Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 158

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 158

16 minuten leestijd

2

Over studenten en hun rooie ruggen (I) NIEUW STUDIEFINANCIERINGSTELSEL MOET RECHTVAARDIGER EN EENVOUDIGER ZIJN Vorige w e e k Is (eindelijk) d e n o t a v a n s t a a t s s e c r e t a r i s K l e i n v e r s c h e n e n , w a a r i n h i j zijn v o o r s t e l l e n voor e e n n i e u w s t u d i e - f i n a n c i e r i n g s s t e l s e l u i t e e n zet. D e z e n o t a m a a k t d e m e n i n g s v o r m i n g over de s t u d i e f i n a n c i e r i n g w e e r u r g e n t . O m d i e r e d e n e e n s e r i e a c h t e r g r o n d a r t i k e l e n o v e r de studiefinanciering. D i t e e r s t e a r t i k e l b e h a n d e l t d e b e z w a r e n t e g e n h e t h u i d i g e stelsel, v o l g e n d e k e r e n d e r e l a t i e o n d e r w i j s s t u d i e f i n a n c i e r i n g , g r a t i s o n d e r w i j s of p r o f i j t b e g i n s e l , r e n t e d r a g e n d e l e n i n g e n of s t u d i e loon, h e t v e r b a n d m e t e e n i n k o m e n s p o l i t i e k e n e e n o v e r z i c h t v a n d e b e l a n g r i j k s t e t o t n u t o e ontworpen plannen.

'De sociale positie van He studenten in Nederland is een brandend vraagstuk geworden. Zoals nimmer te voren is deze in financieel opzicht aangetast. Minder geld dan vroeger kan door de ouders worden gespaard voor de studie van hun kinderen. Anderzijds zijn renteloze voorschotten en beurzen veelal ontoereikend om een ongestoorde academische studie mogelijk te maken. De beoefening van de wetenschap is dientengevolge hier te lande in gevaar gekomen. De studieresultaten, de gezondheidstoestand, alsmede de algemene vorming van de studenten zijn ongunstig beïnvloed...' Dit alarmerend proza is niet afkomstig van een af andere studentenbelangengroepering, maar het is een deel van een comment a a r In h e t orgaan van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO), uit een tijd d a t ex-onderwijsminister Van Veen nog geen VNO-voorzitter was, uit 1953. Maar ook toen was h e t VNO geen filantropische instelling, w a n t in het redaktionele commentaar staat verder: '.. .op economische gronden Tcunnen wij (dat is: het bedrijfsleven) ons niet veroorloven jong intellect verloren te laten gaan. Wegens de snel toenemende bevolking in ons grondstofarme land heeft het bedrijfsleven voor de uitbreiding van de werkgelegenheid steeds meer behoefte aan nieuwe toepassingsmogelijkheden van de wetenschap.' KUUD SOETER Ongeveer in dezelfde tijd schonk Philips een miljoen a a n de regering om In Eindhoven een Technische Hogeschool op te richten. De behoefte in de industrie a a n academici was overigens al eerder n a de oorlog geformuleerd. Al in 1946 pleitte de commissie-Belninck, die tot opdracht h a d voorstellen voor reorganisatie van h e t hoger onderwijs t e doen, voor meer beurzen ter beschikking te stellen; '...van alle kanten, maar het meest van de zijde van de industrie, wordt erop gewezen dat wij in ons land met een onrustbarend tekort aan wetenschappelijk gevormde krachten te kampen zullen krijgen'. In 1953 vergrootte de toenmalige minister Cals h e t aantal beurzen en verlaagde h e t collegegeld van 325 n a a r 200 gulden, in de verwachting d a t de toegangsdrempel voor h e t hoger onderwijs hienmee iets lager zou worden. Op advies van de commissie-Rutten, ingesteld om de problematiek van de studentenvoorzieningen t e bekijken, werd i n 1956 h e t aantal beurzen opnieuw uitgebreid en werd studeren ook op andere manieren aantrekkelijk gemaakt. Deze ontwikkeling, gericht op vergroting van de studentenaantallen om aldus te voldoen a a n de steeds groeiende vraag n a a r hooggekwalificeerde arbeidskrachten, werd na 1966 omgebogen. Vanaf die tijd t r a c h t men meer kosten op de studenten af te wentelen en ook op andere manieren wordt studeren financieel gezien minder gemakkelijk. He bestaande studiefinancieringsstelsel komt ter discussie. D e commissie-Andriessen bezint' zich op een ander stelsel, m a a r de kritiek op financiële en andere onderdelen van het huidige beurzenstelsel wordt met n a m e bij studenten en dekanen groter. SPANNINGEN THUIS De kritiek richt zich vooral op de afhankelijkheidsrelatie ouders-student in h e t vigerende stelsel. Wil een student in aanmerking komen voor een beurs, d a n zijn studieprestaties en de hoogte van het ouderlijk Inkomen bepalend. J a a r lijks stelt de regering een bedrag vast dat ouders geacht worden aan eigen levensonderhoud te besteden, h e t bedrag levensbehoeften ouders (l.b.o.) Afhankelijk van h e t inkomen wordt een bepaald percentage gereserveerd voor de ouders zelf. (Er bestaat een schaal, de l.b.o.schaal, waar

