Ad Valvas 1974-1975 - pagina 186
o
r
LOTING OF SELECTIE:
DE MISVERSTANDEN TUSSEN TWEE KAMPEN Een lichte siddering ging er door het wetenschappelijk onderwijs toen staatssecretaris Klein op de proppen kwam met het voorstel de toelating in de numerus fixus studierichtingen te regelen aan de hand van een loting. „Het leven is, zoals grootmoeder al vertelde, een loterij met vele nieten. Gruwelijk genoeg, maar er is niets aan te doen. En daarom, zo redeneren de moderne rode wereldverbeteraars, kan het geen kwaad de gruwelijkheid van deze natuurlijke loterij in het kwadraat te verheffen door nog een tweede gruwelijke lotery". Tot uit Parijs toe, van waaruit de mislukte wetenschapsman W. F. Hermans als Age Bijkaart in het Parool zijn licht laat schijnen over actuele situaties, werd het zwavelzuur over staatsecretaris Klein uitgegoten. Selectie of loting, wat verdient de voorkeur als door een onvoldoende capaciteit niet iedereen die dat wil tot een bepaald studierichting toegelaten kan worden. De discussie heeft heel wat emoties losgeslagen. Zelfs hoort men beweren dat het geharrewar over de selectie contra loting kwestie niet van belang is, omdat de studentenstops moeten verdwijnen. Wij gaan er gemakshalve maar even vanuit dat de studentenstops er zijn en dat daarom de vraag beantwoord moet worden hoe je dan het beste kunt uitmaken wie wel en wie niet toegelaten wordt tot een studierichting met een stop. Gedurende het aantal jaren dat er sprake is van een studentenstop heeft de manier waarop de toelating geregeld was, nooit zo in de publieke belangstelling gestaan als dat de laatste maanden het geval is. De regeling leek de laatste jaren dan ook helemaal niet zo onredelijk. Wie voor zijn eindexamen een zeveneneenhalf of meer gemiddeld haalde werd zonder meer toegelaten. Wie dat geluk niet smaakte moest loten. Deze vorm van loting heeft de gemoederen nooit zo verhit als nu de algehele loting, zoals voorgesteld door staatssecretaris Klein. RHOON Wie het spoor van de verhitting terug volgt, treft staatssecretaris Klein aan op vrijdag 15 maart op een verkiezingsbijeenkomst in Rhoon, onder de rook van Rotterdam. De staatssecretaris woont daar in de buurt en om de Rhoonse bevolking over te halen op de PvdA te stemmen debatteert hij die avond met het W D - K a m e r l i d mevr. Ginjaar-Maas. Dr. Klein laat daar weten dat hij van plan is in een nog in te dienen wetsontwerp, dat de verlenging van de studentenstop mogelijk moet maken, een regeling op te nemen waardoor iedereen moet loten, onafhankelijk van de behaalde eindexamencijfers. Even zwijgt Nederland verbaasd, dan breekt de verontwaardiging los. Prof. J. Vreeken, hoogleraar in de interne geneeskunde aan de Amsterdamse Universiteit opent het offensief met een ingezonden stuk in het Parool. Dat is op 17 april. Tot zijn spijt, zo meldt hij, heeft hij over deze „bijzondere ingrijpende maatregel" nog niet veel in de couranten mogen aantreffen, „omdat de kolommen gereserveerd moeten worden voor de bespreking van de belangrijke vraag of Ajax of Feyenoord kampioen van Nederland zal worden". In de maatregel ziet hij een nivelleringsfilosofie. „Begaafdheid, waar dan ook voor, ontkend moeten worden op grond van deze nivelleringsfilosofie". Vervolgens zet de hooggeleerde internist zijn politieke analyse voort: „Iedereen zal in de toekomst van dit kabinet ook even oud moeten worden, of
anders zal er toch zeker geloot moeten worden wie nu voor Magere Hein aan de beurt i s . . . " „Deze plotselinge overgang van economische naar biologische nivellering kan belangwekkende gevolgen hebben voor Den Uyl en ons land. Immers het aantal werkelijk begaafden is niet groot (men ziet het bijvoorbeeld weer aan dit kabinet); een land moet in zijn begaafde mensen investeren, teneinde mee te kunnen doen met de rest van de wereld; om Produkten te kunnen maken met verkoopwaarde, maar ook om diensten te kunnen leveren van betekenis aan de wereld (ook de derde)." In Elseviers Magazine van 4 mei vervolgt prof. Vreeken zijn politieke uitstapje tot ver over de landsgrenzen. In een interview laat hij weten: „Mao loot ook niet wanneer een pingpong-team samengesteld moet worden. Zelfs daar Idest men voor de besten". In de uitlatingen van prof. Vreeken zijn alle misverstanden die de loting kunnen veroorzaken opgetast en bovendien wordt de zakelijkheid door de emotie overstemd. NOG DRIE JAAR Eerst maar even het wetsontwerp zelf, waarover zoveel rumoer ontstaan is, uit de doeken