Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1974-1975 - pagina 179

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1974-1975 - pagina 179

5 minuten leestijd

11

AD VALVAS — 6 DECEMBER 1974

Vervolg van pagina 2

m de of uitstekende eindexamencijfers dit niet kunnen doen.

DE NUFFIC EN HET INTERNATIONALE ONDERWIJS

UNIEKE NEDERLANDSE BIJDRAGE AAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

KONKLU5IES Gezien de grote bezwaren tegen loting, die in het bovenstaande en voorgaande artikel naar voren gebracht zijn, wijzen wij deze af. Aan toelatingsexamens zijn de nadelen verbonden, dat aan een korte periode grote gewichten worden toegekend en de grote hoeveelheid extra werk voor de kandidaten, die deze procedure met zich meebrengt. Terwijl het eindexamen een kriterium is, dat bestaat uit komponenten als intellekt, ijver en belangstelling die er alle in verwerkt zijn, worden bij een psychologische test een of twee komponenten kunstmatig uit het geheel gelicht. En als de test negatief uitvalt, terwijl de eindexamencijfers best zijn, ontstaan merkwaardige dilemma's. Wij staan een selektiekriterium voor, dat gemei^d gebaseerd is op eindexamencijfers en de resultaten in de propedeuse. We gaan ervan uit, dat eindexamencijfers een goed beeld geven van het geheel der verschillende kapaciteiten van de kandidaat. Het is echter noodzakelijk, dat precies onderzocht wordt hoe de korrelatie is tussen de eindexamencijfers en de geschiktheid voor een bepaald vak. Bij welke vakken b.v. is deze onverkort positief? Een mogelijkheid is de studierichting te korreleren aan verwante gedeelten van het eindexamen: bij medicijnen b.v. komt scheikunde in aanmerking, uit welk vak men dan cijfers van voor medicijnen relevante onderdelen mede kan laten gelden. In eerste instantie is dus kriterium het gemiddeld eindexamencijfer, c.q. cijfers gekorreleerd aan de gekozen studierichting. Men neemt echter b.v. 30% meer op dan het toe te laten aantal bij de studierichting, terwijl de rest bij de propedeuse afvalt. Eén mogelijkheid is bij het eindexamen een randcijfer, b.v. IVz te stellen, waarboven iedereen toegelaten wordt. D e andere mogelijkheid is dat men bij de kandidaten naar bovenaf aftelt tot men stopt als de numerus fixus is bereikt. Bij de boven voorgestelde procedure is het argument tegen selektic, o p eindexamencijfers, dat de sociaal lagere milieus ten onrechte in het nadeel zijn, opgeheven, aangezien ook de wat minder talentvollen een kans krijgen de achterstand in te halen bij de propedeuse. Ook in het algemeen blijkt, dat sommigen op de middelbare school matige resultaten behalen en later geniale studenten worden, Zo'n „slow start" is dus ook ingekalkuleerd. Deze selektieprocedure, deels op grond van propedeuse, heeft als volgend voordeel dat de geschiktheid van de kandidaat op zeer lange termijn in ogenschouw wordt genomen, zodat het gevaar van niet-representatieve resultaten, die soms in een korte periode kunnen bestaan, is verminderd. Bovendien worden kapaciteiten als geschiktheid voor het specifieke vak, zelfwerkzaamheid en kreativiteit, die meer bij uitstek in de propedeuse naar voren komen, mede in de selektieprocedure verwerkt. Het is een ideale situatie, wanneer in deze propedeuse het hele jaar zo iemand gevolgd wordt ten aanzien van zelfwerkzaamheid, tentamenresultaten, algemene interesse, enz., zodat niet alles in een week geperst hoeft te worden, wat voor beoordeling in aanmerking komt. Men denke ook aan een student-assistent die de mensen zo'n jaar begeleidt (vgl. Engelse mentorsysteem). Men noemt tenslotte nog als bezwaar tegen selektie op eindexamencijfers, dat het onderwijs per school verschilt, voor een bepaald vak zelfs per leraar en dat dit zijn invloed heeft op de cijfers. In de eerste plaats echter is het een taak voor het Middelbaar Onderwijs om de programma's zoveel mogelijk gelijk te trekken, terwijl we in de tweede plaats ook hier mogen stellen dat „goed zaad overal kiemt". Het financiële bezwaar, dat men tegen selektie in de propedeuse inbrengt, heeft weinig gewicht, daar het zwaartepunt van de kosten van het W.O. in het doktoraal ligt.

