Ad Valvas 1974-1975 - pagina 173
AD VALVAS — 6 DECEMBER 1974
5
PROF. DR. BERTHE SIERTSEMA EN DE VROUWENEMANCIPATIE
'Trutten zijn er over de hele wereld!' door Anneke Kieft A.V, De belangstelling voor de vrouwenemancipatie lakt nog steeds te groeien. Ook aan de universiteiten zön er duidelijke tendenzen aan te wijzen, die deze veronderstelling bevestigen. De aandacht, die in de pers wordt besteed aan het Jaar van de Vrouw is hier waarschünlyk mede oorzaak van. Of er binnen dat kader ook iets aan de V.U. zal worden georganiseerd, is nog niet duidelijk, maar wel van het grootste belang: het feit bijvoorbeeld, dat slechts vier van de 203 hoogteraren aan de V.U., vrouwen zgn bewijst, dat er ook op universitair niveau nog weinig sprake is van gelyke kansen en mogelijkheden voor mannen en vrouwen. Eén van die vier vrouwen is prof. dr. B. Siertsema, hoogleraar in de Algemene Taalwetenschap; een strijdbare vrouw, die de laatste tijd nogal in het nieuws is geweest vanwege haar bijdrage aan de Potchefstroomdiskussie. was de kamer bij ons altijd vol; dan werd er gedebatteerd, alle levensvragen werden doorgenomen en opgelost ook." Was de houding van Uw ouders ten opzichte van U en Uw plannen dezelfde als die ten opzichte van Uw broers?
ik van de grootste linguist. Roman Jacobson, gekregen heb voor dat proefschrift... dat was, toen hij zei: „Ik dacht dat het door een man geschreven was!"
„Ja. Het is wél zo, — ik heb vier broers en het predikantensalaris was niet zó geweldig hoog — dat mijn vader wel eens heeft gezegd: Ah wij niet in Haarlem zouden wonen, dan zou jij niet hebben kunnen studeren. Ik was n.l. spoorstudent. Dan had hij geld nodig gehad voor de opleiding van de jongens." Zijn houding was dus toch niet helemaal konsekwent. „Aan de éne kant niet, aan de andere kant twijfel ik er niet aan of het zou me gelukt zijn een beurs te krijgen!"
Voor U niet?
Na het afronden van haar studie Engels en enige tijd bij het onderwijs werkzaam te zijn geweest, keerde zij naar de kollege-banken terug, om haar oude hobby. Algemene Taalwetenschap (wat zij ook als bijvak bij haar studie Engels had gekozen) te hervatten. Hieruit volgde een proefschrift, waarvan de achterliggende theorieën de belangstelling wekten van enkele buitenlandse fonetici, waaronder Dr. Uldahl, destijds hoofd van het Fonetisch Instituut van de Universiteit van Ibadan, Nigeria. Deze nodigde Mevr. Siertsema uit een paar jaar aan dat Instituut Engels te doceren. Ondertussen was zij wetenschappelijk medewerkster geworden van prof. Reichling, aan de Stedelijke Universiteit en stond zij op het punt, op verzoek van prof. Reichling, naar Leiden te gaan om daar een Bantoe-taal te leren. Het medewerkersschap beviel haar echter niet meer zo, op dat moment, („Ik moest teveel klussen doen") en zij besloot toen de uitnodiging van dr. Uldahl aan te nemen om daar, in Ibadan, een niet Indo-Europese taal te doen. Van die beslissing heeft ze nooit spijt gehad, integendeel: „Naderhand, toen ik dus hoogleraar was, heb ik vaak gedacht: was ik nog maar een jaar of vijf langer in Afrika gebleven. Want het heerlijke aan dat soort universiteiten is, en helemaal het werken in dat soort landen, dat je alles, wat je maar enigszins kan, produktief kunt maken. Niet allen op het gebied van Engels: ik zat ook direkt in de begeleiding van het universiteitskoor, want mensen, die piano konden spelen, waren schaars. Je was konstant bezig met dingen, waarvan je het gevoel had, dat het veel meer nut had dan wat ik hier heb met al dat vergaderen over die herstrukturering en budgettering. Het was veel dankbaarder werk."
altijd makkelijker dan wanneer je ongetrouwd bent. Dit geldt voor mannen én vrouwen. Nogmaals, ik denk niet zo in die tegenstelling. Ik geloof, dat mijn ongetrouwde mannelijke kollega's hetzelfde probleem hebben. Ook zij moeten opdraaien voor alle recepties van kennissen, als ze willen dat ze vertegenwoordigd zijn. Ze kunnen niet tegen hun huishoudster zeggen: Gaat U daar maar naar toe voor mij. Het is een vereenvoudiging van het sociale leven, als je dat déélt met een ander, voor beide partners." Zo eenvoudig is die taak doorgaans niet voor de getrouwde vrouwelijke hoogleraar, heeft U net gezegd. „Dan moet ze zorgen, dat ze die sociale verplichtingen eerlijk deelt met haar man. Voor de huishoudelijke verplichtingen kan ze wel hulp krijgen. De alleenstaande heeft die dubbele taak wel en niet de mogelijkheid, die taak te delen. Of je moet je terugtrekken en een kluizenaarsbestaan gaan leiden; maar dan loop je wel de kans te vereenzamen en ik zou daar zeer zeker geen plezier in hebben. Bij mij is het zó: (ik ben de oudste van de zes). Als er een broer of zuster jarig is, dan ga ik er naar toe. Ik kan nooit tegen m'n partner zeggen: ik heb het te druk, ga jij maar! En dat heeft een mannelijke vrijgezel precies zo."
