Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 370

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 370

14 minuten leestijd

AD VALVAS — 11 JUNI 1976

2

Drs. J, Matse onderzoekt betekenis dood in

bejaardentehuis

'Bejaarden vergeten de dood snel' Het is eigenlijk een ei van Columbus om eens een onderzoek in te stellen naar de „beleving van de dood in een bejaardentehuis", zoals drs. Matse zijn onderzoek enkele jaren geleden heeft genoemd. Over doodgaan is veel gesproken en geschreven, zij het voornamelijk door mensen die redelijkerwijs gezien nog heel wat jaartjes voor de boeg hadden. Dat laatste zat drs. Matse niet zo lekker. Volgens hem werd er veel te weinig (wetenschappelijke) aandacht besteed aan de manier waarop een bejaarde tegen de dood aankijkt. Het onderwerp van zijn onderzoek verdient dan ook niets dan lof. Drs. Matse is een tijd fuuktionaris van het landelijk orgaan gereformeerde gezindte bejaardenzorg geweest. Hij werkte mee aan lezingen in het kader van onder andere cursussen aan direkties van bejaardentehuizen en vanzelfsprekend kwam de dood daarbij ook aan de orde. In zijn kontakten met de bejaardentehuizen werd hij getroffen door het geweldige sociologische onderzoeksterrein daar nog haast onontgonnen aanwezig was. Zo gauw hjj dan ook de kans kreeg om aan een proefschrift te beginnen, als socioloog aan de medische fakulteit, koos hij bovenvermeld onderzoek als onderwerp. Drs. Matse benaderde zijn ondei'zoeksterrein vanuit een wetenschappelijke methode, die nog niet zolang geleden uit Amerika is overgewaaid: hij stelde geen ingewikkelde meetinstrumenten op, stuurde geen enquêtes rond, maar verzamelde gegevens via observatie van personen en het persoonlijke gesprek, ofwel met mensen individueel, ofwel in groepjes. Het wordt nu ook begrijpelijk dat het terrein van onderzoek zeer beperkt moest blijven. De beperktheid van het onderzoeksterrein is een van de minder positieve kanten van het onderzoek. Drs. Matse hield zich slechts bezig met de bewoners van één bejaardentehuis (honderdvijfentwintig in getal) die allen een ortodox protestantse levensovertuiging aanhingen. Het bleek dan ook dat de geloofsovertuiging een grote rol speel-

Door Ben Rogmans de in het denken van de mensen over de dood. Drs. Matse: „Veel bewoners blijken een enorm houvast te hebben aan hun geloof. Het geloof was een strukturerende realiteit in hun leven.! Het geloof biedt hun een kader om over de dood te praten en het is indrukwekkend om te konstateren welk een rotsvast vertrouwen deze mensen hebben in de Heer. Het uitzicht naar de hemel is voor deze bewoners een grote realiteit. Men weet dan ook dat men elkaar terugziet en dat degene die net is overleden het goed heeft bij de Heer." Hij hanteeide de maniei van on-

derzoek met de bedoeling vooial citaten te verzamelen. Er zullen dan ook weinig tabellen en cijfers in zijn proefschrift voorkomen. Hij geeft liever een beeld van de veelheid van meningen die in zo'n groep bejaarden, die zeer geschakeerd van samenstelling is, blijkt te bestaan. Daarnaast konstateerde hij enkele algemene tendenzen, bijvoorbeeld dat men over het algemeen in een tehuis een slecht geheugen heeft wat betreft de sterfgevallen. De dood zit de mensen niet zo dicht op de huid als je soms wel geneigd bent te veronderstellen: „Wel moet je daarbij bedenken dat een tehuis voor de buitenwacht er wel als~een eenheid uitziet, maar dat dat allerminst geldt voor de mensen die er binnenin wonen. Je kan wel zeggen dat over het algemeen iedereen iedereen' kent, want de mensen wonen toch gemiddeld zo'n negen jaar in hun „laatste huis". Maar natuurlijk ontstaan er automatisch allerlei subgroepjes, en het komt dan ook wel eens voor dat binnen die sub-groepjes individueel een sterfgeval heel sterk ei varen wordt. Over het algemeen ervaart men het verloop echter als een natuurlijke zaak. De nieuwelingen worden dan ook wel vrij snel geaccepteerd."

