Ad Valvas 1971-1972 - pagina 327
1 JULI 1972
ÄD VAIVAS
SRVU-enquête wijst uit:
BIJ HOGER KOLLEGEGELD MEER WERKSTUDENTEN
Van de studenten zal 44 pet bij een koUegegeldverhoging tot duizend gulden financieel meer afhankelijk worden van h u n ouders; 32 pet zal n a a s t de studie (meer) moeten rekenen met h e t risiko van studievertraging. Dat is de uitslag van een SRVUonderzoek n a a r de financiële positie van de student en de gevolgen van de koUegegeldverhoging.
Biykens de uitslag van de enquête is er nog nauwelijks sprake van een externe demokratisering van h e t universitair onderwijs; d a a r n a a s t is de inkomenspositie van de gemiddelde student nog steeds van dien aard, dat er bij de koUegegeldverhoging vele groepen zijn, die vanwege het ontbreken van kompensatie nadelige effekten ondervinden. De enquête is opgezet in s a m e n werking met h e t Bureau Dekanen VU en h e t B u r e a u Onderwijsresearch, terwijl de afdeling Methoden en Technieken van de subfakulteit sociaal-kulturele wetenschappen methodologische steun verleende. De opbouw van de steekproef van 200 geënquêteerden komt op verschillende p u n t e n (verdeling over studierichtingen, -fasen, sexen, etc.) overeen met de kenmerken van de totale nederlandse studentenpopulatie, zodat de enquête representatief geacht k a n worden.
F 5000.Op dit moment bedraagt h e t gemiddelde totale inkomen van de student ongeveei ƒ5000,—, terwijl volgens een berekening van h e t Landelijk Overleg G r o n d r a d e n de maximumtoelage, gebaseerd op, h e t budget van h e t ministerie, ƒ8860,— zou moeten bedragen. Van die vijfduizend gulden komt gemiddeld over de hele studentenpopulatie 54 pet v a n de ouders, 22 pet van een rijksstudietoelage, en 13 pet van inkomsten uit arbeid n a a s t de studie. Op basis van deze cijfers trekt de SRVU de konklusie, d a t over h e t algemeen de student nog steeds sterk afhankelijk is van zijn ouders.
ALFRED MOSER BU POÜTISCOLOOEN In het kader van een gastsprekersprojekt van de vakgroep I n ternationale Betrekkingen hield Alfred Moser, strijder voor de zaak van de europese eenwording en tot voor kort kabinetschef van Mansholt, een lezing voor VU-politikologen. De spreker konstateerde een afbraak van de demokratische bevoegdheden van de nationale p a r lementen zonder dat die op een andere demokratische basis elders verschenen. De belangrijke besluiten over internationale kwesties worden genomen op besloten vergaderingen van de ministerr a a d te Brussel (12 j a a r lang door Moser bijgewoond). Formeel moet de minister hierover verantwoording afleggen a a n h e t eigen p a r lement, m a a r in de praktijk komt het er op neer d a t de minister bijzonder weinig hierover meedeelt. Volgens Moser heeft vooral oud-minister Luns zich h i e r a a n bezondigd. Het parlement heeft weliswaar de bevoegdheid de m i nister n a a r huis te sturen, m a a r dit verandert niets a a n het in Brussel genomen besluit. Aldus ontstaat, aldus Moser, een internationaal 'ancien régime' dat de huidige technisch-wetenschappelijke ontwikkeling, waarin de grote internationale concerns een belangrijke rol spelen, handhaaft. Deze ontwikkeling kan slechts doorbroken worden door de totstandkoming van een internationale maatschappelijke struktuur, met voor alle landen gelijke wetgeving, sociale maatregelen enz. Dit betekent een internationale demokratisering, welke de m a a t schappelijke groeperingen (vakbonden, politieke partijen en pressiegroepen) moeten bevechten by h u n i-egering. Aangezien hiermee nog nauwelijks een begin is gemaakt, pleit Moser voor mobilisering van de burgers in de vooruitstrevende maatschappelijke organen. QUINT MEIJER
Sociale achtergrond
De externe demokratisering is, blijkens de resultaten van h e t onderzoek tamelijk gering: 54 pet van de studenten komt uit een milieu van leidinggevend personeel, hoge ambtenaren, en lerar e n ; 24 pet uit een milieu van personeel op middennivo en ondei'wtjzers; 12 pet uit de groep van kleine zelfstandigen; en 10 pet uit een arbeidersmilieu (produktie- en lager administratief personeel). De mogelijkheden voor de student om a a n de gevraagde ƒ 1100,— t e komen blijken samen t e h a n g e n met de sociale achtergrond: in vergelijking m e t h u n aandeel in de totale studentenpopulatie zullen de studenten uit de eerste groep (leidinggevenden, etc.) h e t hogere kollegegeld meestal van h u n ouders krijgen. Studenten uit de tweede groep (middermivo) zullen er (meer) by moeten gaan werken, of k u n n e n h e t v a n de ouders lenen (evenals de student e n uit een arbeidersmilieu). Studenten uit de laatste twee groepen (arbeidersmilieu en kleine zelfstandigen) denken h e t by de eerste t e r m y n van h u n r y k s studietoelage gekompenseerd t e krygen. Tav dit laatste merkt de SBVU op, d a t uit LOG-berekeningen bleek, d a t deze kompensatie voor bepaalde ekonomisch kwetsbare groepen onvoldoende zou zyn; tevens zou by de nieuwe regeling de inkomensgroep, die voor een maximale toelage in aanmerking komt, kleiner worden.
