Ad Valvas 1973-1974 - pagina 25
h e JAARGANG - NUMMER 3
21 S E P T E M B E R 1973
Het College van Bestuur m a a k t bekend, dat staatssecretaris dr. G. KLEIN zich bereid heeft verklaard tot een
opanbaar debat
ZfS
E K B I A D VRIJE UNIVERSITEIT
m e t de voorzitter van de SRVU en h e t lid van de Tweede Kamer dr. A. J. Vermaat over
de collegegeldkwestie Dit debat vindt plaats op dinsdagavond 25 september 1973, acht uur, in de aula van het hoofdgebouw en staat onder leiding van prof. mr. P. J. Boukema.
E VU WIKT, WIE BESCHIKT? ^insdag 35 september zal het College van Bestuur a a n de iJniversiteitsraad de discussienota over h e t begrotingsbeleid fanbieden. Een historische gebeurtenis, want, hoe vreemd h e t ttk moge klinken, het is de eerste maal dat er bij het opstellen an de universitaire begroting gebruik gemaakt g a a t worden an een grondige planning. roorheen was het zo d a t men bij het opstellen van de begroting jebruik maakte van het algemeen financiële schema. Wat dit phema inhield en wat n u precies het verschil is met de iscussienota over het begrotingsbeleid welke nu a a n de UR fordt aangeboden vroegen wij a a n mr. H. Hoogenkamp, pcretaris van h e t College van Bestuur. Iroeger was het begrotingsbeleid igeveer als volgt: Izonderiyke hoogleraren of •oepen binnen een faculteit aakten voor hun gebied een begroting voor het komende Jaar op grond van wat men het jaar daarvoor nodig had gehad en dat vermeerderd met een bepaald percentage in verband met de te verwachten stijging van de kosten en van het aantal studenten. De faculteiten combineerden deze deelbegrotingen tot een totale begroting van de faculteit en stuurden de zaak door naar Curatoren en Directeuren. Deze konden niet veel meer doen dan proberen van de grote optelsom een overzichtelijk geheel te maken. Op het Ministerie werden de begrotingen van de verschillende universiteiten bekeken en meestal flink besnoeid en vervolgens Werden de beschikbare middelen verdeeld. Dit gebeurde aan de hand van een ontwikkelingsplan dat de basis vormde voor een füiancieel schema waarin was neergelegd wat er de komende vier tot viJf Jaar aan middelen ter beschikking zou komen. Sinds twee jaar echter zijn de ontwikkelingsplannen en schema's waarmee het ministerie vroeger werkte aan de kant geschoven, voornamelijk doordat men overal moest bezuinigen en dus ook op onderwijs. Daarnaast is ook tegeluk met de groeiende stroom studenten de houding ten opzichte van het wetenschappelijk onderwijs veranderd; om met de heer Brinkman te spreken: de bomen groeien by ons niet meer tot aan de hemel. Een gevolg hiervan is dat de universiteiten worstelen met een toenemend aantal studenten en een relatief krapper wordend budget, en het ziet er niet naar uit dat er in deze situatie op korte termijn veel verandering zal komen. We zullen moeten leren leven met een schaarste . . . Daarom is het dringend noodzakelijk dat de verdeling der middelen binnen de universiteit nader wordt bekeken: we moeten proberen zo spoedig mogelijk hanteerbare maatstaven te vinden om de schaarse middelen op de juiste wijze te verdelen. Om dat te kunnen doen is een overzicht nodig van de noden binnen de hele universiteit: prioriteiten kunnen alleen goed worden gesteld als men de problemen kent. Deze nota is bedoeld als een eerste aanzet tot een meer gefundeerd begrotingsbeleid. Het is een enorme inventarisatie van onderzoekprogram-
ma's, onderwijslast, studenten — personeelratio's herprogramme. ring en personeelssameiistelling. In sommige faculteiten bleek men van een aantal van de gevraagde gegevens zelf nauwelijks op de hoogte en dat is tekenend voor de huidige situatie, in een aantal faculteiten is de beleidsvoering nog nauwelijks uit boven het niveau van een veredelde vrijetijdsbesteding. In diverse opzichten leveren de verzamelde gegevens eerder nieuwe vragen op dan antwoorden. Een antwoord op de vraag wat men nioet weten om verantwoorde beslissüigen te kunnen nemen over xmiversiteits en faculteitsbegrotingen is er nog niet: hierover is nog nader onderzoek en overleg nodig. Het is ondoenlijk om de gehele nota hier te bespreken, daarom nu enige citaten:
Nog meer dan vroeger zijn we in een situatie gekomen waarin gekozen moet worden, ook bij het opstellen en vaststellen van begrotingen. Het kiezen tussen doelen en taken die ieder op zich verdedigd kunnen worden, het zonodig sluiten van compromissen daarbij, het expliciteren van prioriteiten kan bij voortdurende middelenschaarste niet — meer — uitgesteld, laat staan ontweken worden, op welk bestuursniveau in de imiversiteit ook. Zoals gezegd, beschikt het universiteitsbestuur nog niet over criteria voor dergelijke keuzen. Het zal zo goed mogelijk moeten aanknopen bü de ontwikkeling tot nu toe, maar het zal er ook naar moeten streven dat innovatie in doelstelling en taakuitvoering tot de mogelijkheden blijft behoren. De faculteiten en diensten worden eveneens met het keuzeprobleem geconfronteerd bij hun beslissingen over de uitvoering van hun taken. Aangenomen moet worden dat het keuzeprobleem voor hen zo zeer van praktische aard is, dat zij, e.xpliciet of impliciet, wel over criteria beschikken en die toepassen.
