Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 85

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 85

11 minuten leestijd

AD VALVAS — 9 NOVEMBER 1973

Nota landelijk overleg co-assistenten:

HUISARTSENOPLEIDING IN DE KNEL In januari 1974 begint aan het Huisartseninstituut aan de VU de eerste lichting met de nieuwe speciale opleiding tot huisarts, die in het kader van het in 1967 aan de meddes fakulteit ingevoerde nieuwe kurrikulum is opgezet. Na de eerste groep, die verleden jaar in Utrecht is gestart, zal dan ook aan de VU een begin gemaakt zijn met een opleiding, die mee moet helpen aan het versterken van de zgn. eerste lijn van de gezondheidszorg. Maar, bestond er rondom de totstandkoming van deze opleiding al de nodige harrewar, by de start in januari dreigt de opleiding pas de grootste frustratie te krijgen. Er biykt na jaren praten nog erg veel onduidelijk en niet geregeld te zijn. Het meest urgente op dit moment is wel de financiële positie van de huisarts in opleiding, waarvoor staatssekretaris Hendriks een 'steun aan jonge artsen' in de vorm van een lening van 15.000 gulden heeft gedacht. Door verscheidene organisaties is hiertegen geprotesteerd. O.a. de Koninklijke Maatschappö tot Bevordering van de Geneeskunst, het Overleg van de Huisartseninstituten, en door het Landelijk Overleg van Medische Aktiegroepen en het Landelijk Overleg met Ko-assistenten. Hieronder de door het laatstgenoemde overleg uitgebrachte nota. nieiding r'er Koninklijk Besluit d.d. 8 mei 1973 is het Academisch Statuut met betrekking tot de medische opleiding gewijzigd in die zin, dat vanaf die datum de opleiding tot arts is verkort tot zes jaar en een voortgezette opleiding tot huisarts gedurende het zevende jaar is ingevoerd. In verband met de komende behsndeling van de begrotingen van respectleveiyk de ministeries van Volksgzondlieid en Milieuhygiene en Onderwijs en Wetenschappen in de Tweede Kamer willen wij onderstaande pi'oblemen met betrekking tot de opleiding tot huisarts onder uw aandacht brengen. Er wordt in het kort ingegaan op de voorgeschiedenis van de invoering van het nieuwe curricu!urn en het ontstaan van de huisartsenopleiding, het belang daarvan voor het ontwikkelen van een

STUDENT, SEX EN RELATIE Vervolg van pagina 4

1. In haar boekje over anti-conceptie zegt het U.G.Z. aan de V.U. dat steeds vaker de hulp van studentenartsen wordt ingeroepen voor gevallen van ongewenste zwangerschap. 2. enquête Uilenstede: 4 pet. passen de riskante coitus interruptus toe, 2 pet. gebruikt helemaal geen antl-oonceptiva. 3. Nisso-onderzoek: bijna 5 pet. van de studenten zag zich voor het probleem van de ongewenste zwangerschap geplaatst. De meest genoemde oplossing was: trouwen en het kind laten komen. Voorts bleek, dat voorbehoedsmiddelen vaak niet worden gebruikt, ook al zün ze voorhanden. Als oorzaak hiervoor wordt gezien de onvoldoende integratie van (kennis over) seksualiteit en het (liefdes) leven. Sex en Posthumus Het leggen en onderhouden van kontakten kost tijd. Door de uit de voorstellen van Posthumus voortvloeiende studieverzwaring en examendwang zal tijd een voor de student scliaars beschikbare 'vierde dimensie van het leven' (zoals Posthumus de tijd zo treffend karakteriseert) worden. Als we dan bedenken- dat de student doorgaans op een leeftijd verkeert dat het libido het sterkst is en velen m hun studententijd hun sexuele debuut maken, dan wordt het duidelijk dat de voorstellen van Posthumus niet bijdragen tot een evenwichtige — ook sexuele — ontplooiing van de student. JOKE DONK DBVU