gedaan. Staatssecretaris Klein zendt het op 15 mei naar het parlement. De bedoeling ervan is studentenstops voor nog weer eens drie jaar mogelijk te maken. In de memorie van toelichting brengt dr. Klein naar voren dat elk selectiesysteem geschikten niet zal toelaten en tevens niet geschikten wel. Bovendien wijzen de statistieken uit dat een lager gemiddeld cijfers op het eindexamen niet betekent dat men een aanzienlijk lager studieresultaat behaalt. Verder merkt de staatsecretaris op dat het behalen van hoge cijfers niet alleen het resultaat is van de studiecapaciteit. Maar ook allerlei omstandigheden van sociale en persoonlijke aard spelen daar een rol in. Vervolgens zal, door de nadruk op de hoogte van de cijfers er sterkere prestatiedwang ontstaan. Ook ligt een cijferinflatie voor de hand. Met de beslissing over de hele linie de loting in te voeren is staatssecretaris Klein afgeweken van de adviezen, zoals die door de werkgroep Wiegersma uitgebracht zijn. De Amsterdamse hoogleraar Wiegersma kreeg samen met zijn werkgroep de opdracht uit te zoeken welke de beste selectiecriteria waren om de toelating tot de numerus fixus studierinchtingen te regelen. D e werkgroep kwam tot de conclusie dat een hoog examencijfer een grotere kans geeft om de eindstreep van de studie te halen. Daarom adviseerde de werkgroep-Wiegersma de zeveneneenhalf over hoger voorrang te geven bij de toelating. Gedurende drie jaar zijn deze selectiecriteria gehanteerd. Maar nu eerst even terug naar het weerwerk van prof. Vreeken. Gemakshalve gaat hij ervan uit dat de eindexamencijfers een voorspellende waarde hebben ten aanzien van het studiesucces. Dit nu is in zeer beperkte mate het geval, alhoewel daar hevig over getwist wordt. Verder gaat het natuurlijk ook niet aan deze \'orm van loting te vergelijken met het loten voor allerhande andere functies. Immers het behalen van het eindexamen geeft het wettelijk recht om verder te studeren, en de wet gaat er ook vanuit dat men daar geschikt voor is. Deze vorm van loting kan daarom niet vergeleken worden met bijvoorbeeld het voorstel om door loting onder het gehele personeel van een fabriek een nieuwe directeur aan te wijzen. Tja, en dan de pingpongers van prof. Vreeken. De vergelijking zou juist geweest zijn als hij in plaats van over een topploeg, die naar het buitenland uitgezonden wordt, had gesproken over jonge -tafeltennissers met zichtbaar talent, die echter nog in opleiding zijn. Of zij de top
zullen bereiken is nog volslagen onduidelijk, zelfs als zij jeugdkampioen van heel China zouden zijn. Zelfs voorzitter Mao moet maar rustig afwachten wat er int al dat jeugdige talent zal groeien? En als er een gebrek is aan goede trainers, dan zou ook hij kunnen besluiten het lot te laten uitmaken wie van de jonge talenten in aanmerking komt onder de hoede genomen te worden van de beste trainers. LEIDEN ACTIEF Het volgende stapje in de loting contra polemiek werd gezet door de Leidse hoogleraar Bakker. In NRC/Handelsblad van 31 mei kwam hij met een artikel, waarin hij een verband aantoonde tussen eindexamencijfers voor de exacte vakken en de kans te slagen voor de propedeuse biologie, scheikunde of farmacie. In het artikel noemde hij loten „een domme procedure, waarbij men de toelating overlaat aan het toeval: men vlucht voor de verantwoordelijkheid te moeten kiezen ( = selecteren) en daarvoor een zinnige vorm te zoeken." Verder vond Bakker loting tegenover begaafde leerlingen een „grove onrechtvaardigheid". Na het artikel van Bakker was de boot pas goed aan. Hij vroeg instemming met zijn standpunt dat begaafde leerlingen zonder meer tot de universiteit toegelaten moeten wolden en dat de voorgenomen loting geen doorgang mocht vinden. Prof. Bakker kreeg hierop zeer veel reacties, waarvan hij een gedeelte publiceerde in NRC/Handelsblad van 28 juni. Verder ging prof. Bakker ook in andere bladen propaganda maken voor zijn standpunt, door artikelen te schrijven in andere bladen. Zo deed hij dat in Acta et Agenda en in het Weekblad voor Leraren. Als tegenstanders van selectie en voorstanders van loting ontmoette prof. Bakker met name drs. Ben Wilbrink, medewerkers van het Centrum voor Onderzoek van het Wetenschappelijk Onderwijs van de Universiteit van Amsterdam. In het aprilnummer van het tijdschrift „Onderzoek van Onderwijs" verwoordden Wilbrink en zijn Delftse collega Van der Vleugel het standpunt van contactgroep research wetenschappelijk onderwijs. „Hoewel enige voorspellende