gebrek aan adequate informatie. Aan de voorwaarden voor het nemen van beleidsbeslissingen en het doen van beleidsuitspraken, zeker voor lieleid op langere termijn, wordt dus niet voldaan. Er zal nog heel wat moeten gebeuren voordat een echte beleidsdiscussie in het universiteitsbestuur mogelijk wordt. Het ontbreekt ons aan voldoende instrumenten om het gevoerde beleid te verantwoorden en tot precisering in de beleidsbepaling te komen. Verbetering van de huidige instrumenten en ontwikkeling van nieuwe zijn dus nodig. De functie van deze nota en van de discussie in de Universiteitsraad over de nota is vooral een bijdrage daaraan te leveren... Het zal duidelijk ziJn dat dit proces zo open mogelijk moet verlopen; het kan immers alleen slagen als op alle bestuursniveaus aan dit proces wordt meegewerkt. Dat eigenbelang wel eens het sterkste motief voor deze medewerking zou kunnen ziJn hoeft in dit geval zeker niet als een bezwaar te worden gezien.
Beleidsinstrumenten
De belangrijkste begrotings- en dus middelenfactor is staftijd, met name van wetenschappelijk personeel. De personeelskosten nemen 79% van het totale exploitatiebudget in beslag. De
Reeds werd de aandacht gevestigd op de beperkte opzet van de nota, het ontbreken van criteria en evaluatiemogelijkheden en het
Onderwijslast
„WELZIJN" OP UILENSTEDE Toen in 1971 in sommige k r a n t e n nogal wat a a n d a c h t werd besteed a a n misstanden op Uilenstede, was dit voor de welzijnswerkers van de Universiteit (studentenartsen, decanen, dominee's, psychologen) aanleiding om zich af te vragen, ot^zij niet in gebreke waren gebleven en of niet veel meer a a n d a c h t a a n dit wooncomplex voor 1800 studenten moest worden besteed. Om enig zicht op de problemen te krijgen, werd een commissie opgericht, die een advies moest opstellen over een mogelijke oplossing van de problemen. De commissie, waarin n a a s t welzijnswerkers ook enkele consuls en bewoners van Uilenstede zitting h a d den, kwam niet tot een duidelijk en eenstemmig oordeel over de situatie op Uilenstede. Het advies, dat de commissie tenslotte uitbracht, luidde: benoem een deskundige, die verder in de materie duikt en die voorts bijstand k a n verlenen a a n degenen, die zich op Uilenstede beijveren voor eèn goed woonklimaat: de consuls en de vrijwilligers van de huiskamergroep. Ook van de zijde van laatstgenoemden werd de wens n a a r kundige begeleiding kenbaar gemaakt, waarbij men zich liet inspireren door de Utrechtse situatie. Daar is bij de rijks-universiteit een agoog in dienst, die uitsluitend belast is met het bevorderen van een goed leefklimaat in studentenhuizen: o.a. door begeleiding van groepsprocessen en het helpen oplossen van conflicten. Tegen het aanstellen van een deskundige bestonden echter bezwaren: het is een min of meer definitieve stap en men moet dus goed weten, welke taak en positie de te benoemen functionaris zal hebben, en of hij wel permanent een dagtaak zal hebben. Daarom werd er de voorkeur aan gegeven een participerend onderzoek in te
DK. S. MANSHOLT spreekt op vrijdag 5 oktober des middags tydens de openbare leden vergadering van de vereniging lA.N. ter gelegenheid van haar Diës-natalis in de Waalse kerk over de Europese eenwording, gezien in het licht van de derde wereld problematiek.
