Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 103

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 103

12 minuten leestijd

AD VAL VAS — 23 NOVEMBER 1973

HET OVERLEG BIJ DE VRIJE UNIVERSITEIT Georganiseerd overleg voorlopig noodzaak bij gebrek aan goed Ondanks dat het overleg een rijke geschiedenis heeft is deze situatie bij de VU nog jong. De wetgever heeft in artikel 125 van het rijksambtenarenreglement de rechtsplicht opgelegd om je regelen de wijze waarop verenigingen van a m b t e n a r e n de gelegenheid wordt gegeven h u n mening te zeggen. Dit gaat altijd via de door de regering aangegeven c.q. toegelaten centrale vakorganisaties. Het overleg s t a a t op h e t ogenblik nogal in de belangstelling en er zijn d a n ook verschillende alternatieven mogelijk. Indien de ongeorganiseerden de concurrentie aandurven, kunnen zij als de vakorganisaties zich wat minder polariserend opstellen, mee participeren in het overleg. Het feit dat er ruilacties plaats vinden zowel binnen als buiten de organisatie rechtvaardigt d a t er vakorganisaties blijven bestaan omdat deze de marktpositie van de enkeling versterken. De centrales van georganiseerd overleg hebben voorlopig meer toekomst dan welke alternatieve vorm dan ook. Dit zijn enkele conclusies die getrokken kunnen worden n a de jaarvergadering die de NCBO groep VU op 13-11-73 gehouden heeft. Overleg heeft rijke geschiedenis

Het instituut (georganiseerd overleg) heeft in Nederland een rijke ',eschiedenis. Het dateert uit de üjd van kort na de Ie wereldoorlog, waarbij Amsterdam de primeur voor een gemeentelijke commissie van overleg tb.v. de werklieden' waarna later de ambtenaren volgden. Men heeft nl. bedoeld (ook bij de VU) een orgaan te scheppen waar door 2 partijen overleg wordt gepleegd over arbeids en I iienstvoorwaarden. ßij de VU kwam pas na 1961 een geïnstitutionaliseerde vorm van net overleg tot stand. Strikt formeel gesproken, dus analoog aan het rijksambtenarenreglement, loen de centrales van overheid en onderwijzend personeel (de representanten van het personeel) hun gevoelens kennen. De wetgever heeft in atrikel 125 van het rijksambtenarenreglement de rechtsplicht opgelegd om te regelen de wijze waarop verenigingen van ambtenaren de gelegenheid wordt gegeven hun mening te neggen. Dit gaat altijd via de door de regering aangewezen cq. toegelaten centrale organisaties. Oppassen voor brievenbusoverleg indien dat overleg goed wil funktioneren, dient zij rekening te houden met gevaarlijke 'overleglilippen'. Dit kan het geval zijn als één van de partners met een mandaat komt waar niets aan te veranderen valt. Deze situatie komt in Nederland nog herhaaldelijk voor. Een voorbeeld daarvan op centraal niveau is, toen ons vorige kabinet met een vooraf ingenomen standpunt met de centrales van overheidspei'soneel ging praten over de pensioenwetg^ving. Een ander gevaar is het gebruik als propaganda nl. het meer vragen dan de ander zal kunnen geven. Een ondernemingsraad bij VU?

De speelruimte voor het overleg bij de VU is betrekkelijk klein. Een groot aantal maatregelen die verband houden met de subsidievoorwaarden zijn zonder meer van overeenkomstige toepassing als fle rijksregelingen. Natuurlijk blijft er voldoende ruimte over, zeker als we kijken wat het werkprogramma wordt van de groep VU in 1974. Daar wordt genoemd: 1 Variabele werktijden 2 Struktuur personeelsraad AZVU 3 Aanstellingsbeleid, personeelsbeoordeling 4 gang van zaken binnen de VU mb.t. flexibiliteit en 'kortverbandvrijwilllgers' 5 huisvesting voor lager betaalden. Op de vrpag of een ondernemingsraad gewenst is bij de VU, kan verschillend gedacht worden. Hoeveel goden telt de VU?

