Ad Valvas 1974-1975 - pagina 209
AD VALVAS — 17 JANUARI 1975
NOTA WETENSCHAPSBELEID STELT
Maatschappelijke relevantie en democratisering centraal In zijn omvangrijke Nota Wetenschapsbeleid van lialf december heeft minister Trip een breed vernieuwings- en coördinatieplan voor de Nederlandse wetenschapsbeoefening gelanceerd. In zijn beleidsvoornemens zijn vier hoofddoelstellingen te onderscheiden: 1. Het afstemmen van het wetenschappelijk onderzoek op de prioriteiten van de samenleving, waarbij als voorwaarden voor het operationeel maken gelden dat „de verschillende behoeften die leven in de maatschappij voldoende duidelijk tot uitdrukking dienen te worden gebracht om er samenhangende onderzoekprogramma's op te kunnen baseren" en dat de bereidheid en interesse „om op een bepaald probleemgebied in gecoördineerd verband een wetenschappelijke inbreng te leveren" ook bij de onderzoekers zelf aanwezig is. 2. De kwaliteitsbewaking van de wetenschapsbeoefening, waarbij de overheid de ontplooiing van het vrije en fundamentele onderzoek zal moeten veiligstellen. Minister Trip acht dit vrije onderzoek gerechtvaardigd en noodzakelijk omdat „dit" een vereiste is voor de opleiding van wetenschappelijke onderzoekers, en van invloed is op het gehele wetenschappelijke klimaat van ons land". Daarbij moet het ongerichte, fundamentele onderzoek de grondslag leggen voor d^ vernieuwingen die voorzien in de behoeften van toekomstige generaties. „Als zodanig is hier sprake van een cultuurgoed van de eerste orde", concludeert Trip. 3. Bevordering van de doelmatigheid in het gehele pakket van de begrotingsproblematiek, de projektregistratie, beoordeling en selectie van Projekten, evaluatie en terugkoppeling, en verspreiding van wetenschappelijke en technische informatie. De minister denkt daarbij aan een organisatiestructuur opgezet vanuit een „gezamenlijTc actiemodel". Dit coördinatiemodel vorm een compromis tussen een pluralistische en centralistische opzet. Hierbij wordt een centrale instantie in het leven geroepen voor de besluitvorming t.a.v. het wetenschapsbeleid (een ministerscomité
Vervolg van pagina 3
Ook heeft de universiteit in verband met uitbreidingsplannen voor het Wilhelmina Gasthuis woningen aangekocht totdat werd vastgesteld dat de uitbreiding niet zou doorgaan. Bij de overdracht bleek de vorige eigenaar, gemeente grondbedrijven, niet de wettelijke huiurverhogingen van de laatste drie Jaar te hebben doorberekend aan de huurders. De universiteit wordt nu nalatigheid verweten omdat zy daar geen acht op heeft geslagen. De rekenkamer heeft voorts kritiek op het feit dat voor twee nieuw gebouwde panden, het psychologisch laboratoriimi en het 'maupoleum', pas na enige jaren huurkontrakten met de eigenaars zijn opgesteld. Het beheer van de stichting academisch rekencentrum amsterdam (s.a^.a), het computercentrum waarin de TJvA, de VU en de stichting mathematisch rekencentrum deelnemen, vertoonde ook leemtes. De baten uit diensten aan derden zijn niet gerestitueerd aan de stichtingspartners en het ministerie, ert de administratie van deze bijverdiensten is niet per debiteur maar per geval ingedeeld. Zo stonden er in 1973 op de grootboekrekenmg 'debiteuren' niet mulder dan 2000 boekingen, waarvan een derde deel bedragen van minder dan twintig gulden betrof. De rekenkamer twijfelt aan de volledigheid van de geadministreerde vorderingen. In sommige gevallen bleek de tenaamstelling van een vordering onjuist te zijn. Zo kwam het voor