Gevolgen Uit h e t onderzoek biykt, d a t men op verschillende manieren denkt h e t hogere kollegegeld op t e k u n n e n brengen. Tweeëndertig pet van de studenten zal een (extra) beroep moeten doen op de ouders, 30 pet denkt h e t in de toelage t e krygen of ondervindt er voorlopig geen gevolgen van (8 pet), 12 pet moet n a a s t de studie méér g a a n werken (had dus al een b a a n ) , 9 pet moet méér gaan werken en moet bovendien een extra beroep doen op de ouders, 8 pet moet n a a s t zUn studie gaan werken (deed dat dus nog niet), 3 pet moet een b a a n n e m e n en een ext r a beroep doen op de ouders, 2 pet zal tenslotte de studie moeten staken. Ongeveer een kwart van het t o t a le a a n t a l studenten zyn 'intensieve' werkstudenten, dwz hebben van 1 sept '71 tot 1 m a a r t '72 meer dan twee m a a n d e n meer dan dertien uur per week n a a s t h u n studie gewerkt. Tweederde van diegenen, die méér moeten gaan werken, behoren tot deze kategorie. De SRVU plaatst hier als kanttekening by, dat de kollegegeldverhoging by de werk-
studenten, door een gedwongen uitbreiding van aktiviteiten n a a s t de studie, zal leiden tot een sterkere studievertraging. De studenten, die nu een b a a n moeten g a a n zoeken, blijken een gemiddeld lager inkomen t e h e b ben ƒ4400,—), waarvan 65 pet van de ouders afkomstig is. De bijdrage van de rijksstudietoelage is hier zeer laag. Gekonkludeerd wordt, dat hier blijkbaar de ouderlijke bqdrage niet meer toereikend Is om de koUegegeldverhoging op t e vangen, terwijl de toekenning van een toelage onzeker is. Tenslotte biykt, d a t de studenten, die een (extra) beroep op de ouders zullen moeten doen, n u reeds voor 81 pet van h u n inkomen van een ouderiyke bydrage afhankelijk zy.,: degenen, die al afhankelyk van de ouders zyn, zullen dit nog meer worden. Deze groep is sterk oververtegenwoordigd by wiskunde en n a t u u r w e t e n s c h a p pen, waarschynUjk omdat m e n zich vanwege h e t strakke studieprogramma niet k a n permitteren er een baantje by te nemen. Pieterjan van Delden
f i ! riADEMISCHE r . l klTUALITEITEN 0 De Federatie van Verenigingen van Studenten in de Geografie heeft De Brauws plannen tot h e r strukturering van h e t w.o. afgewezen omdat een beperking van de studieduur in de sociale geografie ongewenst is wegens verschoolsing. z y vinden dat de studie minsten vyf j a a r moet duren, ^ De Leidse universiteit heeft inning van kollege- en inschryfgeld uitgesteld tot de verhoging d a a r van vaststaat. I n Nymegen heeft men de minister voorgesteld het hogere kollegegeld in fasen te m o gen innen. Om a a n alle akties van protesterende studenten — a l t h a n s die van de beursalen — een eind te maken, heeft de afd. ryksstudietoelagen in Groningen besloten het kollege- en inschryfgeld van beurs en toelage af te houden en direkt n a a r de universiteiten over t e maken. 0 De nymeegse universiteitsraad heeft 20 juni besloten een lektor a a t in te stellen voor veranderingsprocessen in de landen van de Derde Wereld, aldus K U Nicuws. De r a a d zal er een bedrag op de begroting voor uittrekken. Studenten hadden al geruime tyd aktie gevoerd voor meer a a n d a c h t voor ontwikkelingsproblematiek in bet studieprogramma. Er wordt nu in Nymegen een Derdewereldcent r u m opgericht voor onderwys, onderzoek en akties.