Mbt. tot het personeelsbeleid merk ik op dat het bij de VU oen bijzonder moeilijk beleid is. Het frappeert mij iedere keer opnieuw, dat hier zoveel godies zijn die zichzelf tot afgodjes maken. Dit kan dikwijls het beleid, wat naar mijn mening zo centraal mogelijk moet worden gevoerd, ernstig bemoeilijken. Ik vind dan ook dat aan die centrale personeelsdienst de bevoegdheden moeten worden gegeven waardoor het mogehjk wordt dat zij een beleid voorstellen aan de besturende instanties, waardoor een zekere gelijkheid bij alle faculteiten en centrale diensten kan ontstaan. Dit is de mening van de heer J- ten Heuvelhof (lid U.R. van de vereniging, burgemeester van Ha'/erswoude en oud-bezoldigd be-

stuurder van de NCBO) welke hij vertelde op de jaarvergadering van de NCBO groep Vrije Universiteit. De heer L. Paase (wetenschappelijk medewerker Erasmus Universiteit) die wij ook uitgenodigd hadden om over het thema 'Het Georganiseerd Overleg' te praten vertelde er het volgende over: Democratie geen doel maar middel Fundamenteel voor een beschouwing over de functie van het overleg nu en in de toekomst is het proces van democratisering dat zich afspeelt in vele sectoren van onze samenleving. Democratie, het participeren in de beslissingen, die via bestuur en beleid waar dan ook over ons worden genomen, leren we pas de laatste tijd kennen. Juist in de werksituaties moet de mens zich ten volle leren ontplooien niet zozeer omdat werken zo'n fundamentele waarde is maar juist omdat wij in moeten zien dat in het werk fundamentele menselijke waarden tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Democratie is geen doel in zichzelf maar een middel dat geleerd moet worden om verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor onszelf en voor onze naasten. Mentaliteit essentieel

In de analyse van de arbeidsorganisatie als maatschappelijk instituut verschuiven de accenten van de externe functies (voortbrengen van goederen en diensten) naar de interne functies. Het proces van democratisering is niet onopgemerkt aan de universiteiten voorbijgegaan. Integendeel het zijn vooral de interne verhoudingen die ter discussie zijn gesteld. Er zijn democratische bestuursorganen gecreëerd van vakgroepen tot universiteitsraad, die in zich de potentie hebberr een zekere democratie in de werksituatie te bewerkstelligen. De mate waarin deze structuren werkelijk effectief zullen zijn, hangt af van de democratische mentaliteit, waarmee men te werk zal gaan. Personeelsbeleid universiteiten nog in kinderschoenen

Het is gewenst dat een speciaal overlegorgaan zich permanent bezighoudt met het personeelsbeleid binnen de organisatie, omdat anders gevreesd moet worden dat dit aspekt in de totale beleidsproblematiek een ondergeschikte rol zal spelen. Daarom wil ik wijzen op de noodzaak van een stuk functionele decentralisatie, dus geen spe-

ciale organisatie die zich met deze problemen permanent bezighoudt. Het personeelsbeleid aan de nederlandse universiteiten en hogescholen staat nog in de kinderschoenen (drs. B. Vlake in Intermediair 11-5-'73). Het Is essentieel dat die speciale organisatie om haar advies en overlegfunctie kritisch uit te voeren zich voorlopig buiten de formele bestuursstruktuur houdt. Uiteindelijk zjjn in laatste instantie de' U.R. en het college van bestuur de werkgeverspartij. Als twee r u i t e n . . .

Een nieuwe sociologische visie op de Arbeidsorganisatie maakt onderscheid tussen markt en organisatie-verschijnselen. Op de arbeidsmarkt manifesteren zich de marktpartijen als ruilrelaties, terwijl in de arbeidsorganisatie ruil plaats maakt voor samenwerking. Het ruilaspect is echter hiermee niet van de baan. De werknemer blijft de (arbeids) markt in de gaten houden en vergelijkt voortdurend zijn kansen op de arbeidsmarkt met zijn positie in de organisatie. Ook birmen de organisatie is dat verschijnsel te herkennen; promotie, bevorderingen, overplaatsing accentueren een interne marktsituatie. Die ruilrelaties hebben de functie de arbeidsposltie te verbeteren (niet alleen financieel). Wie een sterke marktpositie heeft, kan een sterke arbeldspositie claimen, wie een zwakke marktpositie heeft, raakt in de knel. Wie zich organiseert in een vakbond verstevigt daarmee zijn marktpositie en dus ook een sterke positie binnen de organisatie. Hieruit blijkt dat de vakbonden met hun overlegorgaan' als een werkelijk marktfiguur kunnen functioneren tegenover het college van bestuur. Dit kan niet als die vakorganisaties ontbreken, omdat dan (zoals b.v. bij de U.R.) de mensen door de struktuur zelf worden opgeslokt, in de pas moeten lopen, en daarom hun effectiviteit verliezen. Soms conflict noodzakelijk

