Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1969-1970 - pagina 332

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1969-1970 - pagina 332

7 minuten leestijd

gelegd op de professionele organisatie of op een democratisch opgebouwde bestuurhjke organisatie Dit geldt zowel voor de vraag, welke groeperingen bij het bestuur zouden moeten worden betrokken als voor de wijze, waarop dit zou moeten geschieden Dit verschil in benadering zou zijn neerslag kunnen hebben m concrete voorstellen Een scherpe scheiding tussen deze twee wijzen van benadenng is echter met te maken Bij de beschouwingen over de vraag, welke groeperingen m aanmerking komen om bij het bestuur te worden betrokken, verdienen er twee bijzondere aandacht n 1 de administratieve en technische staf en de afgestudeerden Beide groeperingen kunnen worden geacht te behoren tot de academische gemeenschap i ) , maar het IS duidelijk dat zij niet alleen onderhng sterk verschillen, maar ook dat zij een andere plaats in de gemeenschap innemen dan de leden van het wetenschappehjk corps en studenten, die rechtstreeks deel hebben aan de typische universitaire processen van onderwijs en onderzoek Een minder pnncipieel, maar voor de praktijk niet onbelangnjk punt is dat althans tot op heden de admimstratieve en technische staf en ook de oud-alumni niet overal georganiseerd zijn 2 Een tweede concreet punt, waaraan aandacht zou moeten worden besteed, is de vraag op welke bestuurhjke niveaus elk van deze groeperingen bij het bestuur zou moeten worden betrokken en op welke wijze dit zou moeten geschieden Toelichting Heit resultaat van de beschouwingen zal in sterke mate afhangen van het uitgangspunt, d w z van de opvatting over de aard van de universiteit In dit verband moge worden gewezen op een tweetal sterk uiteenlopende systemen, die in dit stadium vooral de aandacht verdienen Hetitne, passend bij een direct democratische opbouw, vindt men o m belichaamd in de Discussie-Nota van de werkgroep bestuursstructuur van de kathoheke universiteit, waarin een „Radenuniversiteit" wordt voorgesteld^) en tot op zekere hoogte ook in de Franse Loi d'Onentation de l'Enseignement supeneur van 12 november 1968 (Wet-Faure) Het tweede systeem gaat uit van het beginsel van kwahtatieve vertegenwoordiging Dit houdt m dat de participatie van elke groepenng afhankehjk is van haar functie m het universitaire bestel en de mogehjkheid om vanuit die functie een constructieve bijdrage te kunnen leveren Dit begmsel vormt de grondslag van het Joint-Statement van het Committee of Vice-Chancellors and Principals of the Universities of the U K and the National Union of Students of England, Wales

^) Rapport Staatscommissie tot Reorgam satie van het hoger onderwijs blz 30 De academische gemeenschap wordt gevormd door hoogleraren, leden van de weten schappelijke staven, studenten en alle ovengen die de universiteit bij haar wetenschappelijke en vormende arbeid dienen, ook de oud-alumm blijven hiervan deel uitmaken 2) Opgemerkt dient te worden dat een minderheid van de werkgroep in bepaalde opzichten aanzienlijk minder ver gaat dan de meerderheid

6

and Northern Ireland Ook de Westdeutsche Rektorenkonferenz heeft zich uitgesproken voor een „quahtative Repräsentation und funktionsgerechte Kompetenzverteilung" en een analoge uitspraak is gedaan door de Commissie voof Wetenschappehjk onderwijs en onderzoek van de Raad van Europa Bij aanvaarding van dit beginsel zou in concreto moeten worden nagegaan op welke bestuursniveaus en over welke onderwerpen aanleiding is voor „meespreken" (beleidsvoorbereiding) en op welke „medel5eslissen" (beleidsvormmg)