LANDELIJK BERAAD SOCIOLOGEN:
ALGEMENE STRATEGIE NODIG VOOR GEVOLGEN 'POSTHUMUS' Op alle fakulteiten, en dat geldt niet alleen voor de sociale richtingen, moeten studiegroepen van docenten en studenten opgezet worden om de gevolgen van de invoering van de wet-Posthumus voor de eigen fakulteit te bestuderen. De resultaten hiervan moeten vervolgens op landelijk niveau doorgesproken worden om te komen tot een algemene strategie (eventueel inhoudende een alternatief voorstel) tegenover de herstruktureringsplannen van de regering. Aldus de konklusie van afgevaardigden van sociologieafdelingen van de universiteiten van Leiden, Rotterdam, Utrecht, Amsterdam en de Vrije Universiteit op 16 juni in Utrecht. Het voornaamste punt op de agenda was het doorspreken van de konsekwenties die de 'invoering van Posthumus' heeft voor de verschillende sociologieafdelingen in het land. De diskussie werd gevoerd a a n de h a n d van een plan van de heer Sips die sprak namens het bestuur van de studie -eenheid Sociolog ie / kulturele antropologie van de GU. -Het belangrykste onderdeel van dit plan, bedoeld al alternatief
voor de voorstellen van Posthumus, is een tweejarige 'brugklas' voor alle sociale wetenschappen. I n het eerste half j a a r zal de student een introduktie krygen in de beroepsmogeiykheden van de verschillende specialisaties, om vervolgens op basis daarvan de eigen doelstelling uit te bouwen en zelf een vakkenpakket samen te stellen. Door deze tweejarige inleidende fase kan voorkomen worden dat, zoals nu het geval is, steeds meer mensen afvallen en omzwaaien.
Waarschijnlijke gevolgen Opgemerkt werd dat op basis hiervan de gefikseerde kursusduur, zoals gepropageerd door Posthumus, afgewezen moet worden. Ook doorkruist bovengenoemd plan de voorgestelde indeling en duur van de studie en het selektiesysteem. Hoewel het plan stellig niet door het ministerie aanvaard zal worden, zal het bestuur van de studie-eenheid sociologie/kulturele anthropologic a a n de GU alles in het werk stellen de invoering ervan te stimuleren. QUINT MEIJER
5
Naar erkenning van de zelfstandigheid der kommunikatiewetenschap 'Naar erkenning van zelfstandigheid der kouununikatieweteuschap': zo luidt de titel van een m e m o r a n d u m d a t de werkgroep Interacademiaal Overleg Communicatiewetenschap dezer dagen a a n de Academische R a a d heeft gezonden. Aan deze werkgroep n e m e n deel h e t S e m i n a r i u m voor de Leer der Communicatiemiddelen van de Universiteit van Amsterdam, de Sectie Publicistiek van de K a t h o lieke Universiteit t e Nijmegen, Ie Afdeling Kommunikatiewetenschap van de Vrije Universiteit en de Afdeling Voorlichtingskunde van de Landbouwhogeschool t e Wageningen. Het m e m o r a n d u m komt tot de volgende vier konklusies: 1. De kommunikatiewetenschap neemt een zelfstandige plaats in binnen h e t geheel der sociale wetenschappen en verdient dienovereenkomstig algemene erkenning. 2. Het verdient aanbeveling, d a t de kommunikatiewetenschap binnen de sociale wetenschappen over een eigen afstudeerrichting beschikt, te vermelden in h e t Academisch S t a t u u t . 3. Er zal een passende vertegenwoordiging van het vak binnen de Academische R a a d gevonden moeten worden. 4. I n de nieuwe vakgroepsindeling volgens de WUB dient de zelfstandige status van de kommunikatiewetenschap, a a n alle desbetreffende universiteiten/hogescholen, tot uitdrukking t e komen. Het memorandum, dat met inbegrip van de appendices 33 pagin a ' s telt, is opgebouwd uit een viertal hoofdstukken. Het eerste bespreekt het veld der kommunikatiewetenschap binnen de sociale wetenschappen; het tweede vraagt a a n d a c h t voor de g a r a n ties voor de toekomstige ontwikkeling van h e t vak: in h e t postsekundaire onderwys, h e t Academisch S t a t u u t en de Academische
Redacteuren in brief
R a a d ; h e t derde somt universitair-organisatorische garanties op voor de ontwikkeling van het vak; het vierde biedt de appendices. Biykens het m e m o r a n d u m g a a t h e t by deze wetenschap om de studie van het kommimikatieproces, te weten de produktie, samenstelling, overdracht, ontvangst en werking van boodschappen via al dan niet geïnstitutionaliseerde media en al d a n niet technische kanalen in h u n relaties met kommimikatoren, publieken en de sociaal-kulturele kontekst.
