Ad Valvas 1975-1976 - pagina 133
AD VALVAS — 14 NOVEMBER 197«
Rapport Sociale Introduktie 1975:
Voortaan positie eerstejaars centraal stellen? , 3 e t is de vraag of het thema van de sociale introduktie 1975: „Overgang van school naar universiteit", als zodanig, speelt by de aankomende studenten. Wellicht zgn ZQ meer benieuwd naar wat vóór hen ligt en zoo het daarom de voorkeur verdienen de positie van de eerstejaars centraal te stellen. Hierbij kan dan verband worden gelegd tussen concrete informatie op individueel niveau en hierop aansluitende algemene informatie". Dat is een van de conclusies van de commissie sociale introduktie, die als taak had een oriëntatie in universitair en stedelyk milieu voor aankomende studenten te geven. Het verslag is niet bedoeld als evaluatierapport in die zin dat systematisch onderzoek onder de eerstejaars, die in de sociale introduktie en onder de ouderejaars, die als mentor of anderszins erbij betrokken zijn geweest, aan dit verslag vooraf is. gegaan. Een dergelijk rapport wordt eind december verwacht. De commissie wil in dit rapport verantwoording afleggen van haar werkzaamheden, haar uitgangspunten en de wijze waarop zij die uitgangspunten heeft trachten te verwerken in het programma van de sociale introduktie.
Soepel
Vertegenwoordigers van het ACC, de DRVU, de ASVU, de SRVU en de RVS hadden zitting in de commissie. Tevens twee leden namens de RSA, de adviseur van de disputorenraad en een financieel medewerker van het bureau van de RSA. Als waarnemers werden aan de commissie toegevoegd vertegenwoordigers van de VUSO en van de studentenorganisatie van de VLVU en de SILVA waarvan de leden ook deelnamen aan de sociale introduktie. Uit deze commissie werd een kerncommissie ingesteld, die voor de uitwerking en de uitvoering zorgde van het door de grote commissie vastgestelde programma. Dit programma had als doel de studenten, die zowel met veranderingen ten aanzien van hun sociale economische positie als met een verandering in hun psycho-sociale omstandigheden te maken hebben, enkele richtlijnen en steun te geven. Mentoren zorgden voor de begeleiding van de eerstejaars. De trainers van deze mentoren werden geselecteerd uit andragogen en sociaal-psychologen. De selectie gebeurde op grond van ervaring in het begeleiden van groepen, het op de hoogte zijn van facultaire en universitaire zaken en het beheersen van discussie- en vergadertechniek. De voorbereiding, zo zegt het rapport, de opzet van de training en de training zelf zijn uitstekend verlopen. De trainers hadden zich goed en serieus voorbereid en de training verliep soepel." Over het algemeen geeft het rapport een positief beeld van de uitvoering van het programma. Het onderdeel „goed gevuld of platzak", waarin gesproken werd over studiefinanciering, huisvesting en voeding werd veelal bijzonder gewaardeerd. Dit werd voor een groot deel bereikt door de practische manier waarop de problemen werden aangepakt. Aan huisvesting zou volgende jaren wat meer aandacht besteed moeten ^ worden.
Onderwijs en welzijn Voor het onderdeel onderwijs en welzijn laat de commissie zich in het rapport iets minder positief uit. De indruk bestaat, volgens de commissie, dat de bedoeling van dit onderdeel, inzicht geven in de veranderende situatie vergeleken met die van de middelbare school met betrekking tot de inrichting van het onderwijs op de universiteit, niet helemaal tot zijn recht gekomen is. Dit zou voornamelijk het gevolg zijn geweest van een te breed gekozen discussiestelling. De studentendecanen, die samen met psychologen, leden van de SRVU en de VUSO dit onderdeel verzorgden geloven echter, dat de eerstejaars minder angstig zijn om bij i e n aan te kloppen dan in voorgaande jaren. Deze gunstige ontwikkeling zou het gevolg zijn van hun optreden. In Ad Valvas van 22 augustus j.1. is al gesproken over de problemen, die zich voordeden rond de sexuele voorlichting van de eerstejaars. Een aantal leden van de UR uitte hun kritiek ten aanzien van de wijze waarop de voorlichting gebeurde en vooral het boekje „Alleen of niet alleen" zorgde voor de nodige dis-
Door Mara Eysbouts cussies. De voorlichtingsbrochure zou niet aan de aankomende studenten mogen worden uitgedeeld. Het boekje zou blijk geven van een verregaande normloosheid, onchristelijke teneur en een onmenselijke en onkritische visie. Uiteindelijk hebben de tegenstanders van het boekje in de UR besloten de zaak te verechuiven naar het najaar en voorlopig de uitgifte van het boekje toe te staan met behoud van de tevoren geuite kritiek. Binnenkort zal de commissie verslag doen van haar opvatting omtrent de functie en verantwoordelijkheid van de brochure. Het rapport bericht dan ook alleen van het verloop van de uitvoering van het programmaonderdeel student-sex relatie. Evenals het vorig jaar is het projekt goed ontvangen door de eerstejaars. De belangstelling was groot.
