Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 93

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 93

11 minuten leestijd

21e JAARGANG — NUMMER 11

16 NOVEMBER IS 73

OLIEGRISES In verband met de kritieke situatie die zich lieeft ontwikkeld ten aanzien van de olie-import lieeft de Regering, zoals bekend, aangedrongen op de grootst mogelijke zuinigheid in h e t energieverbruik. Het College van Bestuur vertrouwt erop dat alle leden van de universitaire gemeenschap het h u n n e zullen doen om het energieverbruik van de Universiteit te beperken zoveel als zonder schade voor het werk mogelijk is. I n de eerste plaats wordt hierbij natuurlijk gedacht a a n h e n die zich van energieverbruikende a p p a r a t u u r etc. bedienen. I n de tweede plaats a a n alle 'bewoners' der gebouwen die zich wellicht wat kunnen beperken op het p u n t van verlichting, verwarming, verbruik van warm water e.d.

NA/EEKBLAB VF=!ldE U N I V E R S I T E I T

NA PRE-ADVIES COMMISSIES HBO/WO:

SAMENWERKING MOET VAN ONDERAF KOMEN In mei heeft de toenmalige minister van onderwijs en wetenschappen Van Veen aan de besturende colleges van de universiteiten om advies gevraagd over het ontwerp van wet ontwikkeling hoger onderwijs dat de integratie sou beogen- tussen het w.o. (wetenschappelijk onderwijs) en het h.b.o. (hoger beroepsonderwijs). Ook aan de A.R. (akademische raad) is door de minister om een advies gevraagd. Zij zal dit advies vaststellen op de vergadering van 1 december. -j Aan het college van dekanen en de universitaire commissie H.B.O.-W.O. is met het oog op het verzoek van de toenmalige minister dan ook gevraagd een pre-advies over het voorontwerp aan de Universiteitsraad uit te brengen. Bovendien hadden de fakultelten de gelegenheid commentaar te leveren op het voorontwerp. Het bijzondere nu van het pre-advies dat dinsdag 6 november in de UR besproken is, is dat het is opgesteld in samenwerking met de commissie H.B.O.-W.O. van de besturenraad ProtestantsChristelijk Onderwijs. Deze Besturenraad vertegenwoordigt het christelijk hoger beroepsonderwijs: sociale en pedagogisclie akademies, een h.t.s. en dergelijke. Het is de eerste keer dat het christelijke h.b.o. en het hoger onderwijs samenwerken. Bovendien gaat het er in tegenstelling tot reacties van andere instanties in deze in dit pre-advies niet alleen om kritiek te leveren op het voorontwerp maar worden er door de commissies ook alternatieven gegeven over hoe het dan wél zou moeten. Het wetsontwerp wordt beoordeeld aan de hand van de doeleinden die de minister zelf aangeeft n.l. een ontwikkelingswet om een grotere schakermg in het hoger onderwijs aan te brengen, teneinde hoger onderwijs voor velen mogelijk te maken. In haar pre-advies heeft de commissie dus bekeken wat er van het wetsontwerp klopt als meen deze doeleinden voor ogen houdt. Levensbeschouwing en maatschappij

Een van de belangrijkste punten van kritiek die door de commissie naar voren wordt gebracht is dat in het voorontwerp de levensbeschouwelijke achtergrond bij de integratie wordt vergeten. De commissie staat geen exclusieve, bijzondere instellingen voor; men wil echter de invloed die mens- en maatschappijbeschouwing op de vormgeving van het ondei-wijs hebben enige leefruimte geven om de, door de ministers voorgestane, diversiteit te kunnen waarborgen. Bovendien, zo zegt het pre-advies kun je je hoger ondeiTvijs voor velen wel als doel stellen, maar, behalve belangstelling en aanleg bepaalt de maatschappelijke en culturele constellatie nog altijd dat het ene diploma hoger gewaardeerd en beter betaald wordt dan het andere. Zo lang je niets aan deze constellatie verandert blijf je zitten met het probleem dat het W.O. domineert over het H.B.O. Dit heeft dan tot gevolg, dat het H.B.O. op het W.O. wil lijken, dat er een trek gaat ontstaan van het H.B.O. naar het W.O. en dat het H.B.O. een soort van vuilnisbak gaat worden voor mensen die niet geschikt blijken te zijn voor het W.O. Concretisering

Een van de voorwaarden voor het realiseren van de gestelde doelen is dus het veranderen van de maatschappij, niet door revolutie maar door het invoeren van een aantal concrete maatregelen.

