Ad Valvas 1974-1975 - pagina 263
A D V A L V A S — 2 1 F E B R U A R I 1975
W. G. ZEYLSTRA CONCLUDEERT JN PROEFSCHRIFT:
Ontwikkelingshulp is liandhaven van huidige wereldorde i
Het hoofddoel van het geven van ontwikkelingshulp is: het handhaven van de huidige wereldorde. Na de dekolonisatie dreigt ontwikI'<-lingshulp te ontaarden in een nieuw instrument om de arme landen afhankelijk te maken van de rijke landen. Economen hebben zich zonder voorafgaand onderzoek ten gunste van ontwikkelingshulp uitgelaten, omdat zij van de veronderstelling uitgingen dat hun in het geïndustrialiseerde westen opgedane bevindingen algemeen geldig waren. Zie hier de opvatting van Willem Gustaaf Zeylstra (1913), die vandaag bij prof. H. Linnemann promoveert op zijn proefschrift „Aid or Development". Vóór hy zich ging verdiepen in theoretische achtergronden, maakte hij in de praktijk kennis met deze materie, daar hq gedureitde dertien jaar in diverse Latijns-Anic^rikaanse, Aziatische en Afrikaanse landen heeft gewoond, veelal als ambassadeur. „De waarnemingen ter plaatse die mij aan het denken zetten, werden gedaan in een staat van intellectuele onbevangenheid" aldus de heer Zeylstra in een gastcollege, dat hij eind vorig jaar op de VU hield en waarin hü in vogelvlucht de materie besprak, waarop bq nu promoveert.
Êhle^^. W. G. Zeylstra, vandaag
gepromoveerd.
In de jaren dat de heer Zeylstra in de zgn. ontwikeklingslanden verbleef, groeide de ontwikkelingshulp uit tot een wereldwijd verschijnsel. Hij werd toen al gefrappeerd door het feit, dat heel veel economische theorieën er vanuit leken te gaan dat het voldoende was om economische samenhangen in de geïndustrialiseerde westerse wereld op te sporen en dan te veronderstellen dat die samenhangen ook relevant zijn in niet-geïndustiialiseerde en niet-westerse landen. Een en ander doet dr. Zeylstra aan als een soort intellectueel kolonialisme. Hoewel in de zestiger jaren de ontwikkelingshulp kolossale vormen aannam, had men kennelijk niet de moeite genomen om zich serieus te verdiepen in de problemen die men voorgaf te willen verhelpen. Hoewel men heus wel goede bedoelingen heeft gehad, kwam het zelden voor, dat men eerst eens onbevooroordeeld ter plaatse kennis ging maken met niet-westerse landen alvorens er vol overtuiging over te gaan schrijven. Het verschijnsel ontwikkelingshulp moet dan ook volgens Zeylstra niet in de eerste plaats gezien worden als een antwoord op problemen in de Derde Wereld, maar veeleer als eens symptoom van naoorlogs westers denken. Ontwikkelingshulp be-
doelt te zijn wat het zegt, maar er is nooit aangetoond dat er een causaal verband bestaat tussen welvaartstijging en ontwikkelingshulp.
Marshall-hulp Economen gingen van de premisse uit, dat bevindingen, opgedaan in het westen, ook geldig zouden zijn in niet-geïndustrialiseerde landen. In het westen had met name de Marshall-hulp bewezen, dat verhoging van het nationale inkomen doelbewust kon worden nagestreefd en het antwoord had gegegven op alle dringende economische en sociale problemen. Gezien het universele karakter van de economische wetenschap achtten de economen zich bevoegd a priori aan te nemen dat buiten het Westen ook alle problemen hun oorsprong vonden in armoede, en dat die armoede verholpen kon worden met dezelfde middelen als waarmee men in het westen succes had gehad. De heer Zeylstra vindt dat deze premisse uitsluitend berust op westerse superioriteitsbesef en dat op zo'n manier de westerse mens wordt verheven tot de maat van alle dingen. Uit alles blijkt een culturele arrogantie „Ontwikkelde landen" is een positief begrip;,
„Ontwikkelingslanden" is «en negatief begrip. Vele landen, die onderling totaal kunnen verschillen, worden samengevat in één begrip,, dat alleen maar het negatieve aspect tot uitdrukking brengt, nl. dat die landen (nog) niet ontwikkeld zijn, dus inferieur aan de ontwikkelde landen. Deze benadering gaat echter voorbij aan de mogelijkheid dat tusen de problemen van de ontwikkelingslanden en de afwezigheid van die problemen in de ontwikkelde landen een causaal verband bestaat. V
Onderzoek Volgens de heer Zeylstra is het de hoogste tijd eerst eens te onderzoeken wat nu werkelijk de problemen zijn van landen die menen het niet zonder buitenlandse hulp te kunnen stellen. Pas aan de band van bet dan verkregen inzicht heeft het zin om na te gaan hoe op efficiënte wijze hulp kan worden verstrekt. Men moet eigenlijk twee problemen onderscheiden. Ten eerste vormt de integratie van een ontwikkelingsland in het internationale systeem een bron van moeilijkheden, omdat de spelregels van het systeem door de geïndustrialiseerde
westerse landen zijn gemaakt en eenzijdig op de belangen van die landen zijn afgestemd. De overige landen worden gedwongen aan het internationale verkeer deel te nemen op een manier, waarop zij bij voorbaat al gedoemd zijn aan het kortste eind te trekken. Een tweede soort problemen vat Zeylstra in zijn boek samen onder de term „acculturatieproblemen", omdat zij gemeen hebben dat zij het gevolg zijn van het contact tussen de Westerse beschaving en andere, autochtone beschavingen — een contact dat gewoonlijk de laatste is opgedrongen. Beide soorten problemen verschillen van land tot land en er is geen aanleiding om bij voorbaat te veronderstellen dat binnen de bestaande orde in elk afzonderlijk geval Westerse hulp de oplossing van die problemen naderbij kan brengen.