Vorming
Het programmaonderdeel „vorming", dal dit jaar voor het eerst
georganiseerd was, is bevredigend verlopen. Het doel van dit onderdeel was de aankomende studenten het belang en de noodzaak te doen inzien van de integratie van vorming en onderwijs. Onder de titel: „Onderwijs, vorming, misvorming?" werd een tentoonstelling georganiseerd. Hieraan werkten mee de organisaties aan de VU op het gebied van algemeen maatschappelijke vorming, culturele vorming en lichamelijke vorming. Men gelooft, dat bij een betere voorbereiding en betere organisatie werkelijk aan de doelstelling beantwoord zou kunnen worden. De discussies rond democratisering, waaraan de eerstejaars studenten konden deelnemen, zorgden voor een gevoel van lichte onvoldaanheid bij zowel VUSO en SRVU als bij de verantwoordelijke commissies, zo blijkt uit het rappoit. Hoewel dit jaar duidelijke afspraken waren gemaakt met de SRVU en VUSO dat niet de hete hangijzers tussen beide organisaties centraal zouden staan, maar met name de informatie, die aan de eerstejaars gegeven moest worden, is ook dit jaar gebleken, dat wanneer er samengewerkt moet worden dit bijna onvermijdelijk leidt tot discussies, die over de hoofden van de eerstejaars heengaan. De commissie adviseert dan ook de formule van een gezamenlijk optreden van SRVU en VUSO te vervangen door twee bijeenkomsten, waarbij beide organisaties zich afzonderlijk kunnen presenteren. Het onderdeel „Buitenland", dat als doel had de aankomende studenten
Grootste verscheidenheid van woorden in dagbladen In dagbladen wordt de grootste verscheidenheid van woorden aangetrof« ten. Dit is een van de conclusies van een onderzoek naar woordfrequenties in het Nederlands. Het onderzoek is uitgevoerd op de Technische Hogeschool in Eindhoven door een interuniversitaire werkgroep onder voorzitterschap van prof. dr. B. Tervoort, hoogleraar,algemene taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam. De resultaten van het onderzoek zijn door drs. P. Uitdenbogaart weergegeven in een boek „woordfrequenties" dat wordt uitgegeven door Oosthoek Scheltema en Holkema. Bij het onderzoek is uitgegaan van geschreven en gesproken Nederlands. Er zijn in totaal 720.000 woorden geteld. Het onderzoek heeft ruim vier jaar in beslag genomen.
erop te wijzen, dat een universitaire gemeenschap niet een geïsoleerde plaats heeft in de wereld, maar zich bezig moet houden met de ontwikkelingen om zich heen, had bijzonder veel succes. De commissie pleit er dan ook voor het volgend jaar aandacht te besteden aan dit onderwerp en daarbij een actueler thema te gebruiken. In samenwerking met de commissie van Intree, de introduktiecommissie van de Universiteit van Amsterdam, organiseerde de R.v.S. en het ACC een slotfeest. Ook bet avondprogramma van de sociale introduktie werd op deze manier georganiseerd. Hoewel de GU op enkele punten bij de organisatie verstek liet gaan, besluit de commissie de samenwerking ook volgend jaar voort te zetten. De know Jiow van de GU is erg bruikbaar, volgens de commissie. De commissie is wel van mening, dat de aard van de samenwerking moet veranderen.