Internationale postakademische kursnssen — v a n beperkte d u u r en m e t h e t Engels (of Frans) als voertaal — vormen een typische Nederlandse büdrage a a n de o n t wikkelingssamenwerking. Van h e t begin van h a a r bestaan (1952) heeft de N U F F I C d a a r i n een ac« tieve rol gespeeld. Na de Tweede Wereldooi'log h e b ben de Nederlandse regering en de imiversiteiten h u n aandeel willen leveren i n de opleiding en h e t onderwijs van buitenlanders die in h i m eigen land vaak onvoldoende scholing konden krijgen voor specifieke f unkties. Daarbij is gebleken d a t twee belangrijke barrières moesten worden genomen. I n de eerste plaats waB er de belemmering van de t a a l — immers vele buitenlandse studenten en afgestudeerden die n a a r Europa kwamen, kozen voor apleiding in landen als Groot-Brittaimië, Frankrijk en i n mindere m a t e West-Duitsland, o m d a t d a a r h e t taalprobleem zich nauwelijks of niet doet gelden. Afgestudeerden uit de ontwikkeUngslanden b e heersten wel een van de moderne Europese talen, m e t n a m e h e t Engels of F r a n s , m a a r zouden, wanneer zü h u n studie in Nederland wensten af te ronden, gedwongen zijn, zich eerst een vreemde t a a l eigen t e maken. Het tweede probleem was d a t van de lange d u u r van de gewone universitaire studie, in Nederland doorgaans vijf tot zeven jaar. EIGEN SYSTEEM O m beide problemen op te lossen, heeft m e n in ons l a n d gekozen voor een eigen systeem van i n t e r nationaal onderwijs. Door h e t k r e e r e n van een reeks van i n t e r n a tionale kursussen op akademisch niveau heeft men de opleiding losgemaakt van h e t systeem van de normale <Nederlands-talige) u n i versitaire studies. Met gebruikmaking van de faciliteiten die u n i versiteiten en andere instituten te bieden hebben, worden de kursussen voornamelijk i n de Etagelse t a a l gegeven. Daarby is gekozen voor zogen a a m d e 'post-graduate' kursussen, opleidingen dus voor deskundigen die in eigen land zijn afgestudeerd en d a a r in h u n vakgebied werkzaam ziJn. Doordat m e n bovendien de kursussen kort houdt — de meeste duren niet langer d a n een jaar, en acht kursussen worden in drie m a a n d e n of m i n der afgesloten —, wordt voorkom e n d a t de buitenlandse kursisten de neiging zouden krijgen om niet n a a r h u n eigen land terug te keren om hier of elders een werkkring te zoeken. Het probleem van de zogenaamde 'brain-drain', d a t zich overal elders voordoet, bestaat dus niet. De belangstelling in de wereld, m a a r vooral in de ontwikkelingslanden, wordt nog versterkt door h e t feit d a t achter de initiatieven en de bemoeiingen van het internationale onderwijs in Nederland geen politieke bedoelingen schuilg a a n zoals die i n politiek invloedrijke l a n d e n worden vermoed. NUFFIC EN I.O. De Netherlands Universities F o u n dation for International Co-operation (NUFFIC) heeft in de o p zet van dit systeem een stimulerende rol gehad. Nauw met de aktiviteiten van de N U F F I C was tot 1955 verbonden h e t I n s t i t u t e of Social Studies, d a t sedertdien een zelfstandige instelling van hoger onderwijs is geworden; daardoor heeft de N U F F I C meer armslag gekregert om zich ook met a n d e r e takken van wetenschap d a n de sociale wetenschappen bezig te houden. De NUFFIC heeft zich i n m i d a t l s k u n n e n ontwikkelen tot een cciitnim vanwaaruit initiatieven worden genomen, zowel op het jiebied van h e t mternationale onder-wijs als op a n d e i e terreinen van umveisitaire onlwikkelingssamenwerk'rg. De postakademische kursussen zijn in h e t algemeen opgezet in samenwerking met Nederlandse universiteiten. De

NUFFIC fungeert tevens als centrum vanwaaruit werving van kursisten plaatsvindt, begeleiding van buitenlandse studenten wordt gegeven en internationale contacten met afgestudeerden worden onderhouden. Het Internationale onderwas moet worden gezien als een belangrijke bijdrage a a n h e t ontwikkelingswerk, zoals d a t door de Nederlanase regering wordt bevorderd. Het richt zich voornamelijk op ontwikkelingslanden en de leerprogramma's zijn zoveel mogelijk aangepast a a n de d a a r bestaande verlangens om een optimaal r e n dement t e verzekeren. D i t vereist van de k a n t van h e n die a a n deze kursussen leiding geven, een voortdm-ende oriëntatie c ^ de problemen t e r plaatse; v a n d a a r d a t vele docenten v a n de kursussen h u n v/etenschappelijke kennis koppelen a a n ervaringen, in die l a n d e n o p gpdaan. Over een lange reeks v a n Jaren zijn duizenden buitenlandse k u r sisten n a a r Nederland gekomen, financieel daartoe in s t a a t gesteld üoor h u n eigen regeringen, m a a r ook door V N.-organl«at?es als de XTNESCO, de World H< a l t h O r g a nization (WHO), d e Food a n d Agricultural Organization (PAO) en de World Meteorological Organization <WMO). Het overgrote deel van de s t u d e n t e n echter s t u deert op een beurs van de D i -