Andere positie bejaarde Waarom bevindt de bejaarde van nu zich in een essentieel andere positie dan vroeger? Drs. Matse: „Er zijn grote demogiafische verschuivingen opgetreden. Als de bejaarde

'Demokratisering ten einde Vervolg van pagina 1 moeten raken. Zo moet de doelstelling wat uit de abstraktie worden gehaald." Hoe komt u nu als jurist terecht in de funktie van rector magnificus? „Ik kom er niet in terecht op basis van persoonlijke animo of de aantrekkingskracht ervan. Een kommissie van het college van dekanen heeft me voor een gesprek uitgenodigd en daarin werd alras duidelijk wat men eigenlijk wilde. Ik had aanvankelijk nogal wat voor mij tamelijk onoverkomelijke bezwaren, waarvan de belangrijkste wel was dat ik voor de beoefening van mijn vak gedurende langere tijd vrijwel ben uitgeschakeld. Voor de juridische fakulteit is het ook jammer een docent voor een hoofdvak zolang te moeten missen." Gaat n daarna aan een juridische inhaalmanoeyre beginnen? „Dat zal wel moeten. Als ik terugkom in het vak ben ik 49. Ik heb dan nog een heel stuk leven voor mij. Ja, ik wil in mijn vak terugkomen." U zou niet willen worden herbenoemd als die mogelijkheid zich tezijnertijd voordoet? „Je kunt nooit van tevoren zeggen dat je dat absoluut niet zou willen, maar mijn oveiwegingen zouden heel anders zijn geweest als de benoeming voor min of meer onbepaalde tijd zou gelden. Dat zou ik ongewenst hebben gevonden." U hebt zich van tevoren natuurlgk op uw nieuwe funktie bezonnen. „Ja, dat is gebeurd naar aanleiding van het verzoek van de kommissie van bet college van dekanen. Tevoren wist ik niet veel meer van de funktie dan je als hoogleraar binnen een fakulteit in doorsnee kunt weten. De lichtzijde van de funktie is dat je op die manier ook kennis maakt met het algemene bestuursniveau, de invloeden van de landelijke politiek." U bent straks een nieuweling in een overigens herbenoemd college van bestuur. „Ik kom straks in een kring van mensen die al een ruime ervaring hebben, maar professor Ros zal al gauw — na enkele maanden — worden afgelost door prof. Bickelhaupt. Er zijn dus dan twee nieuwelingen. Desondanks vind ik wel dat ik het qua opzet niet zo erg gunstig vind dat er vier blijven zitten en er maar één nieuwe bijkomt. Het zou kunnen zijn dat je je de eerste tijd wel erg onthand voelt door je gebrek aan eivaiing en daardoor misschien op punten die je eigenlijk

graag geiealiseeid ziet vooi alsnog niet goed in staat bent je standpunt te verdedigen. Overigens heb ik gemerkt dat daar bij de leden van het college van bestuur wel begrip voor bestaat." U komt in een tijd dat de universiteiten en hogescholen een handvol jaren ervaring met de Wet Universitaire Bestuurshervorming hebben opgedaan. Hoe staat u tegenover de ontwikkelingen op het gebied van de demokratisering? „Ik sta heel positief tegenover een gedemokratiseerde opzet van de instellingen, maar bij zo'n opzet moet natuurlijk wel de aantekening worden gemaakt dat die wel wat eist van degenen die bij het besluitvoimingsproces zijn betrokken. Het positieve van de demokratisering vind ik dat, als iedereen zijn mogelijkheden en beperktheden erkent, het allemaal veel beter kan gaan. Op fakulteitsniveau heb ik ervaren dat je, als studenten meepraten en meebeslissen over dingen waar zij deskundig in zijn, en hun kijk op het ondeiwijs inbrengen, daar alleen maar voordeel van hebt. Maar je moet wel weten waar je kracht en waar je zwakheid ligt. Ik ben het eens met degenen die zich keren tegen de uitwassen van de demokratisering. Er zit een stuk tijdsverspilling in. De besluitvaardigheid is in gedemokratiseerde organen vaak vrij gering, terwijl men ook gemakkelijker terugkomt op eenmaal genomen besluiten." Vindt u het terecht dat staatssekretaris Klein het deniokratiseringsproces wil intomen door de WUB te verstrakken? „Ik geloof dat een van de achtergronden van de opmerkingen van de staatssekretaris is dat een demokratiseringsproces op een veld waar de overheid zeer nauw bij betrokken is, ook financieel, grenzen moet hebben. Dat is een aspekt dat hij benadrukt. Je kunt niet toelaten, zegt hij, dat op een bepaald niveau gedemokratiseerd besluiten worden genomen die niet meer kunnen worden vernietigd, maar waar uiteindelijk de schatkist wel voor opdraait. Ik vind niet dat demokratisering betekent dat we alles nu maar zelf moeten kunnen uitmaken, alsof de universiteit een geïsoleerd wereldje zou zijn. Alles wat we doen heeft zijn plaats in een groter geheel. En dat geeft beperkingen in onze besluitvorming, of die nu gedemokratiseerd verloopt of niet. Dat heeft er weinig mee te maken naar mijn smaak. Ik ben het persoonlijk helemaal eens met het idee om meer nadruk te leggen op de mogelijkheid dat besluiten van lagere

oiganen kunnen woiden vernietigd. Dat vind ik trouwens ook een heel demokratisch iets. Overigens geloof ik wel dat het demokratiseringsproces tot een soort eindpunt is gekomen. Ik zie weinig wegen meer naar een verdergaande demokratisering."

