Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1974-1975 - pagina 222

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1974-1975 - pagina 222

14 minuten leestijd

8

Wie verdient aan wetenscliappelijl(e publil(atie?

OU 1 iman loeili teng etni verc atg< eme« as, \ len c idai elft atst iteit' ÏRI

De catalogus van fiscale en juridische boeken en tydschriften van uitgeverij Kiuwer bevat de namen van honderdvierenveertig hoogleraren. In teamverband of alleen werkten zQ aan hun publikatie, deels in werktyd, deels thuis, en ontvingen in relatie tot de verkoopcijfers hun honoraria. Velen van hen genieten een behoorl^ke vrgheid in het indelen

Die honderdvierenveertig hooggeleerden van Kiuwer staan uiteraard niet alleen. Ook ia andere vakken wordt veel gepubliceerd; door professoren, wetenschappelijke medewerkers en anderen in universitair dienstverband. En al is Kiuwer daa een grote uitgeverij, het is bij lange na niet de enige die het publiceren van wetenschappelijk werk tot haar pakket rekent Per jaar vinden duizenden boeken, tijdschriften en artikelen, waar een universitaire werknemer d e hand in heeft gehad, hun weg door het land. Van een groot deel daarvan kan gezegd worden, dat het dubbel betaald wordt; door de gemeenschap die de salarissen van het universitaire personeel opbrengt, en door de koper die de auteursrechten moet betalen. Is dat redelijk? Of, een andere vraag: moeten niet aan de universiteit de auteursgelden worden toegeschoven? GEEN OPDRACHT D e juridische discussie over de laatste vraag speelt al sinds 1950. Mr. C. Croon en prof. Hirsch Ballin betraden toen het strijdperk. D e eerste hield vol dat hoogleraren en wetenschappelijke medewerkers hun rechten wel degelijk via de auteurswet aan de universiteit dienen af te staan. Hirsch Ballin beweerde het tegendeel. Dit gevecht werd in 1964 herhaald zonder veel nieuwe gezichtspunten op te leveren. In de daarop volgende jaren lareeg vooral Hirsch Ballin medestanders. Prof. J. M. Polak schaarde zich in 1972, in zijn rectorale rede aan zijn zijde, en nog vorige maand sloot ook mr. H. J. Smit zich in het Nederlands juristenblad bij hem aan. Het probleem is, dat de universiteit aan zijn werknemers niet de strikte opdracht gegeven heeft naast het verzorgen van onderwijs en onderzoek ook nog te publiceren. Zonder dat dat strikt tot hun taak behoort resulteert het onderzoek wel vaak in een publikatie. Was de publikatieplicht wel geregeld dan lag de zaak eenvoudig en vond de universiteit artikel 7 van de auteurswet aan haar zijde: 'Indien de arbeid, in dienst van een ander verricht, bestaat in het vervaardigen van bepaalde werken (...), dan wordt tenzij tussen partijen anders is overeengekomen, als maker van die werken aangemerkt degene in wiens dienst zij zijn vervaardigd.' De grap nu is dat die 'bepaalde werken' niet in dienst, maar daa toch veelal voor een deel wel in diensttijd klaargestoomd zijn. D e juristen Olbers en Verkade noemen in Intermediair van september 1973 de vraag of het juist is, dat het honorarium door de auteur behouden blijft dan ook wel degelijk voor discussie vatbaar. 'Er kan onvrede bestaan dat de werknemer 'zich twee keer laat betalen.' Het feit dat het publiceren van een boek of een artikel meestal een 'nevenverschijnsel' is, dat optreedt als de werknemer toch op een bepaald gebied onderzoek verricht, en dat de vruchten daarvan primair aan de werkgever terugvloeien door het enkele feit dat het onderzoek verricht is, doordat het resultaat ervan binnen de werksituatie kan worden toegepast en doordat het via het onderwijs kan worden doorgegeven, is wel een reden om de gesuggereerde onbillijkheid in reële propor-