rectie Internationale Technische Hulp van h e t Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ongeveer 30 p r o cent betaalt de studie zelf. BEGELEIDING K U B S I S T E N De NUFFIC besteed veel a a n dacht a a n de begeleiding van de kursisten die hier in een voor h e n vreemde wereld enige tijd moeten verbUjven. Het taalprobleem biyft. De kennis van h e t Engels is in sommige l a n den niet zo goed, vooral niet in landen als Korea, J a p a n , T h a i land, m a a r vaak ook niet in L a tynsamerlkaanse landen. I n h e t verleden hebben kursisten a a n o p leidingen deelgenomen zonder o p timaal profijt, door onvoldoende talenkennis; d a t is verspillii^ van geld e n energie. De talentest is n u onontbeerlijk in de selektie-procedure. De huisvesting is een jaarlijks t e rugkerende brcMi van zorg. De deelnemers b r e n g e n h u n eigen leefgewoonten mee, nog versterkt wanneer hele gezinnen overkomen. Die leefgewoonten worden niet a l tijd door kamerverhuurders geaccepteerd, vooral niet wanneer m e n — begrijpelijkerwijs — zelf zijn maaltijden wil verzorgen. O n d e r komens voor de kui-sisten worden in de regel jn Den H a a g en Delft gezocht. Een belangrijke activiteit is de p o -

ging om de buitenlanders in te leiden in de Nederlandse samenleving. Kontaktmogelijkheder. worden gezocht, introduktiedagen worden belegd. Er is het weekendprogramma 'Meet t h e Netherlands' met excursies en voordrachten, oij voorbeeld over Europese i n tegratie, industrialisatie enz. RESULTATEN H e t is moeilijk t e zeggen wat b e t rendement van h e t internationale onderwijs op lange termijn is. Het gaat immers in hoofdzaak om mensen die door de eigen regering of bestuurs- of onderwijsinstelling in de gelegenheid worden gesteld — meestal met behoud van positie en salaris — om zich op h u n vakgebied verder te specialiseren. Door h e t volgen v a n zulk een kursus en h e t gebruiken van de mogelijkheid om k o n t a k t e n t e leggen m e t kollega's uit vele landen, kunnen de kursisten n a terugkeer thuis h u n meerdere ervaring dienstbaar m a k e n a a n de ontwikkeling van h u n land. D a a r n a a s t is h e t mogelijk d a t h u n m a a t schappelijke karrière door h u n verblijf in Nederland wordt versneld en bevorderd. Tal van ondkursisten hebben kemfunkties verkregen in h u n regeringen, i n ministeries of bü h e t onderwijs. D i t heeft mede tot gevolg, d a t uit de betrokken landen nieuwe k u r sisten n a a r Nederland komen, geadviseerd door oud-kursisten. Deze advisering is een belangrijke drijfveer geweest voor de oprichting — op initiatief v a n de N U F F I C — van een a a n t a l verenigingen van afgestudeerden in verschillende landen, zoals P e r zië, Sri Lanka en Thailand; deze •alumni associations' en de 'newsletter' die zij geregeld uit Nederland ontvangen, bevorderen de culturele b a n d e n tussen die l a n den en Nederland. Op deze wijze levert Nederland een eigen bijdrage a a n h e t internationale universitaire verkeer, met n a m e tussen h e t Westen en de Derde Wereld.