Giraffe Het is moeilijk om een definitie te geven van onderontwikkelde landen of, om wat beleefder te lijken, van minder ontwikkelde landen of ontwikkelingslanden. Elke poging hiertoe is uitgelopen op een eigen definitie. De heer Zeylstra vindt die van Singer- wel heel fraai: „Een
CvB IN GLOBALE MEERJARENVISIE 1977-1980:
Nieuwbouw en personeelsforniatie kernpunten in VU-beleid Kernpunten in het beleid van de VU voor de eerstvolgende jaren zgn vooral de realisering van de nieuwbouwplannen en de personeelsformatie. Dit zegt het College van Bestuur in zijn globale meerjarenvisie 1977-1980, een onderdeel van de konceptbegroting 1976. Wil de VU in die jaren niet in ernstige moeilijkheden komen wat betreft de huisvesting van de alphaen gammafakulteiten en van de fakulteit der Geneeskunde, dan zal de nieuwbouwstroom zonder enige stagnatie voortgang moeten vinden. Als dat het geval is kan de VU naar verwachting tot ongeveer 1985 in dit opzicht haar reeds bestaande taken aan voor het aantal studenten dat voorzien is. Wij schreven reeds over de koncept-bouwnota van het CvB in Ad Valvas van 24 januari j.1. Over het vraagstuk van de formatieplanning (gebruik, omvang en verdeling, inclusief herverdeling van personeelsplaatsen) zegt het CvB, dat numeri fixi, met name in dg alpha- en gammawetenschappen, bij een slagvaardig beleid voorkomen kunnen worden en, voorzover zij reeds bestaan, opgeheven of verruimd. Daartoe is flexibiliteit in formatiegebruik en -verdeling floodzakelijk. Tevens zal dit moeten samengaan met een verantwoord personeelsbeleid. Goed onderzoek zal in stand gehouden en bevorderd moeten worden, ook als in de betrokken fakulteit geen groei of daling van het aantal studenten waarneembaar is. Innovaties behoren zoveel mo^
gelijk binnen de bestaande formatie en het op grond van interuniversitaire vergelijking bepaalde formatie-accrès tot stand te komen. Het wegwerken ^an achterstanden door verdeling van het accrès, dus de extra formatieplaatsen, en zo nodig herverdeling van bestaande formaties is de noodzakelijke konsequentie van zelfbestuur van de universiteit, dat naast de overheidsbemoeienis geldt. H e t dienovereenkomstige beleid, ontwikkeld in de nota Meerjarencijfers 1975-1980 van het ministerie van O W, zal, zeker als de ratio's, beter zijn bepaald, in de komende jaren zo voortvarend mogelijk moeten worden uitgevoerd. Bij de interne formatieverdeling aan de VU worden dezelfde uitgangspunten toegepast.
Formatieplan tot 1980 ep
Met een poging tot het samenstellen van een formatieplan tot 1980 is een begin gemaakt, aldus het CvB. Er wordt aan toegevoegd, dat momenteel nog niet met zekerheid.. te zeggen is in hoeverre zo'n plan een konkrete bgdrage tot de beleidsvorming kan leveren. Voorlopige aanwijzingen
Door Guus Herbschleb, AV
gaan in
de richting van een geleidelijk grotere achterstand in de personeelsformatie (binnen het kader van de op de nota Meerjarencijfers gebaseerde studenten - personeelsratio 1973). Er wordt op vertrouw'd dat hieraan bijzondere aandacht wordt besteed door het ministerie.