men per inkomen h e t l.b.o.-bedrag uit k a n aflezen.) Het verschil tussen h e t inkomen en h e t l.b.o.-bedrag dient men t e besteden a a n de studie- en levensonderhoudskosten van de kinderen. Maar deze fraai uitziende regeling zorgt in de praktijk voor veel problemen. Het bedrag d a t ouders voor zich zelf mogen besteden is namelijk al jaren te laag (en dus komt de bijdragen a a n de studie van de kinderen in de knel). Bovendien blijft de stijging van de l.b.o.-schaal achter bij de prijsstijgingen. Een voorbeeld: in 1965 gold voor een inkomen van 10.000 gulden een l.b.o.-bedrag v a n 7300 gulden. Wanneer dit inkomen de gemiddelde loonstijging heeft gevolgd is h e t in 1972/73 vergroot tot 16.400 gulden. Het l.b.o.-bedrag was in 1972/73 11.070 gulden, d.w z. een stijging van 51 procent tegenover een loonstijging van 64 procent. Het l.b.o.-bedrag h a d in werkelijkheid 920 gulden hoger moeten zijn. Hierbij moet rekening gehouden worden — nogmaals — met h e t feit d a t h e t in 1966 vastgestelde l.b.o.-bedrag veel lager was dan de door het CBS op basis van budgetonderzoeken van ouders vastgestelde ouderlijke behoeften. De in de l.b.o.-schaal genoemde normen impliceren, d a t ouders die niet een zeer hoog of een zeer laag inkomen hebben, zich h a a s t alle luxe moeten ontzeggen om de studie van h u n kinderen te bekostigen. Dit leidt in veel gezinnen tot spanningen tussen ouders en kinderen. I n een in december 1971 verschenen n o t a van de Utrechtse studentendekanen, "Bezwaren tegen het vigerende stelsel der Rijksstudietoelagen', wordt de bron van veel 'gevallen' waar de dekanen mee te m a k e n krijgen de afhankelijkheidsrelatie oudersstudenten genoemd. VERVORMING Sinds 1967 zijn de beurzen en toelagen 'waardevast'. Niettemin is de stijging van de maxima, die men kan krijgen al enige jaren minder geweest dan de stijging van de prijzen. Dit euvel wordt

veroorzaakt, omdat m e n - w e r k t met prognoses van prijsstijgingen. De ervaring leert nu dat deze prognoses vrijwel ieder j a a r t e laag zijn, m a a r de hoogte van de beurs wordt tijdens een j a a r niet aangepast a a n nieuwe gegevens over de prijsstijgingen. (Slechts éénmaal, in 1969 is een aanvullend bedrag in de loop v a n h e t j a a r gegeven). Voor 1972/73 is men uitgegaan van een prijsstijging van 8,3 procent, terwijl de prijzen h e t laatste kwartaal met meer d a n tien procent zijn gestegen. Sinds 1966 is het reële inkomen van een student met een maximum-beurs of -toelage gedaald. De tabel geeft de groei van het verschil tussen de feitelijke toelage en zoals die op basis van C.B.S.-gegevens zou moeten zijn. Het verschil d a t dit j a a r is ontstaan (ongeveer 500 gulden) wordt groter, als men h e t m a x l m u m - b e drag van 1966 t e r discussie stelt. I n 1966 concludeerden h e t C.B.S., de A.S.V.A. en de Nederlandse S t u d e n t e n r a a d op basis v a n studentenbudgetonderzoeken d a t een student ongeveer 6000 gulden nodig had. Het ministerie was tot een lager bedrag gekomen omdat men o.a. verzekeringskosten, vakantie en kranten- en weekbladenabonnementen, niet h a d meegerekend. Uitgaande van 6000 gulden in 1966 zou de beurshoogte nu ruim 9000 gulden moeten zijn. Het verschil wordt nog eens groter als men de stijging koppelt a a n de gemiddelde loonstijging, w a n t alleen dan zou er van een toename van h e t reële student eninkomen sprake k u n n e n zijn De tabel geeft ook hierover gegevens. Dit achterblijven van de m a x i m a heeft consequenties voor alle bursalen, niet alleen voor de studenten met een maximale toelage. Ook studenten met een gedeeltelijke beurs worden geraakt omdat h e t m a x i m u m achtei-blijft. De situatie wordt nog beroerder, als men kijkt n a a r de verhoudingspercentages tussen beurs en voorschot. Sinds vorig jaar, toen een nieuw berekeningssysteem werd Ingevoerd bedraagt h e t voorschotbestanddeel van h e t totaal bedrag a a n toelagen 50 procent. Voorgaande jaren schommelde dit doel rond de 35 procent. Dit betekent d a t de schulden voor de bursalen sinds vorig j a a r sneller groeien dan tevoren. Tot n u toe is h e t college- en inschrijfgeld buiten de berekeningen gehouden, m a a r de verhoging hiervan m a a k t de financiële situatie voor veel studenten nog

