Ad Valvas 1973-1974 - pagina 199
3
AD VAL VAS — 22 FEBRUARI 1974
STUDENTEN EN HUN ROOIE RUGGEN (V EN SLOT)
VISIE WEEK VOOR PRAGMATISME Met een artikel waarin de herkomst van de ideeën van s t a a t s secretaris Klein centraal staat, sluit de serie achtergrondartikelen over studiefinanciering. De tot nu verschenen artikelen behandelen de problemen en bezwaren van het huidige beurzenstelsel (1), de plannen van Klein tegen de achtergrond van de kritiek op het huidige stelsel (2), de relatie tussen studiefinanciering en onderwijs en arbeidsmarkt (3), en de ideeën, die er zijn over studiefinanciering en inkomensverhoudingen, waarbij vooral gekeken werd n a a r het effect van rentedragende leningen (4). Tot aan de oprichting van de Studentenvakbeweging (1963) was er vrijwel geen fundamentele kritiek geleverd op de wijze van studiefinanciering en met name op de visie die er aan ten grondslag lag. Mede op aandrang van de Nederlandse Studentenraad (NSR), waarin de SVB inmiddels een belangrijke positie was gaan innemen, installeerde minister Veringa in 1966 de commissie studiefinanciering wetenschappelijk onderwijs, naar de voorzitter ook wel de commissie-Andriessen genoemd, die de principiële grondslagen van het studietoelagenbeleid zou moeten bezien. Van studentenzijde werd verder geborduiu-d op de studieloongedaclite, maar hevig was de strijd allerminst, omdat vanwege de geheimhoudingsplichts niets bekend werd over de denkbeelden van de nieuwe commissie. In 1969 lekte via 'Student' echter uit in welke richting in de commissie werd gedacht en toen ontbrandde de discussie weer in alle heftigheid. Ondanks het feit dat de discussie nu al zeven jaar (of zo men wil elf jaar, sinds de SVB-nota 'Van liefdadigheid naar recht op integrale studiekostenvergoeding') sleept, zijn de tegengestelde meningen niet tot elkaar gekomen. De belangrijkste discussiepunten zijn in de loop van die jaren dezelfde gebleven. Ook binnen de commissie-Andriessen hebben de verschillende c^vattingen over studiefinanciering gebotst. De commissie daagde er niet in tot een eensluidend advies te komen, maar kwam tot drie voorstellen, waar telkens een deel van de leden zich achter schaarde. Het eers*- voorstel, gesteund door drie- leden, voorziet in een forse verhoging van het collegegeld, variërend van ƒ 2000 voor een goedkope tot ƒ 6000 voor een dure studierichting. De kosten voor studie en levensonderhoud komen primair ten laste van de ouders maar indien nodig is aanvullende financiering mogelijk door middel van een studietoelage, waarvan 60 procent als renteloos voorsdiol wordt uitgekeerd. Meerjarige studenten moeten een rentedragende studielening kunnen afsluiten. Terugbetaling van de schuld moet gebeuren in vaste termijnen en Is onafhankelijk van het inkomen dat men verdient. Het tweede voorstel, gesteund door twaalf leden van de commissie (de meerderheid) wil iedere student, die er om vraagt, een rentedragende lening geven. Het collegegeld wordt ƒ 1500. De schuld moet als een bepaald percentage van het meerinkomen (boven de grens van inkomstenbelasting) worden terugbetaald: een lager inkomen betekent dus een langere aflossingstermijn. Het derde voorstel, gesteund door mej. Van Lanschot (toen hoofdbureau studentenzaken in Utrecht) en het studentenlid Benders, wil een basisstudieloon van b^ voorbeeld 10 in het eerste jaar en een hoger bedrag voor volgende jaren, terwijl het resterende bedrag (tot bijvoorbeeld ƒ 6000) renteloos kan worden geleend. De schuld wordt terugbetaald uit een bepaald percentage boven het meerinkomen boven de aanslaggrens voor de inkomenbelasting.