Ontwikkeling W a t de t e verwachten ontwikkeling van de kommunikatiewetensehap betreft, konstateert h e t memorandum, d a t ons land een achterstand heeft in t e lopen. Voor de nabije toekomst zal in h e t bijzonder met drie faktoren rekening gehouden moeten word e n : h e t belang van de (massa) kommtmikatie voor de_ moderne samenleving; de behoefte a a n wetenschappelijke bezinning; en de behoefte a a n universitair-organisatorische en wettelijke voorzieningen. De behoefte a a n wet j s c h a p p e lyke bezinning vloeit volgens h e t stuk rechtstreeks voort uit de zich wyzigende verhoudingen in de. mediapraktyk. Allerwege vraagt de p r a k t y k hier om a k a demici, vooral in de sektor van h e t onderzoek. Binnen de wetenschap zelf is de behoefte a a n een verdere ontwikkeling der kommunikatievakken een uitvloeisel van h e t voortschrydende specialisme binnen de sociale wetenschappen. Het m e m o r a n d u m stelt vast, d a t in de nieuwe vormen van wetenschappeiyk onderwys (al d a n niet volgens Posthumus) voor de kommunikatiewetenschap de haar toekomende plaats dient te worden mgeruimd. DIEMER
universiteitsbladen
aan Akademische
Raad:
Nieuw akademisch weekblad gevaar voor demokratisering De redakteuren van universitcitsen hogeschoolbladen hebben op h u n vergadering van 16 juni in de nijmeegse universiteit de voorgestelde plannen van de Akademische Raad tot uitgave van een Nederlands Akademisch Weekblad nadrukkelijk verworpen. Hoewel dit weekblad niet in de plaats zpu komen van de bestaande universitaire bladen bestaat de vrees dat minister De Brauw de oprichting van een dergelijk blad zal a a n grijpen om de posten voor de u n i versitaire publiciteitsmedia te bezuinigen. Berichtgeving vanuit de basis en daardoor een stuk demokratisering, kan hierdoor bedreigd worden. I n een brief aan de Akademische R a a d zetten de redakteuren h u n standpunt als volgt uiteen: De deelnemers aan het landelyk r e daktioneel overleg van de universiteits- en hogeschoolbladen h e b ben in de huidige situatie geen enkele behoefte aan een a k a d e misch weekblad zoals voorgesteld in de nota van de commissie-Van den Ban aan de Akademische Raad, De volgende overwegingen — hieronder summier samengevat — hebben hierby een rol gespeeld: 0 in de huidige ekonomische situatie is een dergelyk blad, waarvan de behoefte nog diskutabel is. een onverantwoorde uitgave; 0 de unlversiteits- en hogeschoolbladen zyn reeds geruime tijd aan het experimenteren met samenwerkingsverbanden waarin op efficiënte wijze een oplossing kan worden gevonden voor het probleem van het landelyk onderwys- en wetenschapsnieuws en d a a r a a n verbonden opinievorming en -registratie; 0 de versnelde ontwikkeling in de regionale universitaire pers heeft aangetoond dat er een groeiende behoefte is a a n opinievorming, diskussie en
nieuwsvoorziening op (sub)fakulteits- en vakgroepniveau. Een ontwikkeling die tegengesteld is a a n het behoeftepatroon wat de commissie-Van den B a n in h a a r nota schetst; 0 voorstellen van de commissieV a n den B a n zyn zowel kwantitatief (oplage van 25000 — fraktie van het totale aantal leden van de universitaire- en hogeschoolgemeenschappen). als kwalitatief (perscentralisering en beperking van diskussie- en opinieforums) in stryd met de demokratiseringsgedachte van het wetenschappelyk onderwys. Dit stuk werd ondertekend door: F. van der Boom (KU-Nieuws, Nymegen), P. Bückman (Ad Valvas VU, A'dam), H. Bakker (Folia Civitatis GU A'dam), Mej. A. van Steenbrugge (Utrechtse Universitaire Reflexen, RU Utrecht), C. Brinkhuizen en F . Godfrey (Tilburgs Hogeschoolblad), B. Groenm a n (THT-Nieuws, T H Twente), J. Gruyters (Th-Berichten, TH Eindhoven), J. van Kasteren (Belhamel, LH Wageningen), R. ten zythoff (Universiteitskrant Groningen) .
Uitgesteld
De Akademische Raad heeft in zyn vergadering van 24 Juni vanwege de interventie van studenten, waardoor de byeenkomst werd geschorst, met meerderheid van stemmen de behandeling van h e t rapport van de commissie Van den B a n uitgesteld. Men wacht nu eerst op een r a p p o r t van de Raad van voorlichtingsambtenaren van universiteiten en hogescholen die over deze zaak een advies uitbrengt. Vermoedelyk niet voor eind november zal dit p u n t opnieuw op de agenda worden gezet. Prof. Van den B a n benadrukte nog d a t h e t allerminst de bedoeling is de plaatselyke bladen op te heffen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1971
Ad Valvas | 330 Pagina's