Ad Valvas 1974-1975 - pagina 170
3
longere eo oudere iet gelijk belonen
groep het nooit tot professor zal kunnen brengen, vanwege het ge ringe aanbod van hoogleraarposten (en wie zou bereid zijn om deze twee dingen te ontkennen?), en (3) dat de door de heer Klein aange wezen kwaliteiten de criteria moe ten vormen voor een hoog salaris, als dat allemaal waar is dan begrijp ik gewoon niet waarom de Nij meegse dekanen alleen voor de hoogleraren zekerheid willen heb ben dat „de betrokkene rond de 45jarige leeftijd zijn maximum zal bereiken". D a n ontgaat het mq ook waarom ze een aparte, veel hogere salaris schaal voor de hoogleraar willen hebben, waarom ze (volgens KU Nieuws) het „onjuist achten al« de eerste 6 anciénniteiten voor de hoogleraren ook voor wetenschap pelijk hoofdmedewerkers bereik baar zijn". (Dit laatste zou je nau welijk geloven als je het niet zwart op wit vóór je had.) En dan vind ik bovendien dat de heer Klein groot gelijk heeft wanneer hij een salarisschaal voor hoogleraren (her)ingevoerd wil zien, en wél één die begint bij schaal 152. Tussen haakjes ben ik eigenlijk vre selijk benieuwd over wat de staats secreatris van plan is met het geld dat voor een eventuele invoering van deze maatregel ongetwijfeld vrij zal komen. Ik zou er alvast voor willen pleiten, dat het regel recht herverdeeld wordt onder de allerlaagst bestaaiden aan de instel lingen voor hoger oaderwijs.
raren
Het lezen van het artikel uit K U Nieuws: „Jong hoogleraar zou moeten beginnen met salaris van 5 mille" (Ad Yalvas, 22 nov. 1974, biz. 6) is voor mg een leerproces geweest. Aanvankelijk was ik het oneens met het voorstel van staatssecretaris Klein dat „jonge" hoogleraren moeten beginnen met een „lager" salaris dan dat van de „oudere" professoren. AI lezende echter kwam ik daar langzamerhand van terug, totdat ik me bg het slot van genoemd artikel uiteindeiyk aan de kant van de staats secretaris bevond. Als WM heb ik nooit — voorzover ik me daar ooit druk over heb ge maakt — een behoefte gehad aan een eventuele (her)invoering van een salarisschaal voor hoogleraren. Dat een Nederlandse hoogleraar een vrij hoog, vast salaris krijgt heb ik altijd voor de specifieke cultu reelsociale en universitaire situatie in Nederland een nogal vanzelf sprekende zaak gevonden, en wel onder het motto: voor wat hoort wat. Dat eerste „wat" heb ik dan steeds begrepen als zowel de verheven po sitie, die de hoogleraar noodge dwongen in moet nemen in de Ne derlandse samenleving, alsmede d e zorg die hij (uiteindelijk min «f meer alleen) moet dragen voor het onderwijs en onderzoek op zijn vakgebied — met alle gevolgen van dien. En dat zijn er nogal wat, als ik me niet vergis. Een dergelijke positie brengt zon der enige twijfel o.a. een zeer hoge graad van verantwoordelijkheid met zich, en ook grote, soms bijna onmenselijke maten van druk, pres sie en spanning, welke zich boven dien ook op de gezinnen van deze mensen uit gaan werken. Welnu, voor dat hoort (inderdaad heel) wat, naar mijn mening. En dit laat ste „wat" mag toch wel zeker mede
Redafctie'adres; De B oelelaan 1105 Postbus 7161 Amsterdam, telefoon 48 26 71. Kedaktie: J a n van der Veen (eindre dakteur) H a n s B os, J a n Ver dam Redaktieassistentie: Elly Püchs Korrespondenten: Guus Herbschleb, G e r a r d Beentjes, Maddie Delorie, Anneke Kieft, J a n Rebel, e.a. Medewerking: Bureau pers en voorlichting. Eduard de Kam: foto's. F r a n s Vera tekeningen. G.U.P.D. Ad Valvas werkt samen met Folia Civitatis (Amsterdam), KUNieuws (Nijmegen), Quod Novum (Rotterdam), THB (Tilburg), Universiteitskrant Groningen en Utrechts Uni versiteitsblad in het kader van de G.U.P.D. (gemeenschappe lijke universitaire persdienst), het samenwerkingsverband van universiteits en hoge schcolbladen. Kopg, niet bestemd voor de mededelingenrubriek, moet (getypt) uiterlijk maandagmor gen om 10 uur binnen zijn. Toezending Ad Valvas kan ook per post worden toegezonden. Wie van deze mogelijkheid gebruik wil maken kan dat — uitsluitend per briefkaart — melden aan: Administratie toezending Ad Valvas, Vrije Universiteit, postbus 7161, Amsterdam; on der vermelding van naam en adres en de mededeling of hij/zij student is of lid van het personeel. Advertenties: J. G. Duyker, Noordwolde (Fr.) Postbus 40 Tel. 05612541.