goede eerstele nsgezondheidszorg, de houding van de verschillende betrokken organisaties ten aanzien van deze veranderingen en de stand van zaken nu, wat betreft de verantwoordelijkheid voor de opleiding en de financiering daarvan. Tot slot zullen de door het LOCO ingenomen standpunten en de door haar gestelde eisen genoemd worden. 1. Voorgeschiedenis Reeds vele jaren is er een diskussie gaande omtrent een verandering in de opleiding tot arts. Met name een specifieke opleiding tot huisarts vraagt daarbij de aandacht. Redenen hiervoor zijn, dat de huisarts onvoldoende opgeleid is voor zijn taak in de gezondheidszorg, en dat de grote ontwikkeling en daarmee gepaard gaande specialisering in de medische wetenschappen een herstrukturering van het medisch curriculum noodzakelijk maakten. Een aantal commissie's onder andere van de Koninklijke Maatschappij ter Bevordering van de Geneeskunst, het ministerie van Onderwijs en het Interfakultair Overleg Geneeskunde bogen zich in de jaren zestig over deze problematiek. Overigens werd dit nog gecompliceerd door in EEG verband gemaakte afspraken omtrent een unificering van de artsenopleiding qua tijdsduur, namelijk zes jaar. Deze gelijkschakeling moest een vrije uitwisseling van artsen op de arbeidsmarkt van de lidstaten mogelük maken. In 1966 werd het Raamplan Huisartsenopleiding door het lOG opgesteld, dat een aantal alternatieven noemde voor de herstrukturering van het curriculum aan de medische fakulteiten en de invoering van een specifieke huisartsenopleiding. Er werd voorgesteld over te gaan tot de invoering van een zesjarige opleiding tot algemeen arts, waarna in het zevende Jaar keuzeprogramma's zouden worden opgesteld voor de verscliillende specialismen en de huisartsengeneeskunde. Na het zevende jaar was men pas bevoegd zelfstandig de geneeskunst uit te oefenen. Dit jaar behoorde dus tot de universitaire opleiding. De bovengeschetste opzet stuitte op veel bezwaren, onder andere omdat het nog steeds medelijk was zich als huisarts te vestigen, zonder de specifieke opleiding daarvoor gevolgd te hebben. Bovendien was het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen niet bereid de kosten van het zevende Jaar te dragen. In mei 1973 wer* opnieuw het Academisch Statuut gewijzigd, waarbij nu zesjarige artsen met, de jure, algemene bevoegdheid worden opgeleid, maar zij de facto verplicht zün de huisartsenopleiding te volgen, alvorens zij zicli als huisarts kunnen vestigen.

2. Houding van betroltken organisaties

Voordat de wijziging van het Academisch Statuut van mei jl. werd doorgevoerd, was er op de verschillende nivo's van ministerie's, fakulteiten en beroepsorganisatie's gesproken over de verantwoordelijkheid voor de specifieke huisartsenopleiding, de financiering daarvan en de bevoegdheden van de huisarts in opleiding. De standpunten waren allesbehalve eensluidend en dit resulteerde in algemene onduidelijkheid. De beide ministerie's probeerden elkaar de bal van de financiering toe te spelen, de ziekenfondsen weigerden de huisartsen in opleiding te betalen, maar wilden pas het verstrekkingenbesluit wijzigen, als de garantie kon worden gegeven, dat alle aankomend huisartsen op de huisartseninstituten geplaatst werden, de organisatie van beroepsbeoefenaren wilden zeggenschap over de kwaUteit van de opleiding en de fakulteiten moesten op de een of andere manier zien hiui huisartseninstituten te bemannen en de opleiding van de grond te krijgen. 3. Resultaat

Het resultaat tot nu toe vinden we terug in de begrotingen van de myiistei-ie's van Onderwijs en Wetenschappen en Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Wy citeren letterlijk uit de begroting van O W: 'Volgens deze opzet kunnen artsen met zesjarige opleiding zich daarna specialiseren, óf een opleiding gaan volgen tot sociaalgeneeskunde, óf zich bekwamen tot huisarts. Daarnaast blijft het voor hen mogelyk zonder verdere opleiding bepaalde geneeskundige funkties (bijvoorbeeld in overheidsdienst) uit te oefenen. De verdere opleiding tot huisarts zal — geiyk reeds het geval is by de opleidingen tot specialist en sociaal-geneeskmrdige — als een post-universitaire beroepsopleiding worden gegeven onder primaire verantwoordelijkheid van een college dat onder de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst ressorteert. Daarbij zullen de kosten van de aan de universiteiten te verbinden huisai'tseninstituten en de aan de huisarts-opleiders te verstrekken vergoeding ten laste van de begroting van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen komen. De vergoeding aan de huisarts-opleiders bestaat uit een uniform bedi-ag voor bepaalde kosten, die zij in verband met deze opleiding geacht worden te maken. Bovendien is een stagevergoeding gegeven aan hen, die voor het einde van het cursusjaar 1972-1973 de hoedanigheid van arts hebben verkregen krachtens de wijziging van het Academisch Statuut van 1973.' Ter ondersteuning van de huisartsenopleiding zijn op de begroting 1974 van het ministerie van V M gelden opgenomen. De memorie van toelichting vermeldt dat als enige mogelijke oplossing op korte termijn de mogelijkheid is geschapen dat jonge artsen tijdens de opleidingsperiode tot huisarts voor hun levensonderhoud renteloze voorschotten b« dit ministerie kunnen opnemen. Uitgegaan is van een maandelijks uit te keren bedrag van ƒ 1250,—. Onderzocht zal worden of te zijner tiJd op een andere wijze in de financiering van de specifieke huisartsenopleiding kan worden voorzien. 4. Problemen