HOOGLERAAR
Wiskunde I begraven
In 1960 keerde Mevr. Siertsema terug naar Nederland, en aanvaardde zij hier het ambt van hoogleraar in de Algemene Taalwetenschap. N u is zij dus één van de zeer weinige vrouwelijke hoogleraren aan de VU (en in Nederland).
Speelde het milieu, waar U uit vandaan komt, ook niet een rol, zodanig, dat V als meisje kon gaan studeren? „Mijn ouders hebben bij hun kinderen vooral belangstelling gewekt voor de dingen om zich heen en voor wat er gebeurt in het leven. Mijn vader was predikant en stond in het volle leven, 's Zondagsavonds — we gingen nooit graag weg naar een vriend of vriendin —
DISKRIMINATIE A A N DE V.U.? Als een hevige vorm van diskriminatie aan de V.U. beschouwt prof. Siertsema het feit, dat er in het hele gebouw geen kleedkamers voor vrouwelijke hoogleraren te vinden zijn: „Eén van de eerste keren moest ik mij verkleden in dezelfde kleedkamer als mijn mannelijke kollega's. Toen zei ik: ïk vertik het om liier een striptease weg te geven, gratis voor niks! Ik heb dus hier mijn toga hangen en ik verkleed me dus hier. Dan moet ik wel altijd die gangen door in toga en trek zo heel wat bekijks! Dat vind ik typisch! Iets anders wat typisch was, op wetenschappelijk gebied, was, dat toen mijn proefschrift klaar was — het was een nogal theoretisch onderwerp en ik weet dat ik vrij logisch denk, ik was ook goed in wiskunde — . . . het grootste kompliment wat
Wat vindt zij zelf van die op zich unieke positie? „Ik denk niet zozeer in die tegenstelling mannelijk - vrouwelijke hoogleraren. Ik vind het veel belangrijker, dat er een hoogleraar komt, die zijn of haar vak goed beheerst en of dat nu een man of een vrouw is maakt niets uit." Als dat niets uitmaakte, zouden er toch veel meer vrouwelijke hoogleraren moeten zijn? Welke rol speelt in dit verband het instituut „huwelijk/gezin", nog steeds geldend als het meest ideale arheidsterrein voor de vrouw? Prof. Siertsema (zelf ongetrouwd): „Het huwelijk speelt op een andere manier een rol, n.1. dat een getrouwde man de tijd voor z'n werk ook helemaal voor z'n werk heeft en als hij thuiskomt, hoeft hij niet nog eens gasten te ontvangen. Als hij geen zin of het druk heeft, verdwijnt hij in zijn werkkamer en zijn vrouw ontvangt de gasten, doet de boodschappen, bezoekt de kennissen, gaat naar de lecepties en dergelijke. Als vrouwelijke hoogleraar heb je het, omdat je als vrouw ook altijd zélf voor die dingen moet opdraaien, dubbel druk." Schrikt deze dubbele taak vrouwen misschien terug om aan een wetenschappelijke karrière te beginnen en zou dat volgens U veranderd kunnen worden? „Zolang vrouwen daar zelf niets aan doen, is het hun eigen schuld. Als je getrouwd bent, heb je het
Donderdag 28 nov. vond onder redelijk, grote publieke belangstelling de begrafenis plaats van de enige dagen daarvoor overleden Wiskunde I. De stoet vertrok vanuit het hoofdgebouw naar de dodenakker naast het Provisorium. Ds. O. Meyer las ons naast het graf enige vertroostende teksten voor, zodat er van droefenis niet veel sprake meer was. Wel enige opwinding veroorzaakte de mededeling van de zijde van het faculteitsbestuur, dat men daar niet geloofde in de dood van Wiskunde I, en dus zou blijven handelen alsof hij nog in leven was. Op de borrel na afloop van de begrafenis werden plannen gemaakt om er achter te komen, wie van de beide partijen het bij het rechte eind had.