AKADEMISCHE RAAD NEEMT VU-ADVIES OVER I n de Ad Valvas van 16 november schreven wij: 'In mei heeft de toenmalige minister van onderwijs en wetenschappen Van Veen a a n de besturende colleges van de universiteiten om advies gevraagd over h e t ontwerp van wet ontwikkeling hoger onderwijs, d a t de integratie zou beogen tussen het wetenschappelijk onderwijs en h e t hoger beroepsonderwijs. Ook a a n de Akademische r a a d is door de minister om een advies gevraagd. Aan de unversitaire commissie HB.O.-W.O. is destijds gevraagd om met h e t oog hierop een pré-advies a a n de universiteitsraad uit t e brengen. Dit préadvies werd opgesteld in samenwerking met de commissie H.B.O.W.O. van de besturenraad Protestants-Christelijk Onderwijs'. D a t een pré-advies op een dergelijke manier tot stand komt is al een unicum. Dat is ook wel gebleken want h e t is tot n u toe enig

in zijn soort gebleven. Nu echter onlangs de Akademische r a a d h a a r advies a a n de minister heeft aangeboden is gebleken d a t vrijwel h e t gehele préadvies door de r a a d is overgenomen. I n de werkgroep van de akademische r a a d die m e t deze problematiek belast was, was m e n echter terughoudend met betrekking tot de in h e t VU-stuk gesignaleerde verschillen in status en salariëring welke een verregaande integratie in de weg stonden. De akademische r a a d zelf heeft wél instemming betuigd met de nogal drastische voorstellen van de VU-commissies. Men m a g wel zeggen d a t dit een onverdeeld succes is omdat in h e t verleden de VU niet erg actief is geweest met betrekking tot h e t m a k e n van rapporten over dit soort wetgeving. Dit was gedeeltelijk h e t gevolg van een gebrek a a n mankrecht. A. V.

nijpender. Bij dit verhaal moet m e n bedenken dat h.b.o.-student e n er nog slechter a a n toe zijn, omdat om duistere redenen h u n maxima al jaren bijna 500 gulden lager liggen. BEDROG De al genoemde nota van de Utrechtse dekanen noemt behalve financiële (de l.b.o.-schalen) ook andere bezwaren tegen het huidige beurzenstelsel. Er is geen sprake van continuïteit: een student weet van te voren niet of hij een beurs krijgt en bovendien staat de hoogte niet vast. Een bliksemenquête van de Amsterdamse grondraad, de A.S.V.A. gaf onlangs a a n dat dit j a a r honderden studenten lagere bedragen krijgen uitgekeerd. Slechts ten dele zijn deze verlagingen terug te voeren op groei van het ouderlijk inkomen of van de gezinssituatie en d a n nog is volgens

studiejaar

1966/67 1967/68 1968/69 1969/70 1970/71 1971/72 1972/73 1973/74

veel geënquêteerden deze groei niet reëel. De dekanen noemen nog andere bezwaren. Zo zou h e t huidige systeem uitnodigen tot bedrog. Van de k a n t van studenten omdat ze h u n bijverdiensten niet opgeven. (Een bursaal mag slechts 750 gulden per j a a r bijverdienen Hogere bedragen worden t e n dele afgetrokken van de toelagen.) Van de k a n t van de ouders o m d a t ze wel opgeven een bepaald bedrag aan h u n kinderen t e besteden, maar dezen in werkelijkheid vaak alleen de kinderbijslag geven. Dedekanen kritiseren ook nog de onduidelijkheid en de veelheid van normen. Zij concluderen d a t ze zeer veel tijd kwijt zijn a a n problemen als gevolg van de studiefinanciering. H u n wens is duidelijk: een nieuw stelsel moet rechtvaardiger en duidelijker zijn. ('ü')

max toelage m a x toelage vlg. O W prijsindex (excl. coli. gezinscons. geld) 4000 4100 4450 4530 4750 5160 5660 6130

4000 4160 4480 4660 4950 5350 5780

max toelage max toelage prijsindex vlg. studenten- loonindex consumptie 4000 4160 4520 4700 5010 5470 5910 6630 (?)