in geldelijke vorm zijn uitdrukking vinden? (Als niet direkt aan de orde zijnde laat ik bier buiten be schouwing: de reèle mogelijkheid om tot een wezenlijke verlichting van deze zware last van verant woordelijkheid te komen, door hem structureel op een echte en zinvolle wijze te delen met de rest van het wetenschappelijke corps.) KWALITEITEN Hoe dat^ ook zij, met zijn voorstel heeft staatssecretaris Klein althans bij mij een nieuwe gedachtengang geïntroduceerd: nl. dat het al dan niet in aanmerking komen voor een hoog, vast salaris aan een universi teit of hogeschool niet zozeer van de zware eisen van de baan van hoogleraar afhangt, maar eerder van het wel of niet aanwezigzijn van een aantal kwaliteiten bij de desbetreffende kandidaathoogle raar. Deze kandidaten moeten in het bezit zijn van „uitgebalanceerde kwaliteiten als inspirerend vermo gen, organisatietalent, leidinggeven de hoedanigheden, levenswijsheid, . . . wetenschappelijke en didakti sche" capaciteiten. Terwille van de „discussie" ben ik bereid om voors hands met deze gedachtengang akkoord te gaan. Wat echter geens zins betekent dat ik er geen moei lijkheden mee heb. In de eerste plaats vraag je je af, of de heer Klein het hier wel over gewone stervelingen heeft, en niet éné of ander halfgodenras. Maar laten we nu eerlijk zijn: waar is zelfs een heros/heroïs te vinden die dermate begaafd is, dat hij/zij zou passen bij de kwaliteitenlijst van de staatssecretaris? Het zal de wel willende lezer zonder twijfel duide lijk zijn dat dit beslist niet bedoeld is als kritiek op welke professor ook, noch op de hoogleraren als groep. Integendeel, niets is verder van mijn bedoeling. Ik wil hiermee alleen maar zeggen, dat de kwalifi catieeisen voor een hoogleraar schap, zoals die in het voorstel Klein voorkomen, naar mijn be scheiden mening een tikje of wat minder dan reëel zijn. Trouwens, het zou me niet geheel verwonde ren, wanneer de hoogleraren — wellicht een enkel Narcissusfiguur uit hun midden daargelaten — be kropen zouden worden met gevoe lens van hetzij verlegenheid, ont steltenis of verbazing, hetzij smach tend verlangen of vrolijke ongelo vigheid bij het lezen van deze lijst van kwaliteiten, die ze, volgens de heer Klein, moeten bezitten. In de tweede plaats had ik eerst ook moeite met de positie van de staatssecretaris t.o.v. de salariëring van de hoogleraren. Hij zegt: een jonge hoogleraar moet beginnen met een lager salaris dan dat van zijn oudere collegae. Mijn vraag was: waarom eigenlijk? Als die jonge kandidaat blijk heeft gegeven van wetenschappelijke bekwaam heid en bereid is om de zware ver antwoordelijkheid van een hoog leraarschap op zich te nemen, zou ik geneigd zijn om te zeggen: ge lijke betaling voor gelijk wdrk. Maar, repliceert de staatsecretaris, deze jonge persoon heeft nog geen levenservaring en wijsheid. Ik kwam hier triomfantelijk op terug met de krachtige dooddoener: Een hoogleraar zonder levenswijsheid is een contradictio in terminis, ergo: wanneer iemand verstoken is van levenswijsheid en ervaring behoort hij niet eens in aanmerking te ko men voor een professoraat. Zó ben ik een tijdje lang dialogisch met de heer Klein doorgegaan. Totdat het mij eensklaps duidelijk is gewor den, wat hij eigenlijk op het oog heeft met zijn voorstel.