SOCIËTEIT UILENSTEDE VERKOOPT GEEN BENZINE, WEL BïEB#^»iiW»^-

Met betrekking tot de nu ontstane situatie kan het volgende opgemerkt worden: a. Een zodanige kapaciteit van de hilisartseninstituten, dat iedere afgestudeerde arts die zich aanmeldt voor deze opleiding, ook opgenomen kan worden, is op geen enkele wiJze gegarandeerd. In verband met de wachttijden voor de specialistenopleiding, waardoor een 'overflow' naar de huisartsenopleiding kan worden verwacht, maar ook vanwege het feit dat de basisarts de facto geen praktijd uit kan oefenen, omdat zijn bevoegdheden en rechtspositie niet geregeld zijn, is dit probleem zeer nijpend. b. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van de opleiding, in casu de verantwoordingsplicht van de leden van het Centraal College

Huisartsengeneeskunde en het College zelf is niet duidelijk vastgelegd. Deze moet enerzijds ten opzichte van de fakulteiten, die de middelen moeten verschaffen om de huisartsenopleiding te realiseren, anderzijds ten opzichte van de organisatie's van beroepsbeoefenaren en de ministerie's geregeld worden. c. De financiering van de kosten van levensonderhoud en studie van de huisartsen in opleiding door middel van een leningenstelsel is onaanvaardbaar. Dit zal als rem gaan fungeren op het volgen van de huisartsenopleiding en is niet te rijmen met het feit dat zij afgestudeerde artsen zijn. 5. De eerstelijns gezondheidszorg- .

Tn de eerste plaats heeft de gezondheidszorg en met name de eerste lijn belang by zo goed mogelijk op hun taak berekende artsen. De voorwaarden voor de opleiding dienen dan ook gegarandeerd te zijn in personele en financiële voorzieningen voor de aan de medische fakulteiten verbonden huisartseninstituten en voor de huisartsen in opleiding. Het is onaanvaardbaar dat nu een rem wordt gezet op de voortgezette opleiding tot huisarts in de vorm van een volstrekt onvoldoende financiële regeling voor de kosten van het levensonderhoud van de huisartsen in opleidmg. Een regering die speciale aandacht voor de eerste lyn in haar vaandel heeft, behoort zich niet op een dergelijke wijze van de eerste stap naar de eerste lijn af te maken. Het grote probleem

voor de eerste lijn is immers onvoldoende gekwalifiseerde artsen. Een onvoldoende kwalifikatie, die hen noodzaakt eerder een ongerichter te verwijzen naar hogere en duurdere echelons in de gezondheidszorg. Een dergelijke nalatigheid doet vermoeden dat de regering alleen bezuiniging in de gezondheidszorg op het oog heeft, wanneer ze over de noodzaak van herstrukturering van de gezondheidszorg praat, i.p.v. een daadwerkelijke versterking van die eerste lijn in de gehele gezondheidszorg. 6. Het landelijk Overleg van Ko-assistenten eist: a. dat een op de onderwijsbehoefte afgestemde kapasiteit door het ministerie van OW via de fakulteiten voor de huisartseninstituten gegarandeerd wordt. b. dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de huisartsenopleiding niet uitsluitend bij de beroepsorganisaties ligt. c. dat het inkomen van de huisarts in opleiding door de overheid wordt gegarandeerd. Op 14 november a.s. 's avonds half acht organiseert de vijfde en zesde jaargroep van de Medische Fakulteitsvereniging aan de VU een avond over deze problematiek.Sprekers: prof. dr. H. J. van Aalderen (hoogleraar Huisartsengeneeskunde): De betekenis van de huisartsenopleiding voor de eerstely ngezondheidszorg. Marguerite Schipper (bestuurslid van de mediese fakulteit). Alef Rutgers (ko-assistent>. Namens de ko-ass. groep van de MFVU DOUWE DE VRIES

VU-STUOENTENVERENIGING: W!E, WAT, WAAR? Vervolg van pagina 3 voorzien en werk te verrichten. Het is spijtig dat hun houding t.o V. de politiek binnen de universiteit de laatste jaren geen eenheid heeft getoond en dat zij enigermate slachtoffer zijn geworden van polarisatie, waar overigens de verenigingsgedachte ook slecht raad mee weet. Dat de verenigingen een politieke functie hebben, zullen weinigen betwisten. De wyze waarop zij zich moeten vertegenwoordigen, zonder groepen verenigingsleden voor het hoofd te stoten was tot voor kort een onoplosbaar probleem, maar op het moment tekenen zich daarvoor veel duidelyker lijnen af, dan de laatste jaren het geval was. Over de vertegenwoordiging 'op zich' dient in overleg met andere organisaties aan de VU naar een opLanx, sociëteit lAN

lossing gestreefd te worden. Dit is in het bijzonder van belang, omdat anders de belangstelling van een grote groep studenten voor bestuurlijke zaken van de universiteit weg zal ebben en daardoor een van het bestuur vervreemd gedrag tentoon kunnen gaan spreiden. Vooral dienen de verenigingen in behoorlijke mate vertegenwoordigd te worden, omdat de deskundigheid van hen op vele gebieden een bijdrage kan leveren tot een universiteit, waar een ieder die daarvoor geschikt is kan studeren zonder dat hy tydens zijn studie van de gewone maatschappij, hetzij door zware studieprogramma's, hetzij door een elitaire opstelling, geïsoleerd wordt HAROLD VAN ANDEL

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 85

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's