Wat betekent het voor het overlegorgaan dat zij zich beweegt op het grensgebied tussen markt en organisatie? Ik dacht, naar de werkwijze, kritische distantie t.o.v. het beleid van de U.R. en C.v.B. Hoewel het juist is dat we door middel van overleg aansturen op harmonische verhoudingen binnen de universiteit, moesten we niet te veel aansturen op harmonische samenwerking in het overleg. In het overleg orgaan is immers een permanente conflictsituatie tussen werkgever en werknemer geïnstitutionaliseerd. Hiermee wil ik niet de klassestrijdgedachte via een achterdeur binnenhalen. De praktijk leert hoe moeizaam de commimicatle tussen werkgever en werknemer kan verlopen, wanneer de laatste een bepaalde wens (b.v. om variabele werktijden) deponeert. Gereglementeerd overleg acht ik nodig om een strijdvaardig beleid te kunnen voeren en men moet niet denken dat men zijn eigen boontjes wel kan doppen. Dit betekent dat de leden van het overleg opereren vanuit een andere loyaliteit en ook met een ander soort deskundigheid dan welke van hen wordt vereist vanuit de arbeidsorganisatie. Het is mijn

alternatief

stellige overtuiging dat het overleg in de huidige situatie alleen mogelijk is binnen de objectiverende inbreng van de vakorganisaties, met name waar het gaat om Informatie over overlegzaken aan andere universiteiten, andere niveau's, kennis van het ARAR, juridisch getinte aangelegenheden e.d. Is er toekomst voor het georganiseerd overleg

Hierbij kimnen we een paar kernpunten naar voren halen. Het heeft weinig zin te praten over de representativiteit, de centrales van overheidspersoneel bepalen in nederland het institutionele i-limaat, waarbinnen de rechtspositie van de ambtenaar tot stand is gekomen. Ongeorganiseerden profiteren hiervan mee. De vakbeweging moet mogelijk onderzoeken of ongeorganiseerden in het plaatselijk overleg zouden kunnen participeren. De ongeorganiseerden moeten deze concurrentie aandurven. In de 2e plaats moet het overlegorgaan een stuk dienstbetoon voor de gehele universitaire gemeenschap kiuinen Inhouden. In de 3e plaats zal juist een polariserende houding van de kant van de georganiseerden meer potentiële leden afschrikken dan aantrekken. Het is betreurenswaardig dat bij sommige groeperingen binnen

onze gemeenschap eigent>elang of beroepsbelang prevaleert boven meer bredere en algemener belangen. Wij moeten wel waken dat wij zelf door onze opstelling t.o.v. de imiversitalre problematiek, of In wijder verband t.o.v. de samenwerking met andere bonden (denk aan de federatieplannen) ons niet exclusief gaan gedragen en daardoor juist die belangen laten prevaleren boven universitelts of samenlevingsbelang. In de 4e plaats is het mogelijk dat de universiteit zichzelf zover ontwikkelt dat zy de vakbeweging op het niveau van de universiteit overbodig maakt. Er zal dan wel aan een paar voorwaarden voldaan moeten worden. Er dient dan een personeelsbeleid te komen dat geïnt^reerd ia in het totale beleid van de universiteit. Nog belangrijker Is echter dat de democratisering op basisniveau gestalte krijgt, vooral in de centrale diensten. Maar op korte termijn is dat naar mijn mening onmogelijk, te meer daar het hier niet alleen om structurele voorwaarden gaat maar ook om een mentaliteitskwestie. Niet voor niets hebben personeelsfunctionarissen die een progressief beleid gestalte wUlen geven, het vooral moeilijk met de lagere staffimctionarissen. Ik vrees dat het georganiseerd overleg meer toekomst heeft dan wat een toekomstig alternatief zou kunnen zijn, nl. een commissie voor personeelsaangelegenheden, welke qua positie vergelijkbaar zou zijn met het college van decanen, gekozen door het personeel van de faculteit. J. PH. MUSCH Lid NCBO-groepsbestuur