stellen naar het soort hulpverlening, dat eventueel voor Uilenstede nodig is. Door de raad studentenaangelegenheden werd in april van dit jaar een desbetreffende opdracht gegeven aan drs. H. J. G. Verhallen, een free lance sociaal psycholoog. In deze opdracht werd gesproken van een onderzoekproject. Met deze term wilde men aangeven, dat het niet gaat om een zuiver onderzoek, maar dat de activiteiten tevens gericht dienen te zijn op de begeleiding van instanties en personen, die zich met het welzijn op Uilenstede bezig houden. De eerste fase van het project is inmiddels afgesloten. Het belangrijkste onderdeel van deze fase was een vergelijkend onderzoek van een aantal Uilenstede-
bewoners en een aantal kamerbewoners in de stad met de bedoeling een eventuele specifieke Uilenstede problematiek op het spoor te komen. De algemene conclusies van het onderzoek worden door de heer Verhallen als volgt geformuleerd: 1. De hypothese dat op Uilenstede meer eenzaamheid zou voorkomen dan onder vergelijkbare andere VU-studenten (lees: kamerbewoners) vindt in de onderzoeksresultaten geen ondersteuning. 2. Evenmin is bevestiging te vinden van de hypothese, dat Uilenstedebewoners in hun sociaal gedrag meer Invloed van hun medestudenten zouden ondervinden dan het geval zou zijn bij kamerbewoners. Wel worden meer veranderingen in opvattingen gerapporteerd, echter niet leidend tot een slechtere relatie met 'thuis'. De veranderingen in godsdienstige opvattingen komen by Uilenstedebewoners misschien iets meer voor dan by kamerbewoners. 3. Wat voor kamerbewoners soms afschrikwekkend is op Uilenstede, wordt door Uilenstedebewoners Juist dikwyis als reden genoemd voor het wonen aldaar. Met name geldt dit voor 'concentratie van studenten' versus 'contactmogeiykheden' en voor 'vryheid'. Een kwart van de Uilenstedesteekproef geeft als een van de re-
Vervolg op pag. 3
duurste groep, het wetenschappelijk personeel, vormt 43% van het totale personeel van de universiteit. Beheersing en bewaking van deze middelenfactor is het belangrykste instrument voor universitair en facultair beleid. De van de faculteiten gevraagde gegevens draaiden vooral om dit punt. Over de besteding van staftyd is — ook na het verzamelen van deze gegevens — nog onvoldoende te zeggen. Er zal wel niet aan te ontkomen zyn dat op korte termyn zo expliciet mogeiyk boven-grenzen voor het onderwysprogramma en de begroting van onderwyskosten (inclusief tyd) worden vastgesteld, ter bescherming van het onderzoek. Een dergeiyk tegenstuur tegen het streven naar onderwyskundig gezien optimale activiteiten lykt wel nodig, nu onderwyskundige verbeteringen — terecht — veel aandacht krygen. Daarmee samenhangend zullen duideiyke afspraken gemaakt moeten worden over de criteria voor de berekening en verdeling van onderwyslasten; vooral wat tyden van voorbereiding betreft is dat onvermydeiyk.
De tweede geldstroom In IV werd aandacht besteed aan de mogeiykheden tot vergroting van de begrotingsruimte. Kwantitatief en kwalitatief is daarby het aandeel van de Vrye Universiteit in de verdeling van de 'tweede geldstroom' van groot belang; het gaat om steim voor wetenschappeUjk onderzoek, met niet geringe bedragen. De over dit punt verzamelde gegevens wyzen er niet op dat in de Vrye Universiteit thans voldoende gebruik gemaakt wordt van de mogeiykheden die de tweede geldstroom biedt. In het algemeen lykt het zo te zyn dat het onderzoek in het gedrang is gekomen; de faculteiten klagen daar ook over. Aangenomen zou dus kunnen worden dat de faculteiten binnen hun huidige formatie onvoldoende ruimte voor wetensclaappeiyk onderzoek hebben. Hoe komt het dan dat het aandeel van de Vrye Universiteit in de steun van Z.W.O. en soortgeiyke instellingen zo laag is? Worden er uit de faculteiten van" onze imiversiteit zo weinig aanvragen ingediend? Worden er zo veel aanvragen uit de Vrye Universiteit door ZWO afgewezen?
Vervolg op pag. 3
Samenstelling: Bureau pers en voorlichting. De Boelelaan 1105 (Postbus 7161) Amsterdam, tel. 48 26 71, Kopü, niet bestemd voor de mededelingenrubriek, moet (getypt) ulteriyk maandagmorgen om 10 uur binnen zUn. Advertenties: J. a . Duyker, Amaterdamseweg 397. Amstelveen. Postbus 22S. Tel. 020-43 2615: bgg 431810.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973
Ad Valvas | 370 Pagina's