ties te zien, maar niet om haar te ontkennen.' D E GRENS Doordat zij van de universiteit geen uitdrukkelijke opdracht tot publiceren hebben gehad, zich in de praktijk toch veelal gedragen alsof dat wel het geval was, doordat publikatie vaak een logisch uitvloeisel van hun wetenschappelijke arbeid is en openbaarmaking van onderzoek door sommigen zelfs als plicht aan de gemeenschap wordt gezien, bevindt de universitaire auteur zich ergens o p de grens van artikel 7. Het droit moral, dat de band tussen maker en produkt beklemtoont hoort hem, gezien zijn vrijheid van onderwijs en onderzoek, zeker toe. Of dat van het vermogensrechtelijk aspect van het arbeidsrecht gezegd kan worden is zeer de vraag. Verschillen de juristen hierover van mening, het scala van opinies en praktische uitwerkingen aan de universiteit is zo mogelijk nog groter. Daar is bijvoorbeeld prof. A. Heertje, gevierd auteur — een enkel werk bereikte reeds de zevende druk — en publicistisch uiterst actief. Hij wil best toegeven dat hij aan zijn schrijverij, waarvan overigens een deel stamt uit de tijd dat hij nog niet aan de universiteit verbonden was, flink verdiend heeft Hij kan zich ook best voorstellen dat hij het honorarium afdraagt, maar dan moet iedereen meedoen. Het verhaal krijgt een politieke draai. Heertje: 'Als het zo was dat alle hoogleraren in dezelfde mate aan wetenschappelijk werk en publicistische activiteiten zouden deelnemen, is er wat mij betreft niets op tegen dat de voordelen aan de univeristeit toekomen. Maar dat gebeurt steeds minder. N u zie je al die benoemingen op zuiver politieke gronden tot stand komen: en die mensen publiceren weinig of niets. Heertje wil echter niet zover gaan het ontvangen honorarium als een premie op goed gedrag te zien. E n weeg je alle voors en tegens goed tegen elkaar af, dan is het eigenlijk niet meer dan redelijk dat de auteur aan zijn werken verdient. 'Als ik succes heb — en dat is onmiskenbaar zo — met mijn boek^i, dan komt dat omdat ik mijn wetenschappelijk werk goed bijhoud. E n daar moet ik offers voor brengen: ik ben waarschijnlijk de enige econoom in Nederland, die op een veertigtal tijdschriften is geabon* neerd.

BIBLIOTHEEK Eenzelfde geluid laat ook de hoogleraar mr. P. A. Stein horen: 'Voor mijn werkzaamheden als auteur moet ik er een hele bibliotheek o p nahouden. Het één dekt het ander. Het is geen kwestie van winst maken, maar hierdoor word ik in de gelegenheid gesteld mijn biblitheek op peil te houden. En de hele studeerkamer die ik moet onderhouden. Van je hoogleraar-salaris moet je alles zelf bekostigen. Hier wordt niet, zoals in het bedrijfsleven, je auto en je telefoon door de zaak betaald.' Het geld dat Stein als auteur verdient met name op het Compendium voor het burgerlijk procesrecht (veertig gulden verplicht in de doctoraalstudie) ziet hij dan ook als een logische bijverdienste tegenover de dingen die hij zelf moet bekostigen. Heertje voegt aan deze argumenten er één toe dat bijna naar smartegeld verwijst. Verbitterd: 'Als je nu zegt had je dat gezien de sociale verhoudingen moeten doen, al dat publiceren, dan zeg ik: nee. Je isoleert je eerder dan je je verbindt.

van hun (gd, en werken ook in werktyd thuis aan hun boek; anderen besteden alle vrije uurtjes of hun hele vakantie aan het schrijven. Eén ding hebben zg echter gemeen: zQ zUn vry in het besteden van het ' geld, dat de publikatie hun oplevert De tgd van de baas of hun eigen tgd Igkt in de praktijk een weinig ter zake doend argument

Ik aarzel niet te zeggen, dat dat een soort jalousie de métier is. Neem nou mijn laatste boek 'Economie en technische ontwikkeling.' Behalve Van Hartog, die een kort briefje schreef, heb ik geen enkele reactie ontvangen. Toch heeft de P T T het boek aan alle Nederlandse hoogleraren in de economie toegestuurd.' Heertje erkent dat het universitaire werk hem verschrikkelijk veel vrijheid geeft, maar hij wil hier nog niet uit afleiden dat je alle extra verdiensten dan ook zonder meer zou moeten afdragen. 'Dat je nu schrijft in Accent, dan weer in Groningen een lezing houdt en dat ik om half acht vanmorgen in de AVRO-studio was, dat vind ik allem a a l typisch gebonden aan mijn functie. Het is belangrijk dat er ergens mensen zijn die dat kunnen, tegen schenen schoppen. Maar dat je nu zegt dat het nodig is van de universiteit dat ik dit boek maak:

naris. 'Als je full-time aangesteld b e n t en je in werktijd aan het boek w e r k t moet je het honorarium wel afdragen, vind ik.' Een min of meer analoge beslissing als prof. Kruijer nam ook de Groningse hoogleraar mr. P. van Schilfgaarde. Een belangrijk gedeelte van de auteursgelden uit zijn boek 'Naamloze en besloten vennootschap' laat hij ten goede komen aan de Rechtswinkel Groningen. Hij meent dat waar de studenten 'op zo'n goede manier binnen de rechtswinkel bezig zijn' hij ook zijn steentje bij moest dragen. Maar ertoe verplicht voelt hij zich absoluut n i e t Hij is het zeker niet .eens met de stelling dat waar de gemeenschap de salarissen van het universitaire personeel al heeft opgeb r a c h t de auteur verplicht is de extra verdiensten af te staan. "We hebben een veertigurige werkweek, en daar wordt best wel over heen gegaan. Ik werk zelf tachtig uur.' INDIVIDUEEL