• De mondhygiënisten mogen • de gekregen studenten wél • in de bek kUken. • Floor Ollfantsoor
Door Ruud Soeter Er wordt geen collegegeld geheven. De eerste twee voorstellen werden gemotiveerd vanuit de idee dat onderwijs een individueel en geen collectief goed is. Het voorstel-Van Lanschot verschUde op enige essentiële punten van de andere: zii zag studie als arbeid, waarvoor men beloond dient te worden. Maar in de huidige maatschappelijke situatie achtte zij een volledig studleloon nog niet gerechtvaardigd. Deze visie op onderwijs contrasteerde met die van de rest van de commissie. Men is het niet eens geworden, maar waarschijnlijk was de commissie-Andriessen één van de laatste officiële instanties waar de twee opinies met elkaar werden geconfronteerd. Nadien is de profijtvisie (onderwijs als privézaak) van de meerderheid overgenomen door De Brauw. De studentenorganisaties steunden aanvankelijk het voorstel van Van Lanschot, zij onder voorwaarde dat het verder verbeterd moest worden in de richting van een volledig studleloon (NSR) en later (LOG) koos men voor uitbreiding van het huidige toelagestelsel in de richting van studleloon. PBAGMATISCH Klein heeft nocti het ene voorstel, noch de andere overgenomen. HiJ heeft zich nauwelijks uitgelaten over de fimdamentele discussiepunten, die in de commissie-Andriessen en in kringen van studentenorganisaties en Studenten-
dekanen werden aangedragen. Klein heeft namelijk vrijwel geheel de voorstellen overgenomen van de Tilburgse hoogleraar in het belastingrecht, Van Dijck. Prof. Van Dijck was voorzitter van de in 1966 benoemde commissie harmonisatie studiesteun, die in haar eindrapport had voorgesteld dat het ministerie van onderwijs en wetenschappen (i.e. de afdeling rijksstudietoelagen) zou bepalen of en zo ja in welke mate een student aanspraak zou kunnen maken op kinderbijslag en kinderaftrek. De kinderbijslaginstanties en de fiscus, die altijd hadden beslist over deze faciliteiten, zouden zich aan de opinie van rijksstudietoelagen moeten aanpassen. De uitbetaling zou dan ook via rijksstudietoelagen aan de studenten en niet meer vla de Raden van Arbeid en de fiscus aan de ouders moeten gescliieden. Het denkbeeld van integratie van kinderbijslag en kinderaftrek met de studietoelage werd door prof. Van Dijok verder uitgewerkt in het
Tilburg Hogeschoolblad (maart 1972). Hij kwam tot de conclusie dat liinderbijslag en kinderaftrek voor de ouders vervangen moest worden door een rechtstreekse uitkering aan de student zelf. Op deze manier zou ongeveer de helft van de studiekosten gedekt moeten worden. De andere helft zouden de ouders kunnen blijven bijdragen. Wanneer hun inkomen daartoe ontoereikend zou zijn, moest een aanvullende studietoelage gegeven worden. Studenten die — hoewel dat wel zou kunnen — geen beroep meer wilden doen op hun ouders, zouden een rentedragende studielening moeten kunnen krijgen. ACADEMICI-BELASTING Het plan-Kleln is vrijwel identiek aan de voorstellen van Van Dijck. Aanvankelijk showde Klein met plannen voor academici-belasting (als lid van de PvdA-fractie en ook nog in zijn begintijd als staatssecretaris) maar dit idee
heeft lii) laten vallen, naar hiJ zegt omdat de studenten het niet wilden, maar waarschijnlijk eerder vanwege verzet op enige departementen tegen de gevolgen van dit plan voor de Inkomensrerhoudingen. Met het verdwijnen van de acadenici-belasting verdween ook iedere rerwijzing naar een visie op de functie van onderwijs. Zijn plan is pragmatisch', althans in zoverre iat studiefinanciering wordt voor?esteld als een technische zaak, waarbij de mogelijkheden door de omvang van de beschikbare middelen worden bepaald. In de inleiding van de nota studieflnanjiering schrijft Klein: 'Het heeft weinig zin voorstellen te doen, die londerden miljoenen guldens meer souden kosten.' Hierdoor snijdt hij de fundamentele discussie af, hoewel het onwaarschijnlijk is dat in een zaak waar zovelen zolang over hebben gepraat, de staatssecretaris het laatste woord heeft gesproken. CU').
T.A.S. RICHT PROGRAMMA-COMMISSIE OP Om by de komende Universiteitsraad verkiezingen de zgn. drie vrije zetels van de TAS op doeltreffende wflze te kunnen vullen is op de plenaire TAS-vergadering van 13 februari een programmacommissie van zeven personen opgericht, die een concept moeten maken. Dat kan vervolgens door de drie mensen op de vrije zetels in de U.R. gebracht worden. Het voordeel van deze methode is, dat de kiezers nu op een bepaalde politiek kunnen stemmen en dus niet meer zozeer hoeven af te gaan op de personen, die ze in de meeste gevallen niet of nauwelijks kennen. Professor dr. O. Boekestijn hield aan het begin van de vergadering een inleiding over wat de TAS kan bijdragen aan het bestuur van de .universiteit. Hij het met voorbeelden uit de geschiedenis (Reformatie, Franse Revolutie) zien, dat de mensen zich steeds meer gaan afscheiden van een strenge bestuursvorm en de macht naar zich toe gaan trekken. Bij de unl-