Speciale beleidspunten Voor enkele onderdelen van de universiteit wordt in de meerjarenvisie speciale aandacht gevraagd: • De ontplooiing van de faculteit der Geneeskunde is in sterke mate afhankelijk van de klinische capaciteit van het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit. De beperking daarvan heeft voortdurende, zeer ongewenste gevolgen voor het samenstel van specialismen voor onderwijs en onderzoek in de faculteit, dat thans niet evenwichtig is. • De subfaculteit der Tandheelkunde is opgezet voor 90 eerstejaars per jaar, wat gerealiseerd kan worden als de nieuwbouw Tandheelkunde voltooid is. Dan kan de subfaculteit met een rdatief geringe uitbreiding van haar formatie een nog beter „rendement" hebben. • De verdere uitbouw van de interfaculteit Lichamelijke Opvoeding, ook wat het onderzoek betreft, zal in de eerstkomende jaren nog aandacht vragen. Aangenomen wordt dat wat de opzet en formatie van de interfaculteit betreft in 1975 tusen het ministerie en de universi-
teit overeenstemming zal worden bereikt. # In de komende jaren zal tevens verdere uitvoering gegeven moeten worden aan het beleidsplan voor de — interfacultaire — opbouw van het onderwijs en onderzoek in de Informatica, waarvoor nog niet alle noodzakelijke docenten zijn toegestaan. # Aan de verdere opbouw van een volwaardige universiteitsbibliotheek zal, bij voorkeur in het kader van landelijke afspraken over specialisatie, taakverdeling en samenwerking, grote zorg besteed moeten blijven worden. De desbetreffende uitgaven vormen ook bij een selektief beleid een belangrijke post op de begroting. 9 Bijzondere aandacht in meerjaren-verband vraagt ook de Stichting Academisch Rekencentrum Amsterdam. De vraag naar rekentijd is snel toegenomen en zal naar verwachting jaarlijks zeker met 30% toenemen. Het centrum begint zijn maximum-capaciteit bij de huidige apparatuur te benaderen. In de tweede plaats zal de nieuwbouw met spoed ter hand genomen moeten worden, mede in verband met de hierboven onder bouwplanning geschetste problemen (het centrum is thans in het hoofdgebouw van de VU gevestigd). # In de lotgevallenrede 1974 wordt gesteld dat het onderzoek aan de Vrije Universiteit in gevaar is. Gekonstateerd wordt verder dat het onderzoek op peil houden en
ontwikkelingsland is als een giraffe, heel moeilijk te omschrijven, maar voor ieder die er een tegen komt direct herkenbaar." Om een eventuele economische groei in ontwikkelingslanden te meten, hebben de Verenigde Naties zich veel moeite getroost om overal in de Derde Wereld een begin van een statistiekwezen van de grond te krijgen. Zeylstra: „Maar wat ik in de landen waar ik gewoond heb van het statistiekwezen heb gezien, maakt het verleidelijk om de stelling te poneren dat als er één eigenschap is, die ontwikkelingslanden gemeen hebben, dan is dat de onbetrouwbaarheid en onvolledigheid van het tsatistiek wezen. Voor zover niet geheel uit de duim gezogen, zijn de gepubliceerde cijfers als regel om politieke redenen of domweg uit patriottisme zoveel mogelijk geflatteerd." De vraag hoe het mogelgk is dat de ontwikkelingshulp, ondanks de negatieve kant ervan, toch steeds door blöft gaan, is volgens Zeylstra aldus te beantwoorden: men heeft willen voorkomen, dat de dekolonisatie het internationale economischmonetaire systeem in gevaar bracht. En daar is men via de ontwikkelingshulp aardig in geslaagd.
uit te bouwen een beleidsvraagstuk van de eerste orde is. Een aantal maatregelen werden al genomen. Voor onderzoek is een centrale formatiepool ingesteld van 10 plaatsen. Verder werden alle lopende onderzoekprojekten systematisch geïnventariseerd, waarvan onlangs rapport aan de Universiteitsraad is uitgebracht.
Globale visie De meerjarenvisie van hef CvB werd op korte termijn samengesteld i in antwoord op van ministeriële' zijde eind december gestelde vragen. Deze vragen hadden betrek-, king op het meerjarenkader voor de begroting 1976. De meerjarenvisie is dan ook beknopt en vaag. De vragen zijn, aldus het CvB, „niet naar behoren te beantwoorden, zeker niet wanneer dat antwoord gekwantificeerde gegevens zou moeten bevatten." In afwachting van de beleidsontwikkeling in 1975 werd daarom met enkele globale opmerkingen volstaan. Voor het opstellen van een visie op iets langere termijn zijn, aldus het CvB, in de huidige situatie van het Nederlands wetenschappelijk onderwijs de randvoorwaarden van zeer groot belang. In een aantal opzichten zijn deze nu echter — nog — niet duidelijk, en rust op regering en staten-generaal de taak deze duidelijkheid zo spoedig mogelijk te verschaffen. Een bijdrage daartoe is reeds geleverd door de zgn. meerjaren-afspraak betreffende de middelen voo;- het wetenschappelijk onderwijs. Andere noodzakelijke beleidskontouren ontbreken nog. De behandeling van het wetsontwerp herstrukturering sleept zich voort;^ de beslissing erover, in welke zin ook, heeft budgettaire konsequenties, die nog moeilijk te bepalen zijn. Hetzelfde geldt voor de koördinatie en taakverdeling tussen w.o. en h.b.o. Beide punten zijn o.a. van belang voor het bepalen van Prognosen voor aantallen studenten en onder-
Vervolg op pagina 4
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1974
Ad Valvas | 404 Pagina's