Vervolg van pagina 2

BROEKMEIJERS WETENSCHAP OF DEMOKRATIE opvangorganen gepropageerd, waarmee konfUkten die rtjzen in de onderwijs- en onderzoeksituatie, mogelijk leidend tot isolement van een docent t.o.v. demokratische organen — kennelijk als konflikten van persoonlijke aard worden opgevat, waarmee ook 'ontsnappingsmogelijkheden' worden gekreëerd, waarmee voorts mogelijke oplossingen buiten de sfeer van onderwijs en onderzoek ten onrechte worden gesuggereerd. Bedoelingen Broekmeijer put voor zeven van zijn voorstellen argumenten uit de Memorie van Toelichting en de Memorie van Antwoord van de WUB. Selektie van passages is daarbij niet van de lucht. Op wezenlijke punten is zijn wetsinterpretatie zelfs onjuist. Zo kwam OUvier, de sekretaris van de kommissie Polak, die voor de minister o.m. de WUB moet evalueren, n.a.v. vragen van de VSPVU, m.b.t. de kompetenties van (sub)fakulteltsraden, vakgroepsbesturen en onderwijs- en examen kommissies aangaande beslissingen, vaststelling en initiatieven op het gebied van onderwijsprogramma's en examenregelingen tot konklusles, die lijmrecht tegenover Breekmeijer staan. Wil Broekmeijer middels zijn voorstellen zoveel mogelijk kompetentie l ^ g e a bij de vakgroepsbesturen en het wetenschappelijk personeel in vaste dienst, Ollvier kent de (sub)fakulteitsraad i.h.a. de hoogste kompetentie toe. Daarbij komt dat juist het niet overal wettelijk Ingevuld zün van kompetenties en samenstellingen op zich een belangrijke bedoeling van de wetgever, zoals regeling daarvan door alle betrokkenen, zou kunnen verraden. Als belangrijkste kritiek op de werkwijze van Broekmeijer c.s. geldt echter dat hij slechts juridische basis zoekt bij de wetgever, en geen argumenten ontleent aan doelstelUngen van en eisen aan onderwijs en onderzoek. En daar is de demoki'atisering juist om begonnen. En is het niet diezelfde wetgever die maatregelen als de herstrukturering volgens Postumus, ondemokratische planning volgens McKinsey, en een volledig inadekwaat studiefinancieringssysteem vooi-stelt? Die een stringent bezuinigingsbeleid voert, allerhande stops Instelt en inkrimpingen en verslechteringen voor alle bij het onderwijs betrokkenen veroorzaakt? In die zin zijn de bedoelingen van de 'wetgever' niet mis te verstaan, niet In het minst ook

een bedreiging van de belangen van de docenten. De opmerking In de brochure: 'komen de bedoelde aanvullingen en verduidelijkingen niet tot stand, dan worden de Nederlandse instellingen van wetenschappelijk onderwijs zowel in wetenschappelijk als tn demokratisch opzicht ernstig bedreigd', getuigt dan ook van een volledig gebrek aan Inzicht In waar de schoen werkelijk knelt. Slechts sterke, demokratische eenheid op de universiteit kan de belangen van het wetenschappelijk onderwijs verdedigen en hard maken. Freiheit der Wissenschaften

De bedoelingen van Broekmeijer en volgeUngen worden door het voorgaande echter toch opeens een stuk duidelijker. Het gaat hen kennelijk niet om de verbetering van het onderwijs en de kwalifikatiemogelijkheden van de (a.s.) student. Het gaat hen primair om de handhaving resp. herstel van him wetenschapsopvatting in het onderwijs. Een wetenschapsopvattmg die blijkbaar onverenigbaar Is met gedemokratlseerd onderwijs, autoritair monopolie van docenten vereist en patriarchale individuele beoordeling (c.q. aanpassing) van studenten. Het initlatief-Broekmeijer doet dan ook sterk denken aan de West-Duitse Bund Freiheit der Wissenschaften, en organisatie van reaktlonaü-e hoogleraren, die dezelfde twee argumenten hanteert (vrees voor kommunisten en nivoverlaging van het onderwijs) en het konstitutionele hof van Karlsruhe zelfs tot de uitspraak bracht, dat medebeslissingsrecht van studenten in strijd zou ziJn met de grondwettelijk' vastgelegde 'akademische vrijheid'. Een vrijheid van enkelen dus dus om hun 'wetenschappelijke' monopoliepositie te vrijwaren van demokratische kontrole. Omgekeerd zou men moeten stellen dat dit soort 'akademische vrijheid' In strijd is met demokratische rechten, en daarom een doodgeboren kindje zou moeten zijn. Op 1 november werd, sterk bevorderd door de BFW in Berlijn, de wet op het wetenschappelijk onderwijs, resultaat van de demokratiseringsakties, teruggeschroefd. Hopelijk, en daar ziet het voorlopig wel naar uit, blijft het in Nederland bü de 200 van Broekmeijer. De belangen van het wetenschappelijk onderwijs zijn, juist in deze politieke situatie, slechts gebaat bü een sterke demokratische eenheid op de universiteit. ANDRE KNOTTNERUS

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's

Ad Valvas 1973-1974 - pagina 103

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973

Ad Valvas | 370 Pagina's