Weer f 500," betalen? Deze brief heeft staatssecretaris Ger Klein gestuurd aan de colleges van bestuur van de instellingfen van wetenschappelijk onderwijs. Zoals uit deze brief blijkt zal het CvB de studenten ervan in kennis moeten stellen dat (voorlopig?) de tweede termijn ook betaald zal moeten worden. Een dergelijke brief kan men dan ook binnenkort verwachten. Tenminste als het CvB het advies van de staatsecretaris volgt. Zoals ik reeds op 4 februari jl. in de bijeenkomst met vertegenwoordigers van de instellingen meedeelde, zal de behandeling van het wetsontwerp inschrijving, collegegeldheffing en toelating tot het afleggen van examens (12 777) niet vóór maart 1974 door de Staten-Generaal zijn afgerond. Dit impliceert dat de tweede termijn van het collegegeld op 1 maart a.s. vervalt. U zult de betrokkenen dan ook in kennis moeten stellen van de verplichting de tweede termijn te voldoen. Het verdient aanbeveling om de studenten te adviseren dit door inlevering van een promesse te voldoen. Deze vorm van betaling is namelijk op eenvoudige wijze ongedaan te maken, als het collegegeld, zoals in het in behandeling zijnde wetsontwerp wordt voorgesteld, met terugwerkende kracht tot 1 september 1973 voor iedere collegegeldplichtige wordt gehalveerd. Met het oog hierop alsmede uit administratieve overwegingen verzoek ik u de ter betaling van de tweede termijn ontvangen promessen voorlopig niet naar deze hoofdafdeling op te sturen. Studenten die ook de eerste termijn door inlevering van een promesse hebben voldaan, zal geen financieel nadeel treffen door het ondertekenen van een tweede promesse, indien het voorstel tot collegegeldverlaging wordt aanvaard. Met betrekking tot de bursalen kan worden medegedeeld dat de betaling van de tweede termijn door de hoofdafdeling Rijksstudietoelagen aan de instellingen zal ivorden behaiideld naar analogie van de afwikkeling van de eerste termijn. De bursalen is reeds medegedeeld dat zij bij eventuele handhaving van de bedragen voor collegegeld, die gelden voor het studiejaar 1972-1973, een nieuwe kennisgeving zullen ontvangen. Tenslotte zij opgemerkt dat inschrijving voor een geheel studiejaar plaatsvindt. De opeisbare schuld, waarvan sprake is indien de tweede termijn collegegeld op 1 maart a.s. niet is voldaan, laat de inschrijving van de betrokkene voor het gehele studiejaar onverlet. De staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen,
(dr. a. Klein)
Door Guus HerbscMeb AV versiteit Is dit proces wat later op gang gekomen, maar het is nu wel zover, dat iedereen, ook de TAS. het recht en de plicht heeft te participeren bij de besluitvorming in de Universiteitsraad. De Hoogleraar verweet de TAS, dat zij de WUB niet Iiad gestimuleerd en niet had gevochten voor de acht zetels, die zij thans heeft in de U.R. Waarschijnlijk kwam dit wel, doordat de TAS zo'n heterogene groep is, waar alles ingestopt wordt, wat geen student of wetenschappelijk personeel is. Het is dus erg lastig om aan de eenheid van die TAS vorm te geven. Zo Is het ook geen bagatel om kandidaten voor de U.R. voor te stellen, die representatief zijn voor de gehele TAS. Verder lïad de hoogleraar het gevoel dat de TAS-geleding zich In het verleden bezig hield met de belangenbehartiging, In de U.R. mag dit geen rol spelen. Hij zag bij de TAS, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, wel degelijk mensen met capaciteiten, die bepaalde organisatieproblemen aankunnen, wellicht zelfs nog beter dan de wetenschappe-
lijke fractie. Hij waarschuwde de TAS (trouwens ook de studentenfractie) voor het afsteken van preken, die immers toch niet tot besluitvorming leiden en alleen maar vertagend werken. Een reactie uit de zaal: dat de TAS niet staat te springen om zetels te krijgen in de U.R. komt doordat men, als men in de UR openlijk voor of tegen allerlei zaken pleit en men er veel tijd in moet steken, wellicht in een zwart blaadje komt te staan bij zijn chef en zodo«ide promotiemogelijkheden verspeelt. De hoogleraar zag dit probleem ook wel, dod» meende, dat dit in theorie niet mogelijk mocht zijn, aangezien het CvB zelf de TAS aanspoort tot activiteiten, (zie o.a. de brief van het CvB aan de TAS bij de korte Berichten van 8 febr.) Hier zitten we dus met structurele fouten die eventueel door gesprekken weggewerkt moeten worden, aldus prof. Boekestijn.
TAS-bestuur Het aftredende TAS-bestuur zal nog enige tijd aanblijven, daar er nog haast geen kandidaten zijn voor een nieuw. Men wordt verzocht zich voor 20 maart kandidaat te stellen. Men behoeft overigens niet bang te zijn, dat de TAS-mensen zich niet interesseren voor de democratie en alles over zich heen laten gaan: deze vergadering werd door zoveel mensen bezocht, dat de geplande zaal llA-05 te klein bleek en men zijn toevlucht moest zoeken tot de grotere collegezaal 2A-00.
Een gedeelte van de TAS-fractie in de UR.
Foto Eduard de Kam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973
Ad Valvas | 370 Pagina's