met een coördinerende minister), waardoor het totale beleid over de onderzoekgrenzen van de departementen heenkijkt. 4. Tenslotte de interne en externe democratisering van de wetenschapsbeoefening die minister Trip beschouwt als een „randvoorwaarde" voor de maatschappelijke relevantie van het onderzoek. De minister vindt dat het rangenstelsel in de wetenschap „een ondergeschikte rol" moet spelen bij de besluitvorming en dat de beleidsvorming gebaseerd moet zijn op deskundige adviezen „die vanuit de basis via het middeimivau de top bereiken". Op het punt van de externe democratisering betekent dit invloed vanuit het parlement en ook het scheppen van mogelijkheden voor beïnvloeding door maatschappelijke groeperingen en „soms ook actiegroepen". In dit verband wordt ook het idee van een „wefenschapsparlement" genoemd. WISSELWERKING De conclusie van Trip is tenslotte dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid op het topniveau bij de overheid moet liggen, terwijl de wetenschap primair verantwoordelijk blijft voor de beslissingen op het basisniveau. Zo moet dan een wisselwerking ontstaan tussen top en basis „die voor een doeltreffende wetenschapsbeleid onmisbaar is", aldus Trip. „De organisatiestructuur voor het wetenschapsbeleid zal gekenmerkt moeten zijn door een samenwerking tussen overheid, maatschappij en wetenschap, die elkaar op het middenniveau ontmoeten". De nieuwe organisatiesctructuur voor het wetenschaps- en onderzoekbeleid vloeit voor Trip duidelijk voort uit de tekortkomingen van de huidige structuur. Als grootste hindernissen naar een „samenhangend wetenschapsbeleid" noemt Trip „het gebrek aan doorzichtigheid en daardoor bespreekbaarheid
dat een advokaat, die voor de tuiiversiteit een gerechtelijke procedure voerde over een schadeclaim van 63 mille, zelf voor de vordering werd aangemaand. Tenslotte somt de rekenkamer een groot aantal onjuiste boekingen op, variërend van ten onrechte niet afgevoerde boekingen tot het zoekraken van een saldokaart van ruim 90 mille. PER 1 SEPTEMBER 1975 HUURVERHOGING 8% Ook de SSH van de VU heeft van het ministerie voor het komende jaar minder subsidie gekregen dan was gevraagd; op het moment dat we dit schrijven waren de officiële getallen nog niet bekend. Naar verluidt zou de SSH ongeveer 200.000 gulden minder krijgen dan was gevraagd. Interessant is overigens om welke redenen het ministerie gekort heeft op de begroting van de SSH namelijk: — Per 1 september komt er een huurverhoging van 8 %. — Voor onderhoud is een maximum van 450 gulden per wooneenheid per jaar aangehouden (de SSH-VU) zat daar boven). Deze norm is nog niet eerder gehanteerd en komt geheel uit de lucht vallen; in ieder geval is er met de verschillende stichtingen Studentenhuisvesting geen overleg over geweest en is niet duidelijk hoe die norm tot stand is gekomen. Evenmin is duidelijk wat er wel onder de post onderhoud gerekend moet worden en wat niet. Men moet zich bij de SSH nog buigen over de vraag waarop bezuinigd zal moeten worden maar waarschijnlijk zal de post onderhoud wel een stevige veer moeten laten. (F.C.-A.N.P,-J.V.)