B. ORGANISATIE EN BESTUUR 1 Het eerste punt dat op dit gebied aan de orde zou moeten worden gesteld, is het doen van een keuze tussen twee mogehjkheden n 1 handhaven van het bestaande stelsel, waarbij m de Wet w o voor de (rijks-) msteUingen van wetenschappehjk onderwijs gelijkehjk geldende regehngen op het gebied van organisatie en bestuur zijn opgenomen of het in de wet openen van de mogehjkheid van een differentiatie in organisatie en bestuur, waardoor m veel sterkere mate dan thans rekening kan worden gehouden met de eigen situatie en de omvang van de msteUingen Toehchtmg De Wet op het wetenschappehjk onderwijs heeft aan de rijksuniversiteiten en de rijkstechmsche hogescholen een beperkte - autonomie ten opzichte van de overheid toegekend Tot deze autonomie behoort dat de msteUing uiteraard met inachtnemmg van de wettehjke bepahngen - haar eigen bestuursreglement vaststelt (art 39 Wet w o ) Hierdoor heeft elke instelhng tot op zekere hoogte de mogehjkheid regehngen te treffen, die bij de eigen aard en omvang passend worden geacht De regehng van de bestuursstructuur aan de top heeft de wetgever echter aan zich gehouden Een in 1963 door de Commissie van Advies inzake de wettehjke regeüng van het wetenschappehjk landbouwonderwijs (commissie-Polak) gedane aanbevehng om aan elke instelling, mits aan bepaalde voorwaarden zou worden voldaan, de keuze te laten haar eigen bestuursvorm te kiezen, werd door de toenmahge minister van O K en W met overgenomen Men kan de vraag stellen of het nimmer gedefinieerde begrip ,,autonomie" thans ruimer geïnterpreteerd zou moeten worden, in die zin dat deze ook de keuzemogehjkheid van eigen bestuursvorm zou omvatten Nu het duahsme aan de top (curatoren en senaat oefenen het bestuur uit), dat de grondslag vormt, Van de in de Wet op het w o neergelegde bestuursstructuur, bij de discussie inzake organisatie en bestuur een van de meest omstreden punten is, hjkt het in elk geval zinvol de wettehjke regehng op dit punt opnieuw in de beschouwingen te betrekken 2 Het volgende punt dat in de beschouwingen zou moeten worden betrokken, betreft de organisatorische opbouw van de umversiteit, gezien tegen de achtergrond van de doelstelhng en taken Hierbij zouden in elk geval de volgende vragen aan de orde moeten komen

a voldoet het bestaande faculteitensysteem nog aan de eisen, die door de huidige ontwikkehng van de wetenschap daaraan worden gesteW b moet de huidige positie van de senaat (in pleno) in een eventuele nieuwe bestuursstructuur worden gehandhaafd en welke positie zou moeten worden toegekend aan het college van rector en assessoren'' c moet het college van overleg, bedoeld in artikel 40 van de Wet w o in deze vorm blijven bestaan'' d moet de functie van Rector magnificus worden gehandhaafd, en zo ja, wat moet die functie mhouden'' e moet de huidige benoemingsprocedure van de Rector worden gehandhaafd of zou deze vervangen moeten worden door een regehng, waarbij de rector wordt gekozen Ook doet zich de vraag voor of in de Wet op het wetenschappehjk onderwijs neergelegde bepahng, dat de voorzitter van de faculteit door de leden uit hun midden wordt gekozen gehandhaafd moet worden of dat deze bepaling zou moeten worden vervangen bijv door een regehng waarbij de voorzitter door het universiteitsbestuur (op voordracht of aanbevehng van de faculteit) wordt benoemd') Toelichting Ad a In de Memorie van Toehchtmg op het wetsontwerp 2597 (Kamerstukken 1959-'60blz 16) wordt gesteld dat ,,ondanks de uitbreiding van de wetenschap het faculteitensysteem nog steeds beantwoordt aan zijn doel de wetenschappen in grote famihes te groeperen" Maar even verder verklaart de toenmahge minister van O K en W dat „naar zijn mening de faculteit geen doel IS maar hulpmiddel voor het functioneren van de universiteit en dat derhalve aan de faculteitenindehng geen te grote waarde mag worden gehecht Men kan deze voorschriften welhcht het beste beschouwen als een vorm van verkeersregels, waarvan de vaststeUing nuttig en onvermijdehjk is" Vanuit dit gezichtspunt bezien zou de vraag aan de orde moeten komen of de bestaande wetenschapsindehng in faculteiten, interfacul teiten en subfaculteiten ook nu nog voor het steeds toenemend „wetenschappehjk verkeer" voldoende ruimte biedt Daarbij ware in het bijzonder te denken aan de steeds meer naar voren komende noodzaak van interdisciphnaire samenwerkmg Voor alternatieve mogehjkheden (vakgroepen, secties, projectgroepen), moge worden verwezen naar hetgeen daaromtrent m de zogenaamde Nota-Lochem van de Academische Raad is gesteld Het hjkt niet uitgesloten dat dit complex van vraagstukken per disciphne verschillend zal moeten worden benaderd^) Ad b Algemeen wordt erkend, dat naarmate de senaat in omvang is toegenomen zijn geschiktheid om als bestuursorgaan op te treden is afgenomen Aan de orde zou daarom moeten worden gesteld of de huidige positie van de senaat niettemin gehandhaafd zou moeten bhjven dan wel of het zm heeft de taken van de senaat te beperken tot het verlenen van

1) Voor wat het college van curatoren betreft wordt verwezen naar IIC, Vorm en functie van het bestuursorgaan (Topbestuur) 2) Over de „inspraak" van universitaire groeperingen is reeds gesproken onder punt IIA Op de beheerskant wordt nader ingegaan onder punt IV

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969

Ad Valvas | 502 Pagina's

Ad Valvas 1969-1970 - pagina 332

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969

Ad Valvas | 502 Pagina's