Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 167

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 167

2 minuten leestijd

3

AD VALVAS — 1 FEBRUARI 1974

Studenten en hun rooie ruggen (2)

Door Ruud Soeter

KLEIN'S STUDIEFÏNCIERING LOST PROBLEMEN NIET OP In de serie artikelen over de studiefinanciering deze week een kritische beschouwing over de nieuwe voorstellen van staatssecretaris Klein met betrekking tot de studiefinanciering. Hierbij wordt de nota getoetst a a n de vorige week genoemde bezwaren tegen het huidige beurzenstelsel.

De voorstellen voor een nieuw stelsel van studiefinanciering die staatssecretaris Klein vorige week m zijn 'Nota Studiefinanciering' heeft gedaan komen sterk overeen met het minderheidsvoorstel dat mej. Van Lanschot, thans adviseur in zake studentenzaken van het Utrechtse college van bestuur, in der tijd (1969) in de Commissie Andriessen heeft gedaan. Het voorstel van Van Lanschot had een zelfde hybridisch karakter als dat van Klein nu heeft, omdat het een combinatie van studieloon en rentedragende leningen Is. Klein wil een 'basisbeurs' voor alle studenten, 'die voldoende voortgang maken met hun studie, in plaats van kinderbijslag en kinderaftrek aan de ouders' van 3000 gulden, inclusief een 'onderwijsbijdrage' van 500 gulden, die-in de plaats komt van het collegegeld. Studenten met minder draagkrachtige oudei-s (inkomen tot 15 625 gulden) kunnen een extra beurs krijgen van 2500 gulden. Indien de ouders meer verdienen (tot 31.250 gulden) kunnen hun studerende kinderen een gedeeltelijke extra-beurs krijgen, waai-van de hoogte wordt bepaald door het ouderlijk inkomen. Om — onafhankelijk van hun ouders — toch aan het mxaimum van 5500 <;ulden te komen kunnen ze een i.anvullende rentedragende lening afsluiten Dat geldt ook voor -tudenten die in het geheel niet voor een rentedragende lening in lanmerkmg komen. (Voor thuiswonende studenten gelden andere bedragen: een basisbeurs van 2200 en een maximum van 4000 gulden). Alle studenten kunnen boven het maximum van 5500 gulden tegen rente een bedrag lenen tot een totaal van 7000 gulden. In plaats van geld lenen, mag men het ook verdienen. De grens voor bijverdiensten ligt op 2000 gulden. AFHANKELIJKHEID VAN DE OUDERS BLIJFT Deze voorstellen zullen, in praktijk gebracht, slechts ten dele verbeteringen brengen ten opzichte van het huidige beurzenstelsel. Wat betreft sommige punten is er sprake van een achteruitgang. '3én van de kriteria, waaraan op basis van ervaringen met het huidige beurzenstelsel (zie 'U' van 18 -anuari 'Studiefinanciering moet

KORTE BERICHTEN STUDIEDUUR De Universiteitsraad van Utrecht wil de studieduur per studierichting vaststellen en niet voor alle richtingen een maximaal gelijke studieduur, zoals in de Wet Herstructurering Wet. Onderwijs staat.

billijker en simpeler') een nieuw systeem getoetst moet worden, is de afhankelijkheid van de ouders. In het vigerende systeem zijn bursalen (indirect) afhankelijk van hun ouders omdat de hoogte van hun beurs wordt bepaald door het ouderlijk inkomen, Kiet-bursalen zijn direct afhankelijk, omdat de ouders hun geld moeten geven. Het voorstel van Klein alle studenten een basisbeurs van 3000 gulden te geven is een vermindering van de afhankelijkheid van de ouders Helaas blijft er echter sprake van afhankelijkheid omdat studenten die in aanmerking komen voor een extra-beurs, de hoogte daarvan bepaald zien door het inkomen van de ouders (indirecte afhankelijkheid). Ook de directe afhankelijkheid, die thans in de praktijk voor de meeste problemen zorgt, blijft gehandhaafd. Studenten namelijk die niet in aanmerking komen voor een extra-beurs zijn financieel aangewezen op hun ouders of ze moeten om hun afhankelijkheid te bewaren geld gaan lenen. Hetzelfde geldt voor- het bedrag boven het maximum van 5500 gulden: men kan het van de ouders krijgen, zelf verdienen of van de ouders vragen. Klein zelf heeft van het niet-verdwijnen van de afhankelijkheidsrelatie student-ouders gezegd dat hij te kiezen had tussen bevordering van de externe demokratisering en de onafhankelijkheid van