waarde aanwezig is, kunnen of mogen deze eindexamencijfers toch niet gebruikt worden om er een toelatingsselectie op te baseren, omdat de voorspellende waaide van studiesucces op lange termijn, meer nog voor succes in beroepssituatie, nog veel geringer is of geheel afwezig. Dit gegeven, gecombineerd met dat andere dat tenzij selectie gebaseerd op eindexamencijfers de kans groot is dat geselecteerd wordt op specifieke persoonlijkheidskenmerken als dociliteit, of een eenzijdig pakket intellectuele begaafdheden en vaardigheden e.d., wijst naar mogelijk ongunstige en ongewenste consequenties van een dergelijke selectieopzet." AANPASSING „Daarnaast legt selectie op grond van studieprestaties een al te eenzijdige nadruk op aanpassing van de student aan het secundair onderwijs, een bescherming van traditionele onderwijspraktijken, die nieuwe ontwikkeling niet bevordert." „Tenslotte zullen afgewezenen voor een bepaalde studie beschouwd worden als een negatief geselecteerde groep, waarbij de betrekkelijk grote foutenmarge gemakshalve wordt vergeten." De conclusie van Wilbrink en Van der Vleugel liet niet veel misverstand over: „Zolang in Nederland in het middelbaar onderwijs dat voorbereidt op het hoger onderwijs, zo zwaar geselecteerd wordt als helaas nog steeds gebruikelijk is, mag niet verwacht worden dat op korte termijn enigerlei vorm van toelatingsselectie voor het hoger
onderwijs, anders dan loting, gevonden kan worden die de toets der kritiek zal kunnen doorstaan." „Daarom is het van belang er nog eens op te wijzen dat loting, waar het gaat om een beperking van aantallen die noodzakelijk wordt geacht, voor alle gegadigden „vooralsnog de meest aanvaardbare, de meest billijke en redelijk valide, de meest objectieve, de meest doelmatige en de meest doorzichtige oplosing" lijkt (W. Wijnen, 1973). Tevens moet worden aangegeven hoe in de toekomst terugkeer naar een absoluut toelatingsrecht kan worden gegarandeerd." Dit standpunt werd Wilbrink en zijn collega door prof. Bakker niet in dank afgenomen. Alhoewel Wilbrink zich in een nota van november 1971 al uitsprak voor een selectie door middel van loting, vond Wilbrink dat hem door de argumentatie van Bakker niet in alle opzichten recht was aangedaan. Dat recht probeerde hij te verkrijgen door in NRC/Handelsblad van 27 september een lang en doorwrocht artikel te schrijven, waarin hij wederom opteerde voor de loting. De reacties daarop, enerzijds van de Utrechtse hoogleraren Leppink en Veldkamp en anderzijds van prof. Bakker uit Leiden, deden voor Wilbrink de deur dicht. Er werd zo weinig ingegaan op zijn argumenten en de onzakelijke kritiek ergerde hem zo, dat hij besloot de krantendiscussie te kappen en in een later stadium voor vakgenoten in een wetenschappelijke publikatie de zaken nog eens uit de doeken te doen. VERSCHIL D e Groningse hoogleraar dr. Willem Hofstede, deskundige op selectiegebied, ziet een duidelijk verschil tussen de voorstandes van selectie en tussen de voorstanders van loting. Hij is wel van mening dat
eindexamencijfers een heel klein beetje meer voorspellende waarde hebben dan dat bij loting het geval is, maar hij geeft de voorkeur aan loting. Hoger onderwijs is immers een vorming waar iedereen recht op heeft. Het succes daarvan komt op de tweede plaats. Daarom kun je de schaarse plaatsen het best verlaten. Het enkele genie dat daarbij niet tot zijn favoriete studieiichting wordt toegelaten zal er toch wel komen. Prof. Hofstee denkt dat voorstanders van de zeveneneenhalf-regeling voornamelijk de doelmatigheid op het oog hebben. Zou je nu in zijn algemeenheid kunnen zeggen dat mensen die fulmineren tegen het loten en een sterke voorstander zijn van de IAveneneenhalf-regeling, dat deze mensen voorstander zijn van een technocratische maatschappij-ordening, terwijl de voorstanders van loting de universiteit meer zien als gers? Hofstee: „Nou ik geloof dat je moet zeggen wanneer je inderdaad gaat zoeken naar de achtergronden van standpunten en wanneer je gaat kijken waar dat nou op zou kunnen berusten, dat je dan globaal gesproken bij zoiets teiecht komt." — Maar dan is het vreemd da' voorstanders van selectie zo ein*' een opleiding voor mondige burtioneel doen over de voorstanders van loting, termijl de eersten rationaliteit nastreven in de maatschappelijke ordening. Hofstee: „Ja, er zijn twee sooiten rationaliteit hè. De een betekent
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1974
Ad Valvas | 404 Pagina's