van een groot deel van het universitair onderzoek" en „de in veel gevallen te grote autonomie van de door de overheid gesubsidieerde onderzoekinstellingen". De nieuwe structuur wil Trip baseren op de wisselwerking tussen invloed vanuit de basis en vanuit de centrale beleidsdoelstellingen. Tevens moet die structuur zo flexibel zijn, „dat ze zich gemakkelijk aan nieuwe ontwikkelingen kan aanpassen", maar ook moet zoveel mogelijk worden aangesloten bij bestaande organisatiestructuren. De omstreden nota van de gespreksgroep Universitair Onderzoek (GUO-nota van De Brauw) is daarbij van tafel verdwenen. Trip komt tot drie componenten van het nationaal onderzoekpotentieel: 1. Het zgn. eerste geldstroomonderzoek bij de universiteiten, waarvan de activiteiten nauw verweven zijn met het onderwijs. De eerste verantwoordelijkheid daarvoor blijft bij minister van O. en W. liggen, terwijl de prioriteitenstelling en themakeuze primair bij de instellingen en hun organen berust. Omdat dit universitaire onderzoek niet is los te koppelen uit het planningssysteem voor het tertiair onderwijs heeft Trip deze eeiste geldstroom verder uit zijn organisatiemodel weggelaten. 2. Het tweede geldstroomonderzoek behelst het onderzoek dat uit aanvullende overheidsmiddelen wordt gefinancierd. Het gaat hierbij vooral om fundamenteel en zuiver wetenschappelijk onderzoek. De verantwoordelijkheid berust bij O. en W. en de prioriteitenstelling en themakeuze geschiedt door de betrokken onderzoekers binnen het door de overheid geformuleerde z wa artepuntenbel eid. De bedoeling is dat het ZWO omgebouwd wordt tot een Raad voor het Wetenschappeiyk Onderzoek (RWO) met afdelingen en onderafdelingen voor wetenschaps- en deelgebieden. Het jaarlijkse RWO-programma en met meerjarenplan wordt aan de minister voorgelegd en is openbaar. In de centrale raad
Mini\'ci
l . If
Ilip
van de RWO is de overheid zwaar vertegenwoordigd met 6 man (5 + de voorzitter) via O. en W., één van Landbouw en Visserij en één vertegenwoordiger van de minister van Wetenschapsbeleid (Financiën heeft een waarnemer). De instelUngen krijgen 5 RWO-leden op voordracht van de Academische Raad en verder hebben de voorzitters van de RWO-afdelingen zitting. De RWO gaat er naar streven zgn. „werkgemeenschappen van onderzoekers" in te stellen. Alle thans onder ZWO resorterende instituten zullen in een afzonderlijke beheersorganisatie worden ondergebracht. 3. Het buiten-universitair onderzoek (overheids- en semi-overheidsinstituten en het bedrijfsleven blijft primair de verantwoordelijkheid van de vakministers (prioriteitenstelling en themakeuze). De coördinatie en beleidsvoorbereiding zal georganiseerd worden volgens „maatschappelijke aandachtsgebieden", waarbij door de verantwoordelijke vakministers in overleg met de minister van wetenschapsbeleid sectorraden worden ingesteld. In die raden zijn de onderzoekinstellingen vertegenwoordigd, de vakministers via door hen benoemde onderzoekers en verder vertegenwoordigers van de gebruikerswereld en de overheid. De taakstelling is adviserend — meerjarenplannen in hoofdlijnen — en daarnaast stimulerend in de zin van het bevorderen van overleg over de onderlinge afstemming van onderzoekplannen. Wederzijdse informatie en coördinatie van universitair en overig onderzoek acht Trip een harde noodzaak, wil er tenminste iets terecht komen van de totaalopzet en het zwaartepuntenbeleid. Dat zal dan moeten gebeuren via werkgemeenschappen waarin vertegenwoordigers uit alle hoofdcomponenten deelnemen, terwijl in de zgn. sectorraden vertegenwoordigers van universiteiten en hogescholen kunnen
BRIEF AAN KAMERFRAKTIE
PvdA-studenten tegen herstructurering Een groep studenten uit verschillende universiteitssteden die allen lid zijn van de Partij van de Arbeid heeft zich in een brief aan de kamerfraktie van deze party nitgesproken tegen het wetsonf^'erp Herstruktureriug. Een wet, die elementen bevat als een selektieve propedeuse van éné jaar, een uniforme kursusduur van vier jaar, een postdoktorale fase en waarin voldoende garanties voor de eenheid van onderwqs en onderzoek ontbreken, is naar hun mening in strgd met het uitgangspunt van het laatste programma van de progressieve drie, Keerpunt '72. Zij citeren daarbij dit programma, waar het zich uitspreekt vóór experimenten met vorm ,inhoud en bestuursstruktuur van het wetenschappelijk onderwijs, voor de eenheid van onderwijs en onderzoek en tegen uniformiteit van de kursusduur. Het wetsontwerp wordt door de PvdA studenten in zijn huidige vorm als „volstrekt onaanvaardbaar" afgewezen. Het biedt geen oplossing voor „de wetenschappelijke, maatschappelijke en didaktische gebreken van het wetenschappelijk onderwijs." De huidige ontwikkelingen in de standpuntbepaling van de fraktie wordt door de studenten toegejuicht: „Was tot nu toe de opstelling van de fraktie weinig afwijkend van het beleid van de vorige DS'70 en CHU-ministers, nu lijkt