de student. Maar door invoering van rentedragende leningen (rente doet de studieschulden cumulatief oplopen) is er beslist geen sprake van stimulering van de externe demokratisering. Rente doet namelijk de studieschuld cumulatief oplopen, waardoor er een financiële barrière aan het beging van de studie komt. De vraag immers of men een studie met succes kan afsluiten is niet vooraf te beantwoorden. Ongeveer veertig procent van de studenten studeert nooit af. Degenen die afvallen moeten echter wel hun schulden af betalen, terwijl hun inkomen in veel gevalien lager zal

zijn dan van academici. De kans niet te slagen en een hoge schuld te hebben, zal een argument kunnen zijn om maar niet te ga^an studeren. Waarschijnlijk rekent Klein erop via de invoering van een selectieve propedeuse een greep te krijgen op de studentenstromen, waardoor de grootste studentenafval al na één jaar plaats zou vinden. Het probleem van de sudieschulden voor mensen die het niet halen zou daardoor minder nijpend worden, maar aan de invoering van een selectieve propedeuse zijn weer andere (principiële en praktische) bezwaren verbonden. In zekere zin motiveert Klein de invoering van rentedragende leningen door te wijzen op de externe democratisering. Rentedragende leningen bevorderen de demokratisering niet, maar maken de student bovendien afhankelijk van commerciële banken. Overigens: de uitkering van een bedrag in plaats van de kinderbijslag direct aan de studenten mag een vooruitgang zijn, maar terwijl thans kinderbijslag een wettelijk recht is, waarbij alleen leeftijd en inkomen bepalend zijn wordt de uitkering in de toekomst gekoppeld aan de studieprestaties en na mislukken van de studie kan men geen aanspraak meer maken op kinderbijslaguitkeringen. MEER ZEKERHEID Een duidelijke verbetering ten ^opzichte van de huidige situatie is ook het opheffen van het verschil tussen WO- en HBO-studenten. Deze nivellering ts echter ten koste gegaan van de hoogte van alle uitkeringen. Na aftrek van de

onderwijsbijdrage van 500 rest 5000 gulden. Het huidige beursmaximum (voor WO-studenten) is 6130 gulden en dit bedrag is aangevochten omdat op basis van budgetonderzoeken een student ongeveer 600 gulden meer zou moeten krijgen. In een toelichting heeft Klein echter verklaard dat hij niet denkt: aan een verhoging: 'Ik heb een totale pot van 625 milioen. Daarbinnen kan men eventueel schuiven, maar ik dacht dat de mogelijkheden daarvoor klein waren'. Gunstig in de nota is het optrekken van de grens voor biiverdiensten tot 2000 gulden. Beur<=Ktudent^ -> mogen nu slechts 740 gulden bjj verdienen. MR ar mPt pn dergeliik laag beursbedra?. is deze verhoging alleszins redelijk. Klein wil de studiefinanciering wettelijk regelen. Ook dit moet een vooruitgang genoemd worden, omdat de (rechts) zekerheid van de student er mee gebaat is. Wijzingen in het huidige stelsel worden per circulaires door ambtenaren opgesteld aangekondied. De toekenningsnormen zijn meestal onbekend en ook de hooate is tot september een verrassing Met meer informatie en minder Ingewikkelde regels zouden veel problemen voorkomen kunnen worden. Klein mikt erop dat zijn stelsel in 1975-'76 ingevoerd kan worden. Voordien wil hij al verand erin sren aanbrengen in het huidige hurzenstelsel. De komende maanden echter zal de nota eerst bediscssieerd worden, hoewel Klein de indruk wekt dat zijn plannen definitief zijn en dat er van ingrijpende wijzigingen geen sprake meer zal zijn