WIE BESLIST? Alles bijeen genomen drie argumenten die het behouden van het auteurshonorarium moeten verdedigen. Het loon naar werk-, smartegeld-, en het bibliotheekargument. E r zijn er wel meer te bedenken: een goodwill argument (Verkade: het is van belang voor de universiteit dat de mensen dingen naar buiten brengen), en een profijtargument (Stein: Ik vind het normaal dat je voor bepaalde informatie betaalt, ik betaal toch ook voor mijn TV). Dat deze punten voor anderen niet hoeven te spelen bewijst bijvoorbeeld de gang van zaken op het Sociografisch Instituut. Een onderzoek van het instituut uit 1969 werd na een aantal voorstudies door prof. G. J. Kruijer tot het boek 'Suriname, neokolonie in rijksverband' verwerkt. De honoraria worden op de eerste plaats gebruikt om de onkosten te dekken die voor een groot deel in universitair verband zijn gemaakt. Dat wil echter, aldus Kruijer nog niet zeggen dat alle eventuele baten dan ook maar weer naar de universiteit moeten terugvloeien. D e vraag is: wie beslist er wat er met het geld mag gebeuren?' In het geval van het Sociografisch instituut een duidelijke zaak, want, zegt Kruijer: 'We hebben hier een gedemocratiseerd instituut dat een eigen verantwoordelijkheid heeft. E n dat beslist. Niet een hoger niveau. Het college van bestuur en het ministerie moeten niet méér doen dan algemene richtlijnen geven.' Besloten is in ieder geval, nadat fanaf de tweede druk de onkosten eruit zijn, het geld niet in eigen zak te steken. Dat wordt gedeeltelijk gebruikt om het boek gratis in Suriname te verspreiden; het dan nog resterende bedrag wordt ter beschikking gesteld van het Surinamecomité of een dergelijke instelling. Deze gang van zaken wordt door Kruijer desgevraagd best 'een beetje eigenmachtig optreden' genoemd. Maar 'op instituutsniveau wordt een groot deel van de beslissingen genomen. Dat is onze autonomie.' En deze beslissing acht hij de juiste. 'Het boek is duidelijk bedoeld voor de politieke bewustwording van de Surinamers. Onze beslissing betreffende het Suriname-comité is een politieke beslissing, maar wel een politieke beslissing die wij op sociologische gronden juist achten.' Kruijer vindt overigens dat de beantwoording van de vraag of men het extra verdiende zelf mag houden een beetje afhangt van het inkomen van de universitaire functio-

D e boeken van Stein en Heertje zijn als 'uiterst individuele bezigheid' niet zonder meer te vergelijken met het 'teamwork' van het Sociografisch instituut In het tweede geval werd veel duidelijker een beroep gedaan op tijd en geld van de universiteit. Gedrieën vinden zij elkaar wel in het standpunt, dat het niet de univeristeit is die moet bepalen wat er zoal met een batig saldo mag gebeuren. Zij doen dat zelf, maar hun beslissing is een andere. D e vraagstelling wordt zo opnieuw toegespitst op de hoeveelheid vrije tijd die de betrokken auteur in het boek gestoken heeft. Veel gesprekken met auteurs verzanden bij tijd en wijle in een warrige, muggezifterige discussie over vrije tijd — tijd van de baas, en de wijze waarop je de ontvangen honoraria zou moeten verdelen. D e Nijmeegse prof. Kees Schuijt o.a. auteur van het goedverkochte 'Recht orde en burgerlijke gehoorzaamheid': 'Creatieve arbeid kun je afpalen tot de tijd van de universiteit. Als ik op de fiets z i t zit ik ook nog over dingen te dubben. De wetenschapper is zoals Van Haersolte eens gezegd heeft net zoiets als een boer. Ja, soms houdt hij ook eens op met werken om over zijn akker te staren. Het tempo ligt niet altijd even hoog: staat het land er goed bij, dan gaat hij 's middags een dutje doen. Praktisch wordt daardoor een verdeling in vrije tijd — werktijd bijna onmogelijk. En als je het geld dan echt eerlijk wilt verdienen met je kunnen zeggen: er is zoveel voor mij (vrije tijd), zoveel voor hem (hij heeft ook meegedaan) en zoveel voor de gemeenschap (werktijd). Dat is praktisch niet te organiseren. H o e duidelijker het is dat men in werktijd de publikatie heeft voorbereid en geschreven, hoe meer men ertoe neigt het geld aan de universiteit af te staan. D e mening van promotie-assistent Roon Wiersma, die over een half jaar hoopt te promoveren op 'De benificiair aanvaarde nalatenschap': 'Het auteursrecht moet toekomen aan de universiteit. Je wordt door de universiteit betaald, en het onderzoek en schrijven vindt ook plaats in de tijd van de universiteit.' Hij tekent daarbij aan dat het voorbereiden van zijn promotie niet zo'n puur individuele zaak is als het wel lijkt. 'Dit soort arbeid is een gesprek met honderden anderen. Alles verwijst naar elkaar. Het is een voortdurende gedachtenwisseling. Gezien deze manier waarop je werk tot stand komt, én de maatschappelijke doel-

