Ad Valvas 1973-1974 - pagina 81
21e JAARGANG
9 NOVEMBER lO'JS
NUMMER 10
ËÉlÉllHTi'i'
f'C''
ii
I
r\. \ *« .d.-*"*
\A/ËEKBLAD\/RlcJE%Jr\ll\/EF!SI^Et"W
BEWINDSLIEDEN IN MEMORIE VAN ANTWOORD:
HOOFDLIJNEN WETSONTWERP HERSTRUCTURERING WORDT GEHANDHAAFD In maart van dit jaar bracht de vaste Tweede Kamer-commissie voor wetenschapsbeleid en wetenschappelijk onderwijs (w.o.) haar zeer uitvoerig voorlopig verslag op het wetsontwerp herstructurering w.o. uit. Zojuist hebben de ministers Van Kemenade (O en W), de minister van Landbouw en Visserij en staatssecretaris Klein hun hierop volgende memorie van antwoord gepubliceerd. Bij die memorie van antwoord hoort ook een nota van wijzigingen van het wetsontwerp. Uit beide stukken blijkt dat de bewindslieden de hoofdlijnen van het wetsontwerp.handhaven. Beide stukken zijn ook in het kabinet behandeld. Vastgehouden wordt aan — de regel van een eenjarige cursusduiu" voor de propedeutische fase en de regel van een driejarige cursusduur voor de daarop volgende doctorale fase; — de regel dat de inschrijvingsduur voor de propedeutische fase maximaal twee jaar is en die voor de doctorale fase maximaal vier jaar; — de regel dat er slechts postdoctorale beroepsopleidingen voor aanstaande artsen, tandartsen, dierenartsen, farmaceuten, accountants en psychologen zijn of komen (-en niet meer); — de introductie van twee nieuwe categorieën postdoctorale mogelijkheden voor het aldoende leren van het verrichten van zelfstandig wetenschappelijk onderzoek, t.w. het eenjarige 'researchstudentschap' en het drie- tot maximaal vierjarige 'assistentonderzoekschap'; — de opzet van het postacademisch onderwijs voor 'levenslange' na- en bijscholing voor afgestudeerden. Maar er zijn ook wijzigingen. Propedeuse
In de eerste plaats hebben de bewindslieden zich nader bezonnen op de grondslagen van de propedeuse. De propedeuse, zo menen zü, mag niet slechts als een 'voorhof' van de daarop volgende doctorale fase beschouwd worden. De propedeuse is, als je het ia het kader van de longitudinale leerstofontwikkeling plaatst, net zo goed een verlengstuk van de laatste jaren van het vwo. Wat is de propedeutische fase eigenlijk? Het is, zo antwoorden de bewindsUeden, de periode, waarbinnen de student in staat gesteld wordt aan die voorwaarden te voldoen die nodig zijn om het doctorale programma te kunnen volgen. Volgens hen worden terecht bezwaren gemaakt tegen het aannemen van de mogelijkheid, dat nü al een sterke correlatie tussen de studieprestaties tijdens de propedeutische en die tijdens de daarop volgende fase zou bestaan. Aan de betrouwbaarheid van de huidige mogelijkheden tot pre- . dictieve toetsing wordt met andere woorden terecfit getwijfeld. In deze gedachtengang betekent het behalen van het propedeutisch examen dan ook niet dat daarmee automatisch een 'slaaggarantie' voor het doctoraal examen gegeven wordt.