RENTEDRAGENDE STUDIELENINGEN VIA BANKEN Meerderjarige studenten — tot 36 jaar — in het wetenschappelijk onderwys en hoger beroepsonderwijs kminen — voor zover zij geen bursalen zijn — voortaan in aanmerking komen voor een rentedragende studielening, te sluiten bij een bank. De rentebetaling en aflossing van de leningen vinden plaats na beëindiging van de studie. De Staat der Nederlanden staat tegenover de banken borg voor deze studieleningen. De minister van onderwijs en wetenschappen stelt voor elk studiejaar de maximum en minimum bedragen van de studieleningen vast. Voor het studiejaa? 1973/1974 is het maximum vastgesteld op ƒ2.800,— en het minimum op ƒ 500,—. De minister van financiën bepaalt voor elk kalenderjaar het geldende rentepercentage op basis van het gemiddelde effectieve rendement op een aantal staatsleningen. Voor het jaar 1974 bedraagt de rente 8 pet. 'De leningen vormen een faciliteit naast (en niet in de plaats van) het tegenwoordige rijksstudietoelagenstelsel en zijn bedoeld als eerste aanzet van een nieuw systeem van" studiefinanciering.' Aldus blijkt uit een nota die staatssecretaris dr. G. Klein (onderwijs en wetenschappen) op 10 december 1973 btj de Staten-Generaad heeft ingediend.

STUDIEBEURS De Stichting Fonds Doctor Catharine van Tussenbroek wil een Nederlandse vrouw met een (bij- ' na) voltooide universitaire opleiding een studiebeurs geven voor Borgstellingsovereenkomst een gespecialiseerd wetenschappeOm deze studieleningen mogelijk lijk onderzoek in of buiten Nederte maken heeft de Staat der Neland. Sollicitaties in tienvoud (lederlanden borgstellingsovereenvensbeschrijving, studieplan, refekomsten gesloten met een aantal renties) voor 1 mei: E. D. Schoubanken, die bereid zijn studiefour-Wolter, Van Boshuizenstraat leningen te verstrekken. Deze 255, Buitenveldert. banken zijn: Algemene Bank Nederland N.V. • Amsterdam-Rotterdam Bank N.V. VERS VOOR DE PERS Bank Mees ^Hope N.V. Banque de Paris et des Pays-Bas Op 6 feb. wordt een informatiebeurs gehouden van uitgeverijen N.V. voor pers, radio en televisie, waar Crediet- en Effectenbank N.V. voorgelicht zal worden over de te Hollandse Koopmansbank Linpverschijnen uitgaven. mann Rosenthal N.V.

Van der Hoop, Offers Zoon N.V. F. van Lanschot, Bankiers Nederlandse Credietbank N.V. Nederlandse Middenstandsbank N.V. Pierson, Heldring Pierson N.V. Sallandsche Bank N.V. Slavenburg's Bank, alsmede de meeste Rabobanken en een belangrijk aantal Bondsspaarbanken. Aenvragen De lening zal alleen worden toegekend aan Nederlanders die in ons land wonen en studeren aan een in Nederland gevestigde instelling van wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs. Een (vóór 1 september van het betreffende jaar) meerderjarige, nog geen 36-jarige student heeft ^ recht op een lening als hij bevredigende studieresultaten heeft behaald. De studie/opleiding waarvoor een studielening wordt aangevraagd moet van het betreffende studiejaar tenminste 9 maanden in beslag nemen. Wie voor het studiejaar 1973/1974 voor een studielening in aanmerking wenst te komen kan dit uitsluitend doen door zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval vóór 1 mei 1974, een aanvraag in te dienen. Aanvraagformulieren zijn te verkrijgen bij de onderwijsinstelling waar men studeert. Tevens ontvangen de aanvragers daar een uitvoerige toelichting. Rechtstreekse indiening van de aanvraag bij de hoofdafdeling Rijksstudietoelagen is niet mogelijk. Terugbetaling Twee jaar na beëindiging van de studie moet de student beginnen met het aflossen van de schuld en het betalen van de rente. Dit zal gebeuren in de vorm van een vaste annuïteit, waarbij het rentepercentage voor vijf jaar wordt vastgesteld. Vervroegde aflossing