stellingen van de universiteit, mo lit r je, vind ik, alle baten ter besclii laidel king stellen van de gemeenschap. Iiipee KIBBELEN

atoni au < ijn 1 ange loek. licht

In Roons visie, is één van de b langrijkste doelstellingen van universiteit het vergroten van ke nis in de maatschappij. Daar wot lOOgl reeds goed voor betaald. De huidi lient. hooglerarensalarissen liegen er en ä zoals ook staatssecretaris Klein co len i stateerde — niet om. De vra een i wordt in dat verband of je je n toorl wel in een kibbelende discussie ov ;ii percentages werktijd — vrije ti irof. moet begeven. Is het met ande ilicht woorden niet juister de gemee leelt« schap niet alleen in de kennis otdai laten delen, maar eveneens in dek financiële winst die die kennisvi rijge meerdering oplevert? Het tegeni ip d gument dat de meeste hooglei iet a ren, wetenschappelijke medewerk an t maar weinig met hun gesclirift ouh verdienen, is weinig houdbaar W e niet ter zake doende. Nogmaals: laari honderdvierenveertig van Kluw otd< staan niet alleen. Opgeteld gaat h^erek om grote bedragen )elan Aan de universiteit van Amsterda loge is hierover niets geregeld. Werd ÏOO 1912 door de toenmalige ministeBiictai van Justitie en Koloniën op Kam« 'oedl vragen geantwoord dat het betro Voor ken artikel 7 van de Auteursw licta; ook wel degelijk op hooglerar e ge' van Rijks-, gemeente- en bijzonde ijkhe universiteiten betrekking had, dat dus de universiteit als de m ker van het werk in dienstverbai wordt gezien, de praktijk is een a dere. Gelukkig zou men kunn zeggen, want een universiteitsb stuur dat het recht heeft in h geestelijk produkt van zijn hoogi raren in te grijpen kan een gruw genoemd worden. Wat echter ni niets zegt over de financiële afwi keling van de honoraria. Het auteursrecht valt, zoals gezeg in twee rechten uiteen, de more rechten en het exploitatierecht. H is zeer de vraag waarom deze ni gescheiden kunnen worden, en i Butei universiteit zonder ook maar if intw aan de telcst te kunnen 'knoeiei ;evei toch een greep op de vermogen dein ever rechtelijke elementen van 10 p auteursrecht krijgt. Komen de laatste tijd de neve nonr werkzaamheden van het universiti 15 p re personeel zoetjesaan meer ( Bcidi meer in discussie, specifiek over h autei auteursrecht van de universitai indiv lïord werknemer wordt met nog ge< ijj-g voorzitter van het Amsterdam woord gerept. Een gesprekje met ( mees college van bestuur, mr. G. J. marl Cammelbeeck, bewijst hoe wein lorra de materie nog overdacht is. Ot Dell met hem blijft de discussie lai ten ' steken in het vraagstuk vrije tijd • Wi werktijd. Hij meent dat je niet vi naai iemand kunt eisen, dat hij viere kant twintig uur in dienst van de unive ook siteit is. Maar gewezen op de ve Werl wachting dat wat 'hardere uitspi gevo ken' van zijn kant te horen zoud( :< zijn geweest, zegt hij: 'I zou will een dat iedereen er zo over dacht d Het iemand die werkt met gemee ontn schapsgeld dat ook weer aan de g bet: meenschap laat terugvloeien. Men

RE

wete mak tooi verti afza dat' gcva dat krüf beel vani dum ism stud gesc het Beil geei gepi com and noo

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1974

Ad Valvas | 404 Pagina's

Ad Valvas 1974-1975 - pagina 222

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1974

Ad Valvas | 404 Pagina's