Uiteraard is het wel mogelijk om vast te stellen of de student aan de voorwaarden heeft voldaan, die bü het propedeutisch examen gesteld worden. In dit licht dient de selectieve functie van de propedeuse gezien te worden. De eisen bü het propedeutisch examen moeten afgeleid worden uit de kernelementen van het latere doctoraal of eventuele postdoctorale beroepsexamen van de studierichting in kwestie. En dus niet uit de elementen, die in de loop 'van eventuele accenten (specialisaties, 'varianten') in de verdere studie aan de orde komen. Het propedeutisch examen moet vroegtijdig plaats vinden. Dat moet vooral gebeuren om de student een effectief advies te geven over de voortgang van zijn of haar studie. Nu zou er daarvan weinig terecht komen als de mogelijkheid die het wetsontwerp tot dusver biedt om het propedeutisch examen over twee jaar te spreiden of tot het eind van het tweede jaar uit te stellen, gehandhaafd zou worden. De bewinslieden hebben dan ook een nieuwe regeling voorgesteld: iedere student is verplicht om het propedeutisch examen voor de eerste keer een het eind van het eerste (inschrijvings)jaar af te leggen. Als een student aan het eind van het eerste jaar voor het propedeutisch examen zakt, heeft hij of zij hoe dan ook nog één inschrijvingsjaar om het nog eens te proberen. Slaagt een student aan het eind van het eerste jaar, dan gaat hij of zü over naar de doctorale fase. De inschrijvingsduur is in dat geval gelijk aan de cursusduur. Het is met andere woorden niet mogelijk om niet-gebruikte inschrijvingsduur van de propedeutische fase naar de doctorale fase over te boeken. By deze vroegtijdige selectie moet vooral verwezen en niet uitsluitend afgewezen worden. Vandaar dat de bewindslieden over een 'positieve selectie' spreken. Het wo is niet de enige vonn van tertiair of hoger onderwijs. Studenten die niet voor het propedeutisch examen in het WO slagen, kmmen het advies krijgen om naar een verwante studie binnen het hoger beroepsonderwijs (hbo) over te stappen. Als zo'n advies vroegtijdig komt, heeft de student ook praktisch bekeken nog alle mogelijkheid om het op te volgen. Zo'n advies moet uiteraard ook in de andere richting gegeven kunnen worden. Ook een student in het hbo zal in de toekomst in de beginfase
van de studie het advies kunnen krijgen om naar een verwante studierichting in het wo over te stappen. Anti-doubleerbepaling w e g
Tot dusver werd in het wetsontwerp als regel uitgesloten dat een student voor een tweede keer van onderwijsvoorzieningen gebruik zou mogen maken. Dat zou alleen maar mogen als de faculteit in kwestie in individuele gevallen toestemming verleende. Als regel zou men dus niet mogen doubleren. Dat vinden de bewindslieden niet Juist. Binnen de grenzen van de maximale inschrijvingsduur per fase moeten volgens hen studenten de gelegenheid krijgen colleges, werkgroepen, praktica en dergelijke te herhalen. Zij hebben de 'anti-doubleerbepaling' dan ook laten vervallen. Invoeringsdatum
Gezien alles wat er nog allemaal voor de invoering van de herstructurering moet gebeuren, hebben de bewindslieden de datum van invoering op 1 september 1975 gesteld. Dat is dus een jaar later dan tot dusver voorgesteld werd. Studierichtingen die op grond van uitkomsten van herprogrammering om verlenging van de vierjarige cursusduur willen vragen, moeten dat vóór 1 november 1974 doen. Doen ze dat niet, dan geldt de regel van de vier jaar tot aan het doctoraal. Op deze manier willen de bewindslieden de lierprogrammering stimuleren, En nog enkele
De vorige minister van O W heeft de Academische Raad enkele wijzigingen van het wetsontwerp toegezegd. Die nemen de huidige bewindslieden over. Zo is het wetsontwei-p gewijzigd op het punt van de bijzondere gevallen, waarin de cursusduur van één fase met een jaar verlengd kan worden. Dit enkele jaar kan nu ook — maar nog steeds in bijzondere gevallen — over de propedeutische en de doctorale fase gespreid worden. Zo is het nu volgens het wetsontwerp ook mogelijk dat een student verlenging van de inschrijvingsduiu: van de propedeutische fase krijgt, als hy of zü tüdens die fase naar een studierichting binnen de eigen faculteit omzwaait, die niet veel gemeen heeft met zün oorspronkelüke studierichting. De verlenging kan maximaal een jaar zün. De regel dat één extra-inschrüvingsjaar toegekend wordt, als een student in de propedeutische fase naar een studierichting in een andere faculteit omzwaait bUjft verder ongewüzigd. Zo is het tenslotte volgens het wetsontwerp nu mc^elük dat in sommige gevallen van weigering van extraverlenging van de iiischrüvingsduur bü de Academische Baad in beroep gegaan kan worden.