PRAKTIJK ONB ILLIJK Met name bij het lezen van het naar mijn gevoel zeer onsympathie
SAMENGEVAT
ke en elitaire advies van de Nij meegse dekanen over dit voorstel (vgl. het slot van het artikel in Ad Valvas) heb ik begrepen, denk ik, waar het de heer Klein in werkelijk heid om gaat. (B ij wijze van paren thesis wil ik er even op wijzen, dat men niet ongenuanceerd egalitair hoeft te denken om iets elitair te vinden.) Als ik me niet vergis gaat het de staatssecretaris niet zozeer om de hoogleraren als zodanig maar eerder hierom: dat de prak tijk van het benoemen van hoogbe taalde jonge hoogleraren onbillijk is tegenover de rest van het weten schappelijke corps. Naar mijn smaak geeft het advies van het Nijmeegse college van dekanen een verkeerd, scheef beeld van de grote groep (groot in ver houding tot het kleine aantal hoog leraren) medewerkers en lectoren aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen, als zouden ze als groep beduidend minder bekwaam.
begaafd enz. zijn dan de hooglera ren als groep. Maar deze groep niethoogleraren vormt vaak (met name bij de grotere faculteiten) de ruggegraat van de vakgroep en faculteit. Velen van hen zijn uiterst bekwaam en zeker niet minder be gaafd dan de hoogleraren. Toch zullen verreweg de meesten van hen nooit de kans krijgen om be noemd te worden tot hoogleraar (afgezien nu van de vraag of ze dat allemaal zouden willen) — eenvou digweg omdat er in Nederland rela tief gesproken maar een handjevol hoogleraarsposten bestaan, en dus niet omdat ze niet zouden voldoen aan één of andere serie „hoge" selectiecriteria, zoals de dekanen van de K U N impliceren. Als het nu waar is (1) dat een grote groep wetenschappers aan de uni versiteiten en hogescholen minstens net zo kwaliteitvol, levenswijs en ervaren zijn als de hoogleraren, en (2) dat het merendeel van deze
Samenvattend: Wie komt aan de universiteiten en hogescholen in aanmerking voor een hoog salaris? Persoonlijk blijf ik het houden bij het kriterium van de zware verant woordelijkheid: alleen de hoog leraar komt in aanmerking voor een hoog salaris, omdat hij nog steeds een onevenredige last van verantwoordelijkheid en pressie draagt (bij een eventuele structu rele verdeling van deze last zal die vraag natuurlijk anders moeten worden beantwoord). Maar als er voor de criteria van bepaalde kwa liteiten en van levenswijsheid wordt gekozen (vgl. de heer Klein en de Nijmeegse dekanen), zit er m.i. niets anders op dan te stellen dat het ge woon onbillijk is wanneer de sala risschalen van de hoogleraren en de andere wetenschappers niet voor een behoorlijk deel elkaar overlap pen. Het is in ieder geval te hopen, dat de dekanen van de VU, wanneer ze zich hierover nog niet hebben uitgesproken, een meer aanvaard bare, konsekwentc en geloofwaar dige positie t.o.v. het voorstelKlein ztillen innemen d a n van de N ü meegse dekanen. Drs. J. D. GOR T, WM, Theologische Faculteit