is steeds mogelijk. De aflossingsperiode is afhankelijk van de hoogte van de opgebouwde schuld (inclusief rente), alsmede van de studie/opleiding waarvoor de studielening is verstrekt. Indien de lening is aangegaan door een student wetenschappelijk onderwijs en de schuld respectievelijk

a. Een student wetenschappelijk onderwijs leent gedurende de laatste twee jaren van zijn studie een bedrag van 2.800,— per jaar tegen een rente van bijv. 8 pet. Op het tijdstip van afstuderen bedraagt de studieschuld ca. ƒ 6.300. Indien de terugbetaling twee jaar na beëindiging van de studie aan-

kleiner is dan ƒ 10.000,-— ligt tussen ƒ 10.000,— en ƒ 20.000,— groter is dan ƒ 20.000,—

bedraagt de aflossingstermijn 10 jaar 20 jaar 20 jaar

Indien de lening is aangegaan door een student hoger beroepsonderwijs en de schuld resp.

vangt — de studieschuld is dan opgelopen tot ca. ƒ7.400,— bedraagt het gedurende 10 jaren

kleiner is dan ƒ7.500,— ligt tussen ƒ 7.500,— en ƒ 15.000,— groter is dan ƒ 15.000,—

bedraagt de aflossingstermijn 10 jaar 15 jaar 20 jaar

Bovenstaande grenzen kunnen periodiek aan wijzigingen van de koopkracht van de gulden worden aangepast. Er wordt voorzien in de mogelijkheid van een bijzondere terugbetalingstermijn in uitzonderlijke gevallen. Bi) overlijden of blijvende invaliditeit kan een regeling worden getroffen voor de nog openstaande schuld. Voor wie de verplichtingen van aflossing en rentebetaling gedurende de eerste twee jaar van de terugbetalingsperiode te zwaar zijn, bestaat de mogelijkheid om. in overleg met de bank die de lening heeft verstrekt, opschorting te verkrijgen op het dan te betalen bedrag van de jaarannuïteit. In dat geval zal filleen de rente over de uitstaande studieschuld moeten worden betaald. Indien hiertoe wordt besloten, betekent dit echter wel dat de bedragen die gelden voor de rest van de terugbetalingsperiode overeenkomstig hoger zijn dan de bedragen bü de vaste annuïteit. Ter illustratie van de terugbetalingsverplichtingen volgen hieronder twee voorbeelden.*

jaarlijks te betalen bedrag aan rente en aflossing ca. ƒ 1.100,—. Zou deze student per jaar de helft van ƒ2.800,— = ƒ1.400,— hebben geleend, dan zou het jaarlijks terug te betalen bedrag eveneens de helft bedragen en wel ca. ƒ 550,—. b. Een student hoger beroepsonderwijs leent gedurende 4 jaren van zijn studie een bedrag van ƒ2.500,— per jaar tegen een rente van bijv. 8 pet. Op het tijdstip van afstuderen bedraagt de studieschuld ca. ƒ12.200,—. Indien de terugbetaling twee jaar na beëindiging van de studie aanvangt — de studieschuld is dan opgelopen tot ca. ƒ 14.200,— bedraagt het gedurende 15 jaren jaarlijks te betalen bedrag aan rente en aflossing ca. ƒ 1.650,—. {Gezamenlijk persbericht Ministeries van O. en W. en Financiën) * Zoals in het persbericht is vermeld, wordt het rentepercentage periodiek opnieuw vastgesteld. Door rentewijziging kunnen de in deze voorbeelden genoemde bedragen aanzienlek gaan afwijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 167

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's