Ad Valvas 1970-1971 - pagina 401
a^ vsivss WEEKBLAD V A N DE CIVITAS ACADEMICA DER VRIJE U N I V E R S I T E I T
7 MEI 1971 18e JAARGANG Nr. 29
m M O T I E A.1. EYSENFIING Vandaag promoveert drs. A. I. Eysenring te Bussum tot doctor in de sociale wetenschappen op een proefschrift getiteld: Godsdienstpedagogische opgaven in de pre-puberteit. Promotor is prof. dr. J. W. van Hulst. Co-promotor: prof. dr. Th. Hart de Ruyter. korte samenvatting Pedagogische aktiviteit veronderstelt een bepaalde beschouwing van de mens (het kind) m wijsgering-antropologische zin, naast kennis en inzicht in de maatschappelijke struktuur en de verhoudingen in de specifieke levensgemeenschap van de opvoedelmg. Daarbij behoort deze aktiviteit primair gericht te zijn op het scheppen van een leefsituatie waarin voor "de mens in w o r d i n g " garanties worden geboden voor een rustige ontwikkeling van zijn gevoelens van "basic trust" en basic security". Deze "basisgevoelens", die in de vroege kinderjaren tot stand komen, vormen de grondslag voor (latere) psychische gezondheid. In dit proefschrift w o r d t ervan uitgegaan, dat (Christelijke) godsdienstige opvoeding alle mogelijkheid biedt tot versterking en ondersteuning van deze basisgevoelens. Het gevaar is evenwel aanwezig, dat een inadekwate godsdienstige opvoeding traumatisch zou kunnen werken (sterk opgewekte schuldgevoelens e.d.), zodat een "toegedekte" neurose manifest zou kunnen worden waardoor de psychische gezondheid van het kind w o r d t bedreigd. Deze omstandigheid kan zich voordoen in de periode waarin biologische en psychische rijpingsprocessen toch ai vele problemen geven, In de prepuberteit (11-13 jaar) is d i t reeds merkbaar. Het onderzoek is opgezet met het doel gegevens hieromtrent te verkrijgen, met name over de vraag, of en welke samenhang er is tussen godsdienstige betrokkenheid en onaangepastheid resp. gedragsstoornissen bij kinderen m de pre-puberteit. Naar aanleiding daarvan zijn beschouwingen gewijd aan de instelling van natuurlijke- en beroeps-opvoeders alsmede aan enige (ortho) pedagogische en didaktische problemen. Extra aandacht wordt besteed aan het multidisciplinaire karakter van alle bemoeienis met het kind en aan de mogelijkheid voor een samengaan van godsdienstpedagogische begeleiding en psycho-therapie.
stellingen 1 Indien door godsdienstige opvoeding bij het kind de in de vroege kinderjaren gevormde gevoelens van vertrouwen en veiligheid verloren gaan, moet deze opvoeding inadekwaat worden genoemd. 5 De gegevens waarover wij beschikken maken het door de psychoanalyse ingenomen standpunt waarschijnlijk, als zou godsdienstige opvoeding zowel ten positieve als ten negatieve, de psychische gezondheid van het individu kunnen beïnvloeden. 6 Van de universiteit kan een stimulans uitgaan op potentiële krachten in de gemeenschap, die de begeleiding en de uitvoering verzorgen. De universiteit zelf kan geen begeleidende en uitvoerende taak op zich nemen. Zij kan hierbij slechts injekterend 'en stimulerend werken. 8 In ons land leveren de (Indische) gerepatrieerden h.et bewijs, dat de soms sterke behoefte aan herbeleleving van het verleden; a. niet pathologisch behoeft te zijn. b. een voorwaarde is voor het adekwaat funktioneren als leden van een nieuwe gemeenschap. 12 Het is gebleken dat het ontbreken van sociale zekerheid m Suriname één van de voornaamste reden is, waarom een voor de opbouw van Suriname belangrijke en steeds groter wordende groep Surinamers zich in Nederland vestigt, waardoor de ontwikkeling van het land van herkomst nadelig w o r d t beïnvloed. personalia Abraham Izak Eysenring, op 15 mei 1920 te Bojolali (Indonesië) geboren, studeerde o.a. pedagogiek en legde in 1961 het doctoraal examen aan de Vrije Universiteit af. Daarna was hij in Suriname werkzaam bij het Medisch Opvoedkundig Bureau en werd na terugkomst in 1963 benoemd als orthopedagoog bij de provinciaal Groninger Stich-
PFCMOTIE WALLENeURG Tevens promoveert vandaag drs. H. C. S. Wallenburg te Diemen tot doctor in de geneeskunde op een proefschrift"^getiteld: On the morphology and pathogenesis of placental infarcts. Promotor is prof. dr. J. Janssens. Co-promotor is prof. dr. L. A. M. Stolte. korte samenvatting Men krijgt uit de literatuur de indruk dat de term " i n f a r c t " met betrekking tot de placenta gebruikt w o r d t als een vergaarbak voor allerlei afwijkingen, die in het geheel niet de kenmerken vertonen van infarcten zoals men die in andere organen kan aantreffen. Een infarct is immers in de algemene pathologie bekend als een duidelijk gedefinieerde afwijking bestaande uit plaatselijk weefselversterf met zeer bepaalde kenmerken, met een karakteristieke morfologie; deze plaatselijke weefseldood ontstaat tengevolge van een onderbreking van de arteriele bloedtoevoer. De eerste vraag die in deze studie aan de orde komt is dan ook of er in de placenta wel afwijkingen gevonden kunnen worden die, morfologisch gezien, terecht aanspraak kunnen maken op de naam " i n f a r c t " . Op grond van morfologisch onderzoek van een groot aantal placentas bleek deze vraag bevestigend beantwoord te kunnen worden. Microscopich onderzoek van kinderlijke en moederlijke placentavaten doet het vermoeden rijzen dat een onderbreking van de moederlijke bloedtoevoer naar een deel vervolg op pag. 2 ting Geestelijke Gezondheidszorg. Op 1 oktober 1965 volgde de benoeming tot wetenschappelijk hoofdmedewerker voor de kinderpsychiatrie aan de Rijksuniversiteit te Groningen, en in 1967 werd de heer Eysenring benoemd tot wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de subfakulteit Opvoedkunde van de V U . Het adres van de promovendus luidt: Spoorlaan 32 te Bussum.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1970
Ad Valvas | 484 Pagina's