Identiteit Hoe denkt u over de identiteit van de VU als bijzondere universiteit tegen de achtergrond van de banden met Den Haag en in het licht van de grondwettelijk gegarandeerde vrijheid van onderwijs? Staat die identiteit volgens u op het spel vandaag de dag? „De financiering door de overheid roept natuurlijk allerlei vragen op. Dat is wel gebleken in de diskussies over het grondwetsartikel. Die financiering kun je een vorm van gelijkstelling noemen. Het is zo uitgewerkt dat de overheid wegens het beschikbaar stellen van middelen eisen stelt ten aanzien van het algemene niveau, de deugdelijkheid van het onderwijs, maar dat zij zich niet bemoeit met de geest waai in dat onderwijs wordt gegeven. Ik vind het persoonlijk helemaal niet tegenstrijdig dat de overheid de kwaliteit financiert en de bijzondere instelling het karakter van het onderwijs inbrengt. Ik hoop dat het zo zal blijven, omdat ik het een heel goede zaak vind dat er op bepaalde plaatsen heel nadrukkelijk wordt gestreefd naar het vinden van samenhangen tussen geloof en wetenschap en in het algemeen de vraag naar de christelijke wetenschapsbeoefening wordt gesteld, inbegrepen de vraag wat christelijke wetenschapsbeoefening voor het maatschappelijk leven betekent. Minister Van Kemenade bestrijdt in alle toonaarden dat het bijzondere onderwijs in de verdrukking zal komen. Dat is in elk geval erg positief. Je kunt in de politiek op zo'n uitspraak heel gemakkelijk terugvallen. Persoonlijk vind ik dat Van Kemenade elementen in zijn onderwijspolitiek heeft die niets meer met duffe neutraliteit, maar wel met een min of meer opgewekt geestelijk leven te maken hebben. Het blijft natuurlijk de vraag: vertrouw je iets of iemand of niet? Er zijn mensen en organisaties die de ontwikkelingen helemaal niet vertrouwen en beducht zijn voor aanslagen op het christelijke onderwijs. Maar in de ideeën van Van Kemenade, voorzover ik ze ken, vind ik niet veel waarvan ik zeg: dat moet je nu afwijzen als je het christelijk onderwijs wilt behouden.

van nu leefproblemen kiijgt, dan zijn zijn kinderen zelf al bijna bejaard. Vroeger waren beide ouders vaak al overleden vóórdat het jongste kind uit huis was, terwijl nu de eerste ouder gemiddeld pas overlijdt als het jongste kind al veertien jaar uit huis is. Negentig procent van de bejaarden woont nu zelfstandig, en de tien procent die dat niet meer kan bolwerken is opgenomen in een tehuis. Het idee dat de oude mensen door de jongere generatie maar worden weggestopt in tehuizen is dus nergens op gebaseerd. Het is alleen zo dat de bejaarden niet meer bij hun kinderen leven, en dat komt omdat door de langere levensduur de gezinscyclus ingrijpend gewijzigd is. In de praktijk is het niet meer haalbaar dat mensen bij hun kinderen gaan inwonen. De twee mogelijkheden die momenteel op grote schaal worden toegepast, zelfstandig wonen en in een Ijejaardentehuis, zijn mijns inziens niet voldoende. Ik ben een groot voorstander van een tussenvorm, nl. woningen met een dienstencentrum waarin niet iedereen 6f verstoken blijft van service of verplicht is het gehele servicepakket van een tehuis af te nemen, een pakket dat mischien geheel niet op zijn behoeften is afgestemd. Dit is niet nieuw: in Groningen is in de vijftiger jaren zo'n vorm opgezet. Er staat een groep woningen in een wijk en die woningen onderscheiden zich in niets van de rest van de andere huizen. Het is laagbouw, iedereen heeft

Ik vraag me af of degenen die zo beducht zijn zich wel voldoende realiseren dat het bijzondere karakter van de christelijke onderwijsinstellingen in een totaal andere tijd gehandhaafd moet worden."