Het meest gebruikte woord in het Nederlands blijkt „de" te zijn. Verder is ondermeer aan het licht gekomen dat het woordgebruik in romans aanzienlijk verschilt van dat in de andere media. Een tussenpositie wordt ingenomen door het woordgebruik in gezinsbladen. Dit zijn, evenals de conclusie dat in dagbladen de grootste verscheidenheid van woorden voorkomt, slechts enkele facetten van het frequentieonderzoek. De toepassingsmogelijkheden bestrijken volgens de interuniversitaire werkgroep een veel breder terrein. Zo zullen de in het boek opgenomen frequentielijsten onder meer kunnen woiden toegepast in onderwijskunde en psychologie, bijvoorbeeld bij taalvaardigheidstests enzovoorts. De resultaten van het onderzoek zijn volgens dr. J. Bakker, lector toegepaste taalkunde aan de Technische Hogeschool en tevens lid van de werkgroep, ook bruikbaar om bijvoorbeeld na te gaan welke woorden het eerst geleerd moeten worden aan gastarbeiders. Ook kunnen de resultaten volgens hem gebruikt worden bij de aanpak van doofstommenproblematiek. Het onderzoek naar woordfrequeneen groter onderzoek naar de geties is nog niet afgesloten. Naast' sproken taal zullen statistische verschijnselen waaronder grammaticale zinsstructuren in de geschreven taai verder worden geanalyseerd.
Prof. Sizoo (erelid van de Vereniging) 75 jaar 1
Ouders zeiden: 'Van natuurlcunde word je toch ongelovig.. .V Op bescheiden wijze vierde prof. dr. G. J. Sizoo afgelopen zaterdag in familiekring zfln vijfenzeventigste verjaardag. Voor Ad Valvas was dit een mooie gelegenheid om samen met prof. Sizoo eens terug te kükfen op de vijfenveertig jaar, waarin hij zich steeds met hart en ziel aan de iaak van de Vrije Universiteit verbonden voelde. En nu hg sinds drie jaar erelid is van het bestuur der Vereniging, de „moeder" van de VU, neemt de Vrije Universiteit, zü het in mindere mate dan voorheen, een belangrijke plaats in zijn leven in. Als een ware pionier heeft prof. Sizoo het onstaan van de subfakulteit Natuurkunde in goedfe banen geleid. Prof. dr, J. Coops en prof. dr. Koksma verrichtten die taak voor de wis- en scheikunde. Gedrieën bouwden zij een fakulteit op, waar immer een goede sfeer heerste. In 1930, het jaar van oprichting, was de gemiddelde leeftijd van professoren en personeel 28 jaar. Er waren toen vier studenten, hetgeen de onderlinge verhoudingen bijzonder gemoedelijk maakte.
Ongelovig Al vóór de oprichting van de fakulteit waren er echter op twee gebieden externe moeilijkheden. Ten eerste vreesde men, dat het protestantse volksdeel, en dus de vereniging, waarop de VU altijd had kunnen bouwen, een zekere reserve in acht zou nemen bij het stichten van een fakulteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen. Van verschillende kanten kregen de drie jonge professoren dan ook reakties, die erop wezen dat men met name de natuurkunde vaak bezag als „een vak dat je ongelovig maakt". Prof. Sizoo: „De controverse tussen geloof en natuurwetenschap was in die tijd toch nog wel van dien aard, dat er wel eens ouders naar je toe kwamen en zeiden: „Onze zoon wil natuurkunde gaan studeren, maar kän dat eigenlijk wel? Dat is toch het vak waar je ongelovig van wordt?" Het wantrouwen dat er he«rste
Door Ben Rogmans heeft men grotendeels weggenomen door overal in het land in kerken en vergaderzalen lezingen te houden. Hierin trachtte men duidelijk te maken dat óók de hoogleraren soms moeite hadden om de resultaten van hun wetenschappelijke onderzoekingen te rijmen met bepaalde traditionele opvattingen over Genesis I. Nóóit is er sprake geweest van een twijfel aan het geloof. Prof. Sizoo: „Ja, zolang men Genesis I blééf lezen als een natuurwetenschappelijke verhandeling, was er voor ons niet veel ruimte over. Het prijsgeven van deze gedachte heeft een religieus gezien waardevollere interpretatie van Genesis mogelijk gemaakt.