De belangrijkste maatregelen zijn, volgens de commissies: 9 een gelijke honorering (in financieel èn cultureel opiicht) van afgestudeerden van h.b.o. en w.o. voor die beroepen luaarbij h.b.o. en w.o. afgestudeerden met gelijk succes werkzaam kunnen zijn (b.v. de salarisschalen van de overheid voor h.b.o. en w.o. afgestudeerden beginnen thans'nog op een verschillend niveau, ook bij hetzelfde type beroep); 0 een zodanig aanstellings- en promotiebeleid van de h.b.o. en w.o. afgestudeerden dat zij een gelijke kans op aanstelling en promotie hebben in die beroepstypen waarbij h.b.o. en to.o. afgestudeerden met gelijk succes werkzaam kunnen zijn (b.v. de salarisschalen van de overheid voor h.b.o. afgestudeerden kennen een plafond, tenoijl w.o. afgestudeerden geen plafond in hun salarisschalen hebben, ook bij hetzelfde type beroep); « de mogelijkheid voor studenten aan h.b.o. en w.o. op gelijke wijze gebruik te maken van de speciale voorzieningen op het gebied van huisvesting, sport, mensa, gezondheidszorg, e.d. Het voorontwerp (artikel 25d; T.N. blz. 24, l.k.) is op dit relatief ondergeschikte punt terughoudend; 0 de rijksstudietoelagen voor h.b.o. en w.o. studenten zouden voor studenten in dezelfde omstandigheden even groot moeten zijn (dit is thans niet het geval); 0 een gelijkwaardige financiering van de materiële ondenoijsvoorzieningen bij het w.o. en het h.b.o. Door het invoeren van deze maatregelen wordt de geloofwaardigheid en de kans van slagen van het wetsontwerp vergroot. Tot die tijd heersen er bij de leden van de commissie sterke twijfels of het slagen überhaupt wel mogelijk is, en of het tot stand brengen van samenwerking tussen instellingen van tertiair onderwijs en het bevorderen van wederzijdse doorstroming van studenten door middel van samenwerkingsovereenkomsten de meest voor de hand liggende en de meest effectieve maatregelen zijn om een hoger onderwijs voor velen mogelijk te maken. Pragmatisme

Zowel de minister als de commissie zijn voorstander van een pragmatische aanpak; het is uiteindelijk een ontwikkelingswet waai-van in de praktijk moet blijken of hij wel het gewenste effekt heeft. Deze pragmatische aanpak leidt in het voorontwerp echter tot het onbreken van een profiel van de verschillende componenten in het hoger onderwijs. Dit profiel is onont-

beerlijk omdat de aankomende student duidelijk moet weten wat hij kiest. Bovendien is het risico erg groot dat het h.b.o. zich in een verkeerde richting gaat academiseren en dat de discussie over de gewenste (en mogelijke) opnamecapaciteit vrijwel onmogelijk wordt. De commissies zeggen hierover het volgende: De ministers willen in dit voorontwerp 'een einde maken met het verschil in stelsels van toelating, dat tot dusverre tussen het w.o. en het h.b.o. bestaat. Bij de ingang van het w.o. geldt immers het recht van toelating;

bij de ingang van het h.b.o. daarentegen maakt het bevoegd gezag uit wie wordt toegelaten (....). Door de vervanging van toelaatbaarheid door het recht van toelating wordt de in feite bestaande en ook wel toegepaste mogelijkheid van een numerus fixus in de h.b.o.-sector van het hoger onderwijs afgeschaft.' (T.N., blz. 21, r.k.). Wij zijn het met de ministers eens dat wanneer het h.b.o. en het w.o. één sector gaan vormen, zij gezamenlijk en op dezelfde wijze de lasten en lusten van de studentenaantallen voor hun rekening moeten nemen. Dus

óf bij beide in principe recht van toelating óf bij beide moet het bevoegd gezag de mogelijkheid hebben uit te maken wie loordt toegelaten. In het kader van de reactie op dit wetsontwerp kiezen wij vooralsnog voor de eerste mogelijkheid. Tussen de doelenstelling van'de ministers op lange termijn en hun bespreking van de opleidingscapaciteit van w.o. en h.b.o. bestaat echter o.i. een spanning, die de ministers ten onrechte na laten te signaleren. Bij de langere termijn spreken zij over hoger onderwijs voor velen, zonder enige beperking (afgezien van aanleg, e.d. (T.N. blz. 9). De

