Ad Valvas 1969-1970 - pagina 240
de voor de rijksuniversiteiten geldende voorschriften. Artikel 102, tweede lid, tweede zin (nieuw) - gelijkelijk voor de openbare en bijzondere instellingen geldende - bepaalt nu echter, dat de b e groting wordt ingericht volgens door Onze Minister, curatoren gehoord, te geven richtlijnen. Hier komt dus een inspraak van curatoren L Hetzelfde geldt voor de Inrichting van de jaarrekening (artikel 105, vijfde lid oud en artikel 115, vierde lid oud). Hier valt op te merken, dat alleen artikel 105, vijfde lid ou, ook spreekt van v o o r schriften met betrekking tot de administratie, welke bepaling in artikel 105, tweede lid, nieuw, slechts facultatief wordt gesteld; het is intussen wel duidelijk dat het hier voorschriften omtrent de administratie betreft ten dienste van een zo goed mogelijke jaarrekening. Een volgend punt, waarin ook de positie van de bijzondere instellingen wordt verruimd, betreft het tegenwoordige voorschrift van artikel 100, vierde lid (voor de openbare instellingen) en artikel 110, derde lid (voor de bijzondere instellingen) dat uit de openbare kas geen onmiddellijke of m i d dellijke subsidie wordt toegekend dan krachtens deze wet is bepaald, met de r e s e r v e , dat VAj in een bijzonder geval onder door Ons te stellen voorwaarden een uitzondering op het bepaalde kunnen toestaan. Deze bepalingen zijn in het ontwerp ve^^^aÜen, en daarvoor is in de plaats gekomen de b e paling van artikel 106, e e r s t e lid, onder c nieuw, dat aan de goedkeuring van de Minister zijn onderworpen de besluiten van curatoren betreffende "het aanvaarden van bedragen uit de kas van een p r o vincie of gemeente voorzover die bedragen betrekking hebben op voorzieningen van de universiteit of hogeschool terzake van het onderwijs en onderzoek", met v e r d e r e bepaling, dat onder de v o o r zieningen terzake van het onderwijs en onderzoek begrepen zijn de voorzieningen ten behoeve van studenten, indien daarvoor een bijdrage van het Rijk wordt verleend. Voor de - verruimende - strekking van deze wijziging zij verwezen naar de uitvoerige toelichting op artikel 106, e e r s t e lid, onder c nieuw op pagina 8, tweede kolom onderaan, tot pag. 9, tweede kolom vóór "Artikel 107". Zoals uit het vorenstaande blijkt, is, met name dan hier wat betreft het begrotingsbeleid, in v e l e r lei opzicht de positie van de bijzondere instellingen gelijk gebleven of zelfs v e r s t e r k t . Wat blijft dan het verschil van de oude en de nieuwe toestand? In hoofdzaak deze, dat de bestaande wet voor de bijzondere instellingen uitgaat van een repressief toezicht. Weliswaar inzending van de b e g r o ting, m a a r verlening daarop van een voorschot en e e r s t bij de jaarrekening de beslissing, of de g e dane uitgaven subsidiabel kunnen worden geacht. Nu worden de bijzondere instellingen onderworpen aan een preventief toezicht: Op de ingediende begrotingen moet r e e d s aanstonds goedkeuring w o r den verkregen; de beslissing valt niet m e e r achteraf bij de jaarrekening. Is echter dit verschil wel zeer wezenlijk, gezien ook in het licht van de praktijk, zoals die zich heeft gevestigd? Op te merken valt, dat ook nu r e e d s ingevolge artikel 114, vierde lid oud, de Minister aanstonds n a a r aanleiding van de begroting - of ook later m a a r vóór de jaarrekening - kan verklaren, dat bepaalde in de begroting of in de aanvullende begroting voorziene uitgaven op grond van deze wet niet voor een rijksbijdrage in aanmerking komen. De - eventueel in beroep - gegeven uitspraken deswege zijn dan voor de fiattering van de jaarstukken bindend. Hieruit blijkt wel, dat zowel voor de Minister als voor de instelling een "preventieve" beslissing van belang kan zijn. Voor de bijzondere instelling dan ook daarom, wijl zij gevrijwaard wordt bij de beslissing op de j a a r r e kening een dan r e e d s gedane uitgave voor eigen rekening te krijgen. E r zit in het "preventieve" voor de bijzondere instellingen tegenover het " r e p r e s s i e v e " wel een zeker voordeel. Maar bovendien, de praktijk heeft zich gevestigd in die zin, dat de Minister van zijn oordeel over de ingediende begroting doet blijken, in het bijzonder wat betreft het eindcijfer daarvan. Daaraan is dan de bijzondere instelling niet gebonden; zij kan de beslissing tot de jaarrekening uitstellen, en de Minister moet - behoudens zijn vorenaangegeven recht om ten aanzien van bepaalde uitgaven r e e d s aanstonds een uitspraak te doen - daarin berusten. Maar de praktijk is - gegeven ook het voren aangegeven bezwaar voor de bijzondere instelling zelve, dat e e r s t bij de jaarrekening zal worden beslist - dat men elkander reeds naar aanleiding van de begroting vindt. Veelszins is e r dus r e e d s een preventieve controle. ' Voegt men daarbij, dat blijkens het vorenstaande het preventief toezicht, zoals dat tot d u s v e r r e voor de openbare instellingen gold, op vele punten is verbeterd, dan kan de - in abstracto m i s schien min of m e e r "principieel" te noemen - overgang van het r e p r e s s i e v e naar het preventieve stelsel moeilijk als een reëel bezwaar gelden. 3. Betreft het vorenstaande het begrotingsstelsel, daarnaast zijn nog enkele andere wijzigingen te bezien. a. Zo wordt in artikel 93 een nieuw tweede lid voorgesteld, waarbij wordt bepaald, dat de besturen van de bijzondere instellingen regelen vaststellen inzake de organisatie van de universiteit en hpt academisch ziekenhuis, alsmede inzake het doelmatig beheer van de financiën en de roerende en onroerende zaken. Van deze regelingen behoeft intussen slechts zo spoedig mogelijk mededeling aan de Minister te worden gedaan. De bestaande vrijheid van organisatie - in tegenstelling tot de openb a r e instellingen, waarvan de inrichting en organisatie in Hoofdstuk II en III van afdeling I van titel n i (artikelen 34 tot en met 92) uitvoerig is geregeld - blijft dus in dit ontwerp onverlet. De nieuwe bepaling zegt overigens iets, dat vanzelf spreekt; de hier bedoelde regelen heeft de Vrije Universiteit dan ook r e e d s ; het enige is, dat ze nu t e r kennis van de Minister moeten worden g e bracht. Uiteraard kan hij, indien hij bijv. van oordeel zou zijn, dat de regelen bijv. "het doelmatig beheer" niet voldoende verzekeren, daarover met het bestuur in bespreking treden, doch enige bevoegdheid te dezen een bindende uitspraak te doen heeft hij niet. Hoogstens zou men kunnen z e g 18
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1969
Ad Valvas | 502 Pagina's