Sterke groei De tweede moeilijkheid waarmee men kampte betrof vooral de praktische problematiek die zich bij het opzetten der „fakulteit voordeed. In 1930 waren er vier studenten, terwijl men er tien jaar later al tweeä driehonderd herbergde. Na de oorlog moest de sterk gegroeide fakulteit zo goed en zo kwaad als het ging haar werk voortzetten. Veel van het laboratorium was echter verloren gegaan. Bovendien kreeg men de belangrijke taak toegewezen een afdeling Biologie op te nemen, om het oprichten van een medische fakulteit mogelijk te maken. Inmiddels nam het rijk in 1947,
nieuwe struktuur wel eens verloren door een gedeeltelijke subsidie toe te kennen, een belangrijk deel van de financiële lasten van de Vereniging over. Dat betekende allerminst dat de VU financieel los kwam te staan van de Vereniging. Tenslotte werd de volledige subsidiëring bereikt, maar ook nu omvatten de inkomsten uit giften toch nog een bedrag van ruim één miljoen gulden per jaar. Prof. Sizoo vertelde enthousiast: „Men moet niet vergeten dat de z.g. busjeshoudsters, waarvan er toch nog altijd meer dan 80.000 zijn, gezamenlijk jaarlijks grote bedragen binnenbrengen. Menige universiteit zou daar jaloers op zijn."
Verantwoordelijkheid In 1965 nam prof. Sizoo in een fraaie rede afscheid van zijn fakulteit. Na zich vijfendertig jaar zeer intens te hebben beziggehouden met de VU en met de Vereniging, werd prof. Sizoo in datzelfde jaar lid van het college van direkteuren, en in 1966 voorzitter daarvan. Officieel heette dat toen „president-direkteur der Vrije Universiteit". Over deze verantwoordelijke functie zei hij: „Het bezwaar van die positie was, dat je zó in beslag werd genomen door de noodzaak om de universiteit te besturen, dat de zaken der Vereniging niet meer dan in zeer algemene zin behandeld konden worden." De Wet Universitaire Bestuurshervornjing (WUB) en de volledige rijkssubsidie maakten een eind aan die taak van het College van Direkteuren, terwijl tegelijkertijd de struktuur der Vereniging ingrijpend gewijzigd werd. Prof. Sizoo over de veranderde taak van de Vereniging: „Zij kwam nu zijdelings van het College van Bestuur te staan. Ze draagt nu, juridisch gezien, de laatste verantwoor-
delijkheid en we zien haar functie als een adviserende en ondersteunende: we zullen ons altijd blijven inzetten voor de VU, en we proberen dan ook de banden, die in de zouden kunnen gaan, te behouden. Het is belangrijk dat er een relatie blijft bestaan tussen de wetenschappelijke instelling en de protestantse volksgroep; er mag verwacht worden dat zij elkaar beïnvloeden. Het is van belang dat de protestantschristelijke levensovertuiging in het wetenschappelijke leven tot uitdrukking wordt gebracht. Vroeger noemde men dat met een mooie term 'het bevorderen van den Godszalighei4. jo den landeV'.^ , Hij gelooft, dat het in Nederland erg, nuttig zal blijyeji de twee bijzondere universiteiten in stand te houden, waarbij hij liever de nadruk legt op het gemeenschappelijke. Christelijke van die twee, dan op het verschil tussen het 'protestantse' en het 'katholieke' etiket.
Nostalgie Prof. Sizoo denkt met eert zekere nostalgie terug aan de tijd dat er nog een sfeer van gemoedelijkheid op de fakulteit heerste. Tegeftwoordig is een zo direkte betrokkenheid van iedereen door de kwantitatieve veranderingen natuurlijk onmogelijk geworden. „Hoewel", deelt prof. Sizoo me geestdriftig mee, „als ik zie hoe alle handen inéén geslagen zijn bij het organiseren van de tentoonstelling ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de Biologische subfakulteit, geloof ik dat de sfeer ook nu nog erg goed kan zijn." _ i
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975
Ad Valvas | 396 Pagina's