NUFFIC EN LEIDSE UNIVERSITEIT ORGANISEREN:

Konferentie over universitaire ontwikkelingssamenwerking

De NUFFIC (Stichting der Nederlandse Universiteiten en Hogescholen voor Internationale Samenwerking) zal in het najaar van 1975 een nationale konferentie over universitaire ontwikkelingssamenwerking organiseren. Het bestuur heeft inmiddels een aanbod van de Leidse universiteit aanvaard om gastvrijheid te verlenen aan deze konferentie in het kader van haar vierhonderdjarig bestaan. De konferentie is bedoeld als een voortzetting van h e t in 1967 door de NUFFIC en de Utrechtse u n i versiteit georganiseerde beraad. Deze Utrecht-konferentie is tot de konklusie gekomen d a t de Nederlandse universiteiten en hogescholen een eigen verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de ontwikkelingslanden. D a a r a a n is praktische uitwerking gegeven door de instelling en de a k tiviteiten van bm-eaus-buitenland bij deze instellingen van wetenschappelijk onderwijs. Ook h e t Programma voor Universitaire projecten van Ontwikkelingssamenwerking (PUO) k a n worden gezien in h e t verlengde van de Utrechtse konferentie. Het P U O wordt geadministreerd e n gekoordhieerd door de NUFFIC. Het t h e m a van deze konferentie zal worden vastgesteld tegen de achtergrond van h e t vanuit een nog sterk technokratische visie tot stand gekomen 'United N a tions World P l a n of Action for t h e Application of Science a n d Technology' en van de reactie daarop, 'A Unified Approach to Development Analysis a n d P l a n ning' van G u n n a r Myrdal. De laatste onderstreept de interrelatie tussen economische en sociale faktoren in h e t ontwikkelingsbeleid en pleit voor een vernieuwde a a n p a k van de ontwikkelingsproblematiek. Daarbij zal m e n zich beraden

over de vraag onder welke_ o m standigheden en op welke wijze de instellingen k u n n e n worden I n geschakeld biJ de vergroting van de Nederlandse inspanning i n de sfeer van wetenschap en t e c h niek, zoals in beide documenten is voorzien. Aangezien er van een brede bezinning op deze materie binnen de imiversiteiten nog n a u welijks sprake is, zal de t a a k van de konferentie moeten zUn, een uitspraak t e doen over de vraag hoe men een nieuwe stimulans kan geven a a n de programma's voor fundamenteel en toegepast onderzoek t e n behoeve van de minder ontwikkelde landen. Het onderwerp moet tevens worden geplaatst in h e t kader van de p l a n n e n van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, zo-

als die blijken uit de memorie van toeUchting op de begroting van Buitenlandse Zaken, om de onderzoekaktiviteiten op ontwfltkelingsgebied (zoals b.v. h e t p r o g r a m m a van universitaire Projekten voor ontwikkelingssamenwerking, het researchprogramma en h e t universitaire onderzoek) t e bundelen en In de komende jaren verder uit te breiden. Bij de uitwerking van h e t p r o g r a m m a Ugt h e t in de bedoeling, de door de NUFFIC ingestelde werkgroep Onderzoeksbüstand In t e schakelen, die bestaat uit vertegenwoordigers van de universitaire bureaus-buitenland, de NUFFIC en h e t IMWCX3 (Instit u u t voor Maatschappij-Wetenschappelijk Onderzoek in O n t wikkelingslanden) .

Bestuurswisseling Personeelsfonds De navolgende leden van h e t wetenschappelijk personeel uit h e t Algemeen Bestuur van h e t Personeelsfonds zijn s t a t u t a i r a a n de beurt van aftreden: dr. H. van den Berg, voorzitter; drs. D. Boonstra, Ud; terwijl in de vacature, o n t s t a a n door h e t overlijden van dr. L. Bakema n i m m e r is voorzien. H e t College van Dekanen heeft als candidaten voor een bestuursfunctie voorgedragen: dr. J. Greve, wetenschappelijk hoofdmedewerker bij de subfaculteit der N a t u u r k u n d e en Sterrenkunde; dr. W. H. A. Hesselink, wetenschappelijk hoofdmedewerker bij de subfaculteit der N a t u u r k u n d e en Sterrenkunde en prof. dr. J. G. Knol, hoogleraar bij de faculteit der Economische Wetenschappen. Alle candidaten hebben zich bereid verklaard als zodanig zitting te nemen. Het t h a n s zitting hebbende Algemeen Bestuur heeft besloten de voorgedragenen te benoemen. Ingaande 1 januari 1975 is het Algemeen Bestuur als volgt samengesteld: prof. dr. J. G. Knol, voorzitter (wetenschappelijk personeel); de heer J . G. Linssen, secretaris (techn. administr. s t a f ) ; de heer W. R o denburg, penningmeester (aangewezen door h e t College van B e s t u u r ) ; de heer H. R a s (techn. administratieve staf); de heer A. van Rossum (techn. administratieve staf); dr. J. Greve (wetenschappelijk personeel); dr. W. H. A. Hesselink (wetenschappelijk personeel).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1974

Ad Valvas | 404 Pagina's

Ad Valvas 1974-1975 - pagina 179

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1974

Ad Valvas | 404 Pagina's