IEDEREEN STRAKS VIJF JAAR BETALEN? (werkgroep-Maas) Op de vergadering van de A.R. van 27 October kwam ter sprake het pre-advies van de werkgroep collegegeld-wetgeving onder voorzitterschap van prof. Maas. Deze werkgroep was verzocht voor de A.R. een pre-advies op te stellen omtrent de technische aspectenvan het wetsontwerp inschrijving, en collegegeldbetaling en de daarbi' behorende memorie van toelichting voor de korte termijn. Met deze technische aspecten werden bedoeld: de eventuele jm-idische onvolkomenheden van het wetsontwerp en de practische consequenties die het ontwerp als wet, en de in de memorie van toelichting gegeven uitleg daarvan, voor de instellingen met zich mee zouden brengen. Vervolgens sprak de A.R. zich in de vergadering van 29 september uit voor een terugkeer naar de situatie van voor 1 september 1972, althans wat de hoogte van collegeen inschrijvingsgeld betreft. Met terugwerkende kracht moest het inschrijvingsgeld op ƒ 10,— en het collegegeld ; 200,— worden en het wetsontwerp diende overeenkomstig te worden aangepast en vereenvoudigd. De werkgroep vatte de opdracht zo op, dat ztj diende te onderzoeken welke technische verbeteringen in het wetsontwerp konden worden aangebiracht en hoe het ontwerp zodanig vereenvoudigd kon worden, dat het zich leende voor uitvoering door de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs. De voorstellen werden zo geformuleerd, dat ze ook door de staatssecretaris in overweging genomen kunnen worden, als de regering het advies van de A.R. om terug te keren naar de situatie van voor 1 september 1972 niet volgt. Pre-advies

De werkgroep is er van uitgegaan dat het wetsontwerp zich diende te beperken tot: a) regelmg van het collegegeld voor een beperkte periode in afwachting van de nieuwe regeling van de studiefinanciering en van een beslissing omtrent het wetsontwerp herstructurering w.o.; b) een zo eenvoudig mogelijke regeling van de inschrijving van studenten en van de controle op de nakoming van de daaraan verbonden financiële verplichtingen. Derhalve behoren in het wetsont-

werp in principe geen voorstellen tot wijziging van de W.W.O. aan de orde gesteld te worden, die buiten het kader van de huidige problematiek rond de inschrijvingsen collegegelden vallen. Bi) de uitwerking heeft de werkgroep overwogen dat de moeilijkheden, waarin de huidige coUegegeldwet de instellingen heeft gebracht, tot de conclusie leiden dat een goede collegegeldwetgeving aan de volgende voorwaarden moet voldoen: 1) Iedereen die aan een universiteit of hogeschool studeert, dient ingeschreven te zijn. 2) Op eenvoudige wijze moet kunnen worden vastgesteld welke bedragen aan een bepaalde inschrijving verbonden zijn. 3) Voor het niet voldoen aan de financiële ' verpliohtigen moet een eenvoudige sanctie bestaan, welke op dit moment ontbreekt. Aan de eerste e^ de derde voorwaarde is in het wetsontwerp voldaan, hoewel enkeje technische wijzigingen op deze^ punten gewenst geacht kunnen worden. Aan de tweede voorwaarde voldoet het wetsontwerp echter niet. De werkgroep is van mening dat vrijstelling of vermindering van collegegeld, afgezien van een algemene beperkixig van de betalingsplicht tot een aantal studiejaren, in beginsel slechts verleend moet worden aan diegenen die niet in de gelegenheid ziJn van de onderwijsvoorzieningen gebruik te maken. Alleen op deze wijze zal duidelijkheid ontstaan over de vraag; wie moet wat betalen? De belangrijkste wijzjging die de werkgroep voorstelt vloeit dan ook rechtstreeks Meruit voort. Gezien de problemen die zich voordoen omtrent het begrip examen-tentamen student en de moeilijkheden bü het vaststellen wie er nu wel examen—tentamen student is en wie niet, stelt de werkgroep voor het begrip examen-tentamen student geheel te laten vervallen. Iedereen die zich aan een Instelling wil laten inschrijven moet collegegeld betalen, onverschillig of hij nu het onderwijs feitelijk bijwoont of niet. Daartegenover is het noodzakelijk — en ook redelijk — de betalirg van het collegegeld te beperken tot de duur van het onderwijsprogramma, tot de cursusduur dvis, aldus de werkgroep. Teneinde complicaties te

vermijden wordt voorgesteld coUegegeldbetalingen voor de duur van vijf jaar verplicht te stellen, de huidige cursusduur van het overgrote deel van de studierichtingen. Uiteraard heeft dit voorstel een interim-karakter; by herstructurering en invoering van een nieuw stelsel van studiefinanciering moet een er. ander opnieuw worden bekeken. Academische Raad

De academische raad had aan de woorden van de werkgroep niet zoveel toe te voegen. Na enige discussie wat men met het pre-advies aanmoest besloot men tenslotte om de hele zaak maar op te sturen naar staatssecretaris Klein vergezeld van het commentaar van de werkgroep op haar eigen pre-advies. En nu maar afwachten wat er straks uit de bus komt. AV

Eindredaktie: Hans Bos, Jan Verdam. Medewerking: Bureau pers en voorlichting. Redaktie-adres: De Boelelaan 1105 Postbus 7161 Amsterdam, telefoon 48 26 71. Kopij, niet bestemd voor de mededelingenrubriek, moet (getypt) uiterlijk maandagmorgen om 10 uur binnen zijn. Advertenties: J. G. Duyker, Amsterdamseweg 397, Amstelveen. Postbus 228. Tel. 020-43 26 15; bgg 43 1810.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 93

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's