. T e r herinnering: investeringen die gebaseerd zijn op 82.000 studenten in '70, terwijl op dit moment vaststaat dat e r minstens 95.000 zullen zijn. Zoals in de inleiding r e e d s is gesteld en in de volgende hoofdstukken is uitgewerkt, is de aanpassing van de universiteit, met de veranderende taak van de overheid in het ekonomies leven, een staatsaangelegenheid geworden. De industrie laat infra-strukturele investeringen als het wetenschappelijk onderwijs aan de staat over, in verband met de geringe - direkte - produktiviteit. Dat verlangt hoge investeringen van regeringszijde waarbij de uitkomsten ten goede komen aan d e r den, in casu het bedrijfsleven. Het is echter onmogelijk om in het kapitalistiese stelsel aan de benodigde financiën te komen. Het bedrijfsleven is niet gewillig hieraan bij te dragen. Het is deze wetmatigheid die de regering dwingt het peil van de investeringen laag te houden, zonder dat het onderwijs als infra-sturkturele voorziening ten onder gaat. Hoe de uitweg uit deze impasse getracht wordt te vinden kan men aflezen uit het overheidsbeleid, dat er op gericht is enerzijds de groeiende behoefte van het bedrijfsleven aan steeds hoger gekwalifiseerde arbeiders en funktionarissen te bevredigen en anderzijds de opleidingskosten zo laag m o gelijk te houden. De algemene lijn van de "herstruktureringsvoorstellen" ligt enerzijds in efficiëntieverhoging en kostenbewaking (1007o-wet, rapport Maris, nota-posthumus e . d . ) en anderzijds in meer - direkt "kwalitatieve" veranderingen die zowel aan de financiële als aan de industriële k r i t e r i a voldoen (m.n. Posthumus' voorstellen; zie elders). In dit licht bezien lijken de mogelijkheden, zoals die m . n . geschetst zijn onderaan blz. 14, niet zo spekulatief m e e r : ze zijn geworden tot waarschijnlijkheden, ja, zelfs noodzakelijkheden. De kansen - zo ze aanwezig waren - op b . v . projektonderwijs, experimenten met onderwijsvormen, en het k r e ë r e n van zoveel mogelijk volwaardige wetenschappelijke opleidingen voor zoveel mogemensen, zijn en worden nu tot een minimum teruggebracht.

1) 'Aanbod en behoefte aan academici m 1980'.

14

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969

Ad Valvas | 502 Pagina's

Ad Valvas 1969-1970 - pagina 236

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969

Ad Valvas | 502 Pagina's