Minister J. A. van Kemenade Die stelt daarvoor een aparte commissie in. Uitspraken van deze commissie zün bindend. Korie cursusduur en postacademisch onderwijs
In deze tüd veroudert kennis zeer snel. Men is dus gedwongen tot regelmatige na- en büscholing. Daarnaast willen en moeten mensen meer dan vroeger van betrekking veranderen. Dat vereist omscholing. In het algemeen kan tenslote gesteld worden dat de relatie tussen de gevolgde specifieke opleiding en de latere beroepsuitoefening losser wordt dan voorheen het geval was. Al deze ontwikkelingen wyzen in een zelfde richting, zo menen de bewindslieden: 'de betekenis van het onderwüs in de eerste aaneengesloten levensfase neemt relatief af en de noodzaak van spreiding van vormen van scholing over meer levensfasen neemt toe.' 'Voor het hoger onderwüs betekent dit dat gestreefd moet worden naar een korte initiële basisopleiding onder gelüktüdige opbouw van een stelsel van wederkerend onderwüs.' Vandaar het vool'stel tot een vierjarige cursusduur tot aan het doctoraal examen, gevolgd door postacademisch onderwüs voor na- en büscholing. De essentiële vraag bij de herprogrammering is dan: welke onderdelen moeten vóór het afsluitend universitaire examen aan bod komen en welke onderdelen kunnen dat net zo goed of Juist beter daarna in het kader van het postacademisch onderwüs? 'Uitgangspmit daarbü zal moeten zün dat de theoretische verdieping op bepaalde punten veelal pas in wisselwerking met de eisen van de beroepspraktyk van de betrokkenen een relevante betekenis krijgt. De veranderde^ eisen die de beroepsuitoefening stelt, maken het noodzakelük dat de structuur van het onderwüs hierop op een flexibele wijze inspeelt. Dit vraagt om het afwegen van de elementen die een plaats moeten hebben in het volledig dagonderwüs en de elementen die in nauwe relatie en wisselwerking met de beroeps, praktük beter tot hun recht kunnen komen.' Over het algemeen zullen 'de uitgaven voor postacademisch onderwüs voor rekening van de deelnemers en hun eventuele werkgevers komen.' Maar als de draagkracht by de deelnemers aan het postacademisch onderwüs of hun werkgevers onvoldoende is, kan de publieke kas büspringen. Ze noemen daarby als voorbeelden welzynswerkers en predikanten. Het hoger onderwijs
De huidige structuren van het WO zyn in een tyd ontstaan, waarin slechts weinigen aan dit onderwys deelnamen. Maar de toeloop van studenten is in de tussentüd zeer veel groter geworden. In de afgelopen Jaren is de schaalvergroting van het wc
byna explosief geweest. Deze schaalvergroting noopt tot verandering van de verouderde structuren. Naast en vry wel onafhankelyk van het WO heeft zich het hbo ontwikkeld. Ook dat is sterk gegroeid. Maar toch lang niet zo sterk als het wo. 'De groeiverhoudingen tussen beide vormen van tertiair onderwys zyn onevenredig verlopen', zo constateren de bewindslieden. Verwacht mag worden dat de groei in deelneming aan vormen van tertiair onderwys nog verder zal toenemen. Bü een grotere toestroom zal ook de heterogeniteit in aanleg, belangstelling en motivatie van de studenten toenemen. De maatsohappelüke behoefte aan afgestudeerden wordt bovendien ook diverser. Het hoger ondersi'üsbeleid van de bewindslieden is er daarom ook op gericht de differentiatie in het hoger onderwys en de mogelykheden van wederzüdse doorstroming in de beginfase te bevorderen.
NBBS-VU RSA-barak, Boelelaan 1115 kamer 7. Tel. 020-48 38 90. Geopend ma t / m vrijdag 16.30-17.30 uur.
Ëindredaktie: Hans Bos, Jan Verdam, Medewerking: Bureau pers en voorlichting. Redaktie-adres: De Boelelaan 1105 Postbus 7161 Amsterdam, telefoon 4826 71. 'Kopü, niet bestemd voor de mededelingenrubriek, moet (getypt) uiterlük maandagmorgen om 10 uur bianen zyn. Advertenties: J. G. Duyker, Amsterdamseweg 397, Amstelveen. Postbus 228. Tel. 020-43 26 15; bgg 43 18 10.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1973
Ad Valvas | 370 Pagina's