4000 4240 4600 4960 5440 6200 6820

Bron: Min. van O. en W. en Centraal Bureau voor de Statistiek.

COLLEGEGELDEN EN STUDIEFINANCIERING Den Haag, (correspondent) Staatssecretaris Klein diende op 16 j a n u a r i bij de Tweede K a m e r een wetsontwerp inschrijving en collegegeldheffing tegelijk met een n o t a studiefinanciering in. COLLEGEGELDEN Als de K a m e r daarmee akkoord gaat zal h e t collegegeld met t e rugwerkende k r a c h t tot het begin van h e t studiejaar 1973-'74 tot ƒ 500,— worden verlaagd en de periode, waarover collegegeld is verschuldigd, op m a x i m a a l vijt Jaar worden gesteld. Inschrijving en h e t afleggen van examens worden alleen mogelijk n a b e t a ling van h e t collegegeld, evenals h e t gebruikmaken van de onderwijs- en studentenvoorzieningen. Alleen ingeschreven studenten kunnen in aanmerking komen voor een rijksstudietoelage. Extraneï betalen geen collegegeld en toehoorders betalen minder dan ƒ 500,—. Aangaande de boycotters in 1972'73 en 1973-'74 is in h e t wetsontwerp een overgangsregeling getroffen, z y h o u d t in d a t wie in de genoemde studiejaren h e t onderwijs heeft bijgewoond slechts tot de examens zal worden toegelaten wanneer hij toen stond ingeschreven, of n u alsnog zijn collegegeld betaalt. D i t k a n door middel van een promesse van de s t a a t geschieden. H e t inschrijfgeld bedraagt voor allen ƒ 100,—. De nieuwe inschrijvingsregeling zal pas in h e t studiejaar 1974-'75 worden ingevoerd. STUDIEFINANCIERING De hiervoren genoemde m a a t regelen hebben een tijdelijk k a rakter, hetgeen verband houdt met de voorgenomen h e r s t r u c t u rering van h e t wo en de invoering van een nieuw stelsel van s t u d i e , financiering. I n de n o t a studiefinanciering memoreert de s t a a t s secretaris o.m. de destijds gedane uitspraak van de academische r a a d ter zake — nl. d a t verhoging van de collegegelden gekoppeld diende te worden a a n een herziening van h e t studiefinancieringsstelsel — en constateert, dat in deze uitspraak in hoofdzaak de toon lag van de verdere discussie over de problematiek in

kwestie. Met zijn n o t a over het voorgenomen beleid wil de bewindsman een begin m a k e n met een proces van voorbereiding en uitvoering van 'belangrijke veranderingen in h e t functionerend stelsel van financiële studiesteun a a n studenten in h e t WO en HBO'. Hii stelt voor: — een basisbeurs voor alle studenten, die voldoende voortgang met h u n studie maken, Ipv kinderbijslag en kinderaftrek a a n de ouders, — een extra beurs voor studenten met minder draagkrachtige ouders, — de mogelijkheid van rentedragende studielening. Ipv h e t collegegeld en schoolgeld komt een onderwijsbijdrage, die van de toe te kennen beurs wordt afgetrokken. Staatssecretaris Klein spreekt tav de hoogte der bedoelde bedragen de volgende voorlopige voorkeur uit: Uitwonende studenten — basisbeurs ƒ 3000,— — Maximiunbeurs (basis + ext r a ) ƒ 5000,—. Thuiswonende studenten — Basisbeurs ƒ 2200,—. — Maximumbeurs ƒ 4000,—. De maximale beurs wordt gegeven t o t een ouderlijk inkomen van ƒ 15.625,— plus ƒ 1600,— voor elk niet studerend kind in het gezin, w a a r n a de beurs d a a l t tot h e t basisbedrag is bereikt bij een ouderlijk inkomen van ƒ 31.250,— plus ƒ 1600,— voor elk niet studerend kind. Het m a x i m u m van de studielening h a n g t af van h e t totaal van de verstrekte beurs (of beurzen). De gezamenlijke hoogte van de m o gelijk drie componenten wordt voorlopig op maximaal ƒ 7000,— gesteld voor een uitwonende en op ƒ 5500,— voor een thuiswonende student. Eigen inkomsten tot ƒ 2000,— worden niet in mindering geb r a c h t op de verstrekte beurs. Nadere studie zal volgens dr. Klein moeten uitmaken in hoeverre ditzelfde systeem zou k u n nen gelden voor bv. alle studerenden boven de 18 Jaar,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 158

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's