Vond U dat een kompliment? „Dat was in zijn ogen een kompliment!" „Daar heb ik hem vreselijk mee geplaagd! Ik heb gezegd: Dat is het grootste kompliment, wat een vrouw van een man kan krijgen op wetenschappelijk gebied! Dat ze iets presteert als vrouw, waarvan men denkt dat het door een man gedaan is!" Blijkt hieruit niet, dat de nonnen die gehanteerd worden, „mannennormen" zijn? „Statistisch is het gewoon zo. Dat komt door de getallen. Ik ben het ook niet met U eens, als U zegt, dat er een onevenredig grote plaats wordt ingeruimd voor de wiskundige aanpak op wetenschappelijk gebied." Deze stelling geldt m.i. zolang men er van uitgaat, dat vrouwen niet logisch kunnen denken, en zolang vrouwen daar zelf in blijven geloven. „De wiskundige aanpak is het logisch denken, het kunnen abstraheren, dus de wetenschappelijke aanpak. De ruimte, die daaraan wordt gegeven kan niet groot genoeg zijn in de wetenschap."
enorm belemmerende invloed zou kunnen hebben op het ontplooien van andere talenten en mogelijkheden? „Met speelgoed en zo is dat, geloof ik, wel waar. Aan de andere kant kun je net zo goed spreken van een tégen-konditionering, die er dan misschien bij mij heeft gegolden, als oudste van zes, n.l. dat ik dacht: ik wil later van al die huishoudelijke klussen af zijn — geef mij de vrijheid maar! Wat vindt U van de Emancipatiebeweging in hel algemeen? „Ik vind het nuttig om de vrouw zich meer bewust te laten worden van wat er in haarzelf zit en om ze er toe te drijven, om die immense truttigheid af te leggen. Ik wijt het véél meer aan de vrouwen zelf dan aan de omstandigheden en aan de maatschappij. Ik vind de verscheidenheid in de menselijke maatschappij boeiend en ik kan me ergeren aan truttigheid. Maar ja, trutten zijn er over de hele wereld... Waarom moet dat in vredesnaam nu weer zo nodig met kimsi- en vliegwerk veranderd worden? Ik vind het mooi, dat het ze eens bewust gemaakt wordt... misschien lukt dat. Zo niet, dan zal ik er geen nacht minder om slapen!"
nc
Moet die ruimte dan ook niet toegankelijk gemaakt worden voor vrouwen? Uit de praktijk blijkt immers, dat dit niet het geval is, gezien 6.V. het relatief geringe percentage vrouwen aan de Bèta-fakulteiten? „Dat ben ik niet met U eens: ik geloof niet in dat mannelijke privilege. Men zegt wél: vrouwen redeneren onlogisch. En daar geeft U, tot mijn spijt, een heel groot staaltje van"(!). U hebt ergens geschreven, dat U niet gelooft in het fabeltje, dat negers minder intelligent en minder abstrakt kunnen denken dan blanken. Gelooft U ook niet in dat fabeltje, wanneer het om vrouwen gaat? „Mijn ervaring is altijd, dat als je met goede argumenten komt, dat men gewoon die argumenten gaat wegen, never mind waar dat vandaan komt. Wél maak ik het mee, b.v. op vergaderingen, dat wanneer ik iets in het midden wil brengen, en een man wil dat ook doen, tegelijkertijd dus, dan krijg ik nooit een kans. Dat wil echter niet zeggen, dat mijn argumenten niet gewogen wolden." Hoe verklaart U nu, dat er zo weinig vrouwelijke hoogleraren zijn? „Dat komt door een heleboel andere faktoren. Dat ligt n.l. aan die thuisblijvende vrouwen zélf! Ik vind het ook vaak trutte"/!, hoor, neem me niet kwalijk! Het is een grote mate van luiheid geloof ik, en een gevoel van: zolang de mannen het opknappen, hoef ik het niet te doen. Die houding is ei ook wel door mannen ingewerkt, maai door de vrouwen in dankbaaiheid afgenomen". Die dankbaarheid blijkt dan b'j vrouwen wel steeds minder groot te worden, gezien de aantrekkingskracht die de huidige emancipatiegolf op vrouwen — en ook op mannen — uitoefent. „Ik geloof niet in de onderdrukking van de vrouw. Ik noem het luiheid en slomigheid. Het is volledig aan hen zelf te wijten. Ik heb daar immers nooit geen last van gehad?" Vergeet U niet, dat tot nog toe kinderen, jongens en meisjes, tijdens hun opvoeding gekonditioneerd worden tot het vervullen van een bepaalde rol in de maatschappij en dat die konditionering wel eens een
KONFLIKT üvA
Kommissie van goede diensten ingesteld
De raad van de Amsterdamse universiteit heeft besloten een kommissie van goede diensten in te stellen, die moet proberen vóór 1 januari een oplossing te vinden inzake het gerezen bestuurskonflikt tussen de Universiteitsraad en het College van Bestuur, waarvoor de WUB geen regeling kent. Zoals bekend ontstond de krisis de afgelopen maand, toen een kleine meerderheid in de r a a d een door de ASVA-fraktie ingediende motie van wanti-ouwen tegen h e t College van Bestuur a a n n a m . Het CvB trok zich hierop terug om zich t e beraden. S t a a t s s e k r e t ä r s prof. dr. G. Klein van Onderwijs en Wetenschappen, die zich had laten voorlichten over de Amsterdamse situatie, vond, d a t h e t konflikt intern diende te worden opgelost. N a d e r h a n d deelde het CvB de r a a d mee aftreden een onjuiste zaak te vinden. Veeleer moest er n a a r een herstel van h e t geschonden vertrouwen worden gezocht. Het CvB stelde een proeve van grensaftaakening tussen de bevoegdheden van college en r a a d in h e t vooruitzicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1974
Ad Valvas | 404 Pagina's