Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1971-1972 - pagina 119

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1971-1972 - pagina 119

5 minuten leestijd

Tegenstpijdige kanaieaisma VU-docenten op politiek slippertje ppine Gepnspd De onlangs tot hoogleraar aan de jurisdische fakulteit (staatsrecht) benoemde mr. P. J. Boukema en lektor dr. J. van Putten (sociale wetenschappen — politicologie) hebben in twee verschillende kranten (resp. het NRC/Handelsblad en Trouw) op zaterdag 6 november min of meer tegenstrijdig gereageerd op het politieke slippertje van prins Bernhard over het gedeeltelijk uitschakelen van de parlementaire demokratie. (We beschouwen die uitspraken van de prins als bekend). Het is interessant te vernemen met welke uitgangspunten beide VU-docenten hun opvattingen staven. Om u daarvan een overzicht te geven nemen we enkele passages over uit de desbetreffende krante-artikelen, zonder (uit ruimtegebrek) volledig te kunnen zijn. Wie zich nader in deze problematiek wil verdiepen raden wij aan de artikelen in hun geheel te lezen. Ze liggen ter inzage op het Informatiecentrum van het Bureau Pers Voorlichting, hoofdgebouw, kamer 1 D-03. Allereerst de visie van dr. J. van Putten: (Trouw, 6-11-'71) ...„De grondwet beperkt uitsluitend de bewegingsvrijheid van liet staatshoofd. Dat blijkt uit artikel 55, dat de koning onschendbaar en de ministers verantwoordelijk verklaart Voor zover voor de overige leden van het koninklijk huis in de grondwet een vrijheidsbeperkte ministeriële verantwoordelijkheid is opgenomen, geldt dat vooral een eventueel optreden als staatshoofd. Het duidelijkste voorbeeld is het vereiste van een goedkeuringswet, als leden van het koninklijk huis in het huwelijk willen treden en tegelijk hun recht op troonopvolging wensen te behouden"... ...„Ten aanzien van de overige leden van het koninklijk huis bestaat niet de specifieke ministeriële verantwoordelijkheid, die wel aanwezig is ten aanzien van de koning gezien diens onschendbaarheid. Ten opzichte van hen geldt een ministeriële verantwoordelijkheid als ten aanzien van ieder ander. De werking van deze ministeriële verantwoordelijkheid wordt met beheerst door het primaire vereiste van de eenheid van de Kroon (want zij behoren niet tot „de kroon" in staatsrech telijke zin), maar door de eisen van het staatsbelang meer in het algemeen. Aldus, in het kort, de strekking van de genoemde nota"...

Niet van toepassing ...„ Ten aanzien van prins Bernhard is artikel 55 van de grondwet dus niet van toepassing. Het vereiste van de eenheid van de kroon is ten aanzien van hem niet in het geding. De lijn van 1964 en 1965 doortrekkend betekent dit, dat hij naar buiten mededelingen mag doen, die afwijken van het gevoelen van de kroon (staatshoofd en ministers). Slechts indien — naar het oordeel van de ministers — het staatsbelang in geding is, kan zijn vrijheid worden beperkt"... En nu de mening van prof. mr. P. J. Boukema (NRC/Handelsblad 6-11-'71): ...„ Tot nu toe was steeds sprake van ministeriële verantwoordelijkheid voor gedragingen van het Staatshoofd. Toch geldt genoemde verantwoordelijkheid ook ten aanzien van gedragingen door andere leden van het koninklijk huis. Weliswaar delen zij niet in de onschendbaarheid die de grondwet aan de koning biedt. Maar het is duidelijk ook wanneer een ander lid van het koniklijk huis dan de koning zelf aanleiding geeft tot kritiek en discussie schade kan worden toegebracht aan het koningschap en andere belangen van de staat. Daarbij geldt de ministeriële verantwoordelijkheid niet voor elk lid van het koninklijk huis in dezelfde mate. Als richtlijn kan gelden dat hoe dichter een lid van het koninklijk huis bij de troon staat, hoe eerder zijn gedrag aanleiding kan geven tot het opleven van de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat deze verantwoordelijkheid alleen geldt voorzover het staatsbelang in het geding is, spreekt na het voorafgaande vanzelf. Ook van ministeriële verantwoordelijkheid voor handel en wandel van leden van het koninklijk huis geeft de historie voorbeelden te zien.

In de jaren 1873 en 1874 dringt het kabinet er bij de kroonprins op aan een huwelijk te sluiten dat zowel de instemming van zijn vader als van de bevolking kan verwerven. Wanneer echter blijkt dat de prins zijn oog heeft laten vallen op een Nederlandse jonkvrouw, stuit dit bij koning Willem lil op zodanige bezwaren, dat zelfs ernstige aandrang door het kabinet op hem uitgeoefend om in te stemmen met het huwelijk geen resultaat heeft. Enkele jaren later wordt er door de ministerraad op de kroonprins, die zich al enige tijd in Parijs bevindt, druk uitgeoefend om terug te keren. In de laatste zin van de aan de prins gestuurde missive komt duidelijk tot uitdrukking waar volgens het kabinet de grens van het ministeriële verantwoordelijkheid ligt. Wij laten de particuliere redenen die UKH tot heden hebben mogen bewogen, om buitenlands te vertoeven, geheel onbesproken. Maar in het landsbelang geven wij aan onzen vermoedelijken troonopvolger eerbiedig in ernstige overweging, de plaats welke hem toekomt in het midden van het Nederlandse volk te komen hernemen.' De omstandigheid dat de ministeriële verantwoordelijkheid ook geldt voor andere leden van het koninklijk huis dan het staatshoofd, brengt met zich mee dat zij zich steeds zullen moeten afvragen of een minister hun particuliere gedragingen en uitlatingen voor zijn verantwoording kan nemen. Of, met andere woorden, zijn gedrag tot de zuivere particuliere sfeer behoort te worden gerekend, of wel op enigerlei wijze het staatbelang raakt. Uiteindelijk berust echter de beslissing of een gedraging van een lid van het koninklijk huis het staatsbelang raakt, bij de ministers en in laatste instantie bij het parlemant"...

EXPOSORIIM GEGPENQ

Dit is prof. dr. H. R. Rookmaker, die zijn funktie van voorzitter van de exposoriumcommissie op 9 november de nieuwe exposorium-tentoonstellingsruimte in het Uilenstede-combinatiegebouw opende. Hij opende ook de daar tot 17 december blijvende expositie van hangende en staande werken van de kunstenaressen Annerie Teuling en Marianne Kraft-Dressler. De tentoongestelde kunstwerken, de expositieruimte en het combinatiegebouw zelf vormen tezamen een goede reden tot een bezoek. Foto links: Veel belangstellenden waren aanwezig bij de opening van de expositie. (Open maandag t/m vrijdag van 10.00-22.00 uur en op zaterdag en zondag van 19.00-22.00 uur).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1971

Ad Valvas | 330 Pagina's

Ad Valvas 1971-1972 - pagina 119

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1971

Ad Valvas | 330 Pagina's