de ontwikkeling van een zelfstandig beleid, gebaseerd op Keerpunt '72 en aansluitend op de recente ontwikkelingen binnen de universiteiten, weer mogelijk." GEEN CONCESSIES Verder gingen de studenten er bij de fraktie op aan, dat zij de in het Keerpunt neergelegde uitgangspunten zullen verdedigen, ook tegenover hun partijgenoten in de regering. Van Kemenade en Klein, die tot nu toe „in ongewijzigde vorm op dit punt het beleid van de Brauw en van Veen menen te moeten overnemen". Daarbij mogen, volgens de studenten, geen consessies worden gedaan: „In de onderhandelingen met de andere partijen en het kabinet mag de kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs niet opgeofferd worden aan een vermeend gezamenlijk belang, noch het lijdend voorwerp van een kompromis worden (kollegegeld, abortus, enz.)". Tenslotte wordt er gevraagd om een diskussie in de partij over de aard van de toekomst van het wetenschappelijk onderwijs, en bieden de studenten, die allen funkties vervullen in de studentenvakbonden en univereitaire bestuursorganen, aan om bij de definitieve meningsvorming in de fraktie hun ervaringen ter beschikking te stellen. H. V. Z.
worden opgenomen, RWO-afdelingen en sectorraden informeren en adviseren elkaar en verder is nog contact binnen het Interdepartementaal Overleg voor het Wetenschapsbeleid (lOW). BEDRIJFSLEVEN Een van de moeilijke punten blijft het bedrijfsleven. Minister Trip wil het bedrijfsleven op basis van wederzijdse inbreng betrekken bij een aantal sectorraden. Hij gaat daarbij uit van „een voldoende mate van openheid van de zijde van het bedrijfsleven". Een samenspel dat tijd nodig heeft om te groeien, aldus Trip die in zijn nota stelt :„De ontwikkeling van een nationaal wetenschapsbeleid is niet denkbaar zonder daarbg het door het bedrijfsleven uitgevoerde onderzoek- en ontwikkelingswerk te betrekken". RTZ/UK Groningen G.U.PJ>.
Reactie van VWO/BWA op Nota-Trip
In een voorlopig commentaar op de nota wetenschapsbeleid van minister Trip zegt Peter Tindemans, lid van de werkgroep wetenschapsbeleid van het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers en de Bond van Wetenschappelijke Arbeiders, het bijzonder te betreuren dat het universitair onderzoek grotendeels buiten schot is gebleven. „Dat onderzoek, waarvoor het ministerie van onderwijs en wetenschappen jaarlijks rond 900 miljoen beschikbaar stelt, staat buiten het wetenschapsbeleid. Slechts ongeveer tien pet. van het op universiteiten uitgevoerde onderzoek, namelijk de MO miljoen die via de organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek op aanvraag voor gerichte onderzoeken wordt besteed, valt onder zijn beleid", aldus Peter Tindemans. Hij vreest dat de doelmatigheidsbevordering, die minister Trip nastreeft, gevolgen heeft op het verrichten van een zekere hoeveelheid wetenschappelijk speurwerk. „Ik geloof veel meer dat een goede coördinatie van de twee stromen geld naar de universiteiten door de minister van wetenschapsbeleid de doelmatigheid zal bevorderen zonder dat recht van de individuele onderzoeker aan te tasten", zo meent hij. „MODERNER JASJE" Het voorstel van de minister Z.W.O. om te bouwen tot een raad voor wetenschappelijk onderzoek vindt hij mager. „Dat voorstel is niet in een ruimer kader geplaatst. Nu lijkt het erop alsof er niet veel meer gebeurd dan dat Z.W.O. een wat moderner jasje krijgt. Positief is wel dat de raad afwijzingen van aanvragen voor onderzoek moet motiveren en dat er beroep op die beshssing mogelijk is", stelde hij. In de Z.W.O. vindt hij weinig ruimte voor juist de onderzoeker die zijn maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef waar wil maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1974
Ad Valvas | 404 Pagina's