VUSO: grote bezwaren tegen loting De VUSO heeft grote bezwaren tegen het lotingssysteem. Hans B ecker, sekretaris Onderwijs van de VUSO, geeft in onderstaand artikel weer waarom. Het is een (afsluitend) vervolg op het artikel in Ad Valvas van 29 november. Het is nuttig melding te maken van enkele overwegingen uit de nota van prof. B akker (Leiden), waarin hij grote bezwaren tegen loting noemt. Er bestaat dan namelijk geen enkele relatie tussen de kapa citeiten van de adspirantstudenten en de toelating tot het hoger onder wijs. Het is onaanvaardbaar, dat door de voorgestelde vorm van „staatsloterij" op volstrekt wille keurige wijze wordt uitgemaakt, wie wel en wie niet de kans krijgt zijn of haar vermoedelijke ge schiktheid voor een bepaalde zelf gekozen studie te bewijzen. Het is dem ,t;ogisch bij loting te spreken van „iedereen heeft gelijke kansen", omdat in tegendeel door loting de kansen kunstmatig ongelijk worden gemaakt.
Een tweede bezwaar is dat alge mene loting de positie van het VWO ondermijnt. De resultaten die de docenten met hun leerlingen hebben behaald worden hierdoor als irrelevant opzij gezet en van generlei waarde geacht voor het hoger onderwijs. Het gevoel van bevrediging na behaalde prestaties verdwijnt totaal om plaats te ma ken voor frustraties door irratio nele, onrechtvaardige toelatings procedures. Hoewel konkurrentie sfeer op het VWO tegengegaan moet worden, is deze tot op zekere hoogte gezond en indien verschillen van kapaciteit volledig genegeerd worden zal dit een verlaging van niveau ten gevolge hebben. Dit is hierom een argument tegen loting, omdat als het niveau hoger is meer mensen tot universitair onderwijs toegelaten kunnen worden, aange zien het dan goedkoper wordt, ter wijl bovendien het „numeriek ren dement" van de studie groter wordt, daar minder mensen tijdens de studie af zullen vallen. Dit af vallen is onaangenaam, zowel uit
oogpunt van de kandidaten als uit oogpunt van de maatschappij. Prof. B akker komt zelf tot drie mogelijkheden, in volgorde van voorkeur: a. een universitair brug jaar, waartoe alle adspirantstuden ten worden toegelaten; b. een uni versitair toelatingsexamen; c. toe lating op grond van eindexamen cijfers, eventueel aangevuld met een psychologische test. Hoe deze selektieprocedures ook zijn, men neme niet uit wanhoop de toevlucht tot onredelijke metho den als loting. Men zou bij een be perkt aantal plaatsen in elk geval diegenen moeten toelaten, die een grote kans hebben om de studie van hun keuze met succes te vol brengen. Loting zou ook nog maat schappelijk onrechtvaardig zijn, om dat dan gefortuneerde adspirant studenten in het buitenland kunnen gaan studeren, terwijl hun niet gefortuneerde lotgenoten met goe
Zie ook pagina 11
Advertentie
/É::ilxi'voor studéntëntbegint'mét'i 5^-y0'} de sterkstgröeiende béasitsvb^milió^
, : / % ; ^ D e prijs van hel ASRIidrriaatschap;H€!t^e5uJtaäl? ;o^ : 5;: 0:15 tot 50Vd échte kortihgóp vrijwel alles viätje nodig hebt. ; • :;: todp even bij deÄSÄ/ASR binnen. Er is een kaiïtóór'iri élke studentenstad »w; ! > ; , * ; ; " , Centrale informatie: 030 r 33 3444;:: :;; v^ : : ' i s i
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1974
Ad Valvas | 404 Pagina's