Versterking positie rector? De rector magnificus is qualitate qua lid van het college van bestuur. Nog niet zolang geleden heeft het rectorencollege in een brief aan de staatssekretaris gepleit voor versterking van de positie van de rector magnificus. Hy zou meer bewegingsvrüheid moeten krqgen als eerste hoeder van het niveau van onderwys en onderzoek binnen het college van bestuur. Wat vindt u daarvan? „De rector komt rechtstreeks voort uit het onderwijsveld en is daar in het bijzonder op gericht. Bovendien is hij ook voorzitter van het college van dekanen. Hij is daardoor in staat om heel duidelijk voeling te hebben met het onderwijsveld. Hij hoort de klachten en noden van de fakulteiten uit de eerste hand. Hij moet het dus wel als zijn eerste taak beschouwen dat te vertalen in bestuurlijke termen. En de bestuurlijke besluitvorming weer naar de fakulteiten toe te vertalen. In zoverre heeft de rector magnificus een duidelijke eigen taak. Toch moeten we oppassen voor een al te sterke nadruk op dit bijzondere. Het gevaar bestaat dat je de rector magnificus van de rest van de leden van het college van bestuur isoleert. Je geeft hem dan misschien wel een mooie taak, maar je miskent dat alles wat er in de universiteit gebeurt ten doel heeft de kwaliteit van onderwijs en onderzoek te bewaken, ook in het college van bestuur. Als we de rector zo'n bijzondere positie geven, zou dat de suggestie kunnen oproepen dat de andere leden van het college van bestuur een soort rasbestuurders zijn die besturen om te besturen. Ik wil daarom naast het eigene van de taak van de lector ook graag de samenhang van alle bestuuilijke weik beklemtonen." Is de rector magnificus volgens u een soort „politieke" figuur die als een kristallisatiepunt van meningen en opvattingen is te beschouwen? „Een politieke figum-. Ja, dan vraag je je meteen af: wat is dat dan? Ik geloof dat de rector in de vervulling van zijn taken het gezicht van de universiteit moet laten zien, maar, als ik erover nadenk, vind ik het voor een universiteit veel belangrijker dat de mensen die er werken, en ook de afgestudeerden in hun werk, evenals de studenten het gezicht van de universiteit naar buiten laten zien. Ik geloof dus dat iedereen dit in een universiteit tot zijn taak moet rekenen." !.*ï*S^ajlEir

^

Drs. J. Matse doet sinds enkele jaren onderzoek in een bejaardentehuis naar de vraag hoe de bejaarden daar de situatie ervaren dat daar voortdurend mensen doodgaan. Drs. Matse: „Bejaarden horen natuurlijk over het algemeen al tot een categorie van mensen die vaak gekonfronteerd worden met de dood. In een bejaardentehuis leef je in een milieu waarin voortdurend mensen komen te overlijden, en je kunt je voorstellen dat dat een stempel drukt op je denkwereld." Drs. Matse is als socioloog verbonden aan de fakulteit der Geneeskunde, vakgroep sociale geneeskunde. Een proefschrift over het onderzoek hoopt hij over ongeveer één jaar te voltooien. een eigen voordeur aan de straat en het blok is vierkant gebouwd. Binnen deze ring van woningen bevindt zich een servicecentrum waar alle noodzakelijke faciliteiten verleend kimnen worden. Op die manier leven de mensen niet afgesloten van de buitenwereld, ze worden verzorgd voor zover het hün uitkomt." Deze vorm van huisvesting wordt de laatste jaren ook van overheidswege sterk gestimuleerd. De bejaardenzorg staat in Nederland op een bijzonder hoog peil, zeker als je dat vergelijkt met landen als Amerika of zelfs Engeland. Op den duur zal deze zorg wel een enorme, haast niet te dragen last worden voor de gemeenschap en daarom is het bovenbeschreven alternatief nog interessant: het is een stuk goedkoper dan een bejaardentehuis.

Redaktie-adres: De Boelelaan 1105 Postbus 7161 Amsterdam, telefoon S484330 of 5482671.

020-

Bedaktie: Jan van der Veen (hoofdredakteur), Guus Herbschleb (redaktetir a.i.), Claartje Katan (redaktie-assistente). medewerking: Rudi Ageybeek, Ben Rogmans, Bureau Pers en Voorlichting. Fotograaf: Peter van Vliet Tekenaar: Frans Vei;a Kopij, niet bestemd voor de mededelingenrubriek, moet (getypt) uiterlijk maandagmorgen 10 uur binnen zijn. Advertenties: J. G. Duyker, Noordwolde (Pr.) Postbus 40 - Tel. 05612-541 Adjes: Max. 30 woorden. Kosten ƒ6,—. Opgave voor maandag 10 uur kamer 1 D-08 VUhoofdgebouw. Kontante betaling. Toezending: Ad Valvas kan ook per post worden toegezonden. Wie van deze mogelijkheid gebruik wil maken kan dat — uitsluitend per briefkaart — melden aan Administratie toezending Ad Valvas, Vrije Universiteit, postbus 7161, Amsterdam, onder vermelding van naam en adres en de mededeling of hij/zy student is of lid *an het personeel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975

Ad Valvas | 396 Pagina's

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 370

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975

Ad Valvas | 396 Pagina's