Ad Valvas 1975-1976 - pagina 115
AD VÄLVÄS — 31 OKTOBER 1975 Voorlopige conclusie proefschrift Van Wieringen
11 (UvA):
Hoger beroepsonderwijs moet mt^^FWfi' zichzelf blijven Deze voorlopige conclusie wordt door drs. A. M. L. van Wieringen getrokken in het proefschrift, waarop hg 19 september aan de universiteit van Amsterdam promoveerde in de sociale wetenschappen. Het is een onderzoek „naar de taak en plaats van het hoger beroepsonderwijs in het Nederlandse schoolwezen" zoals de ondertitel vermeldt, die de bedoeling van het onderzoek concreter weergeeft volgens de schrijver zelf dan het „modieuze woord identiteit" zoals dat voorkomt in de hoofdtitel ,J)e identiteit van het hoger beroepsonderwijs." Met nadruk al direct in zijn inleiding wijst Van Wieringen er op, dat by het hoger beroepsonderwijs wil zien met zijn eigen plaats en taak binnen het hele onderwijs en heel speciaal in relatie tot het lager en middelbaar beroepsonderwijs. Hij voegt daar onmiddellijk aan toe dat „samenhang met het wetenschappelijk onderwijs slechts een van de mogelijke oplossingen is voor de problemen van het HBO, en zoals we zullen aantonen niet de meest wenselijke." Waarom hij dan toch voor het woord identiteit heeft gekozen: „De veranderingsprocessen, waaraan het HBO onderhevig is, doen velen binnen deze schoolsoort de vraag stellen wat hun identiteit nu eigenlijk is. De verschuivingen in de oorspronkelijke doelstellingen waarop niet zonder meer een antwoord te formuleren is doen het woord identiteitscrisis naar voren komen. In deze zin heeft het HBO met vele andere instellingen gemeen dat gezocht wordt naar deze identiteit." Als reden voor de keuze van dit onderwerp geeft Van Wieringen enerzijds de actualiteit van het onderwerp en anderzijds de pogingen om onontgonnen terrein te verkennen. Hoe braak dat terrein is heeft hij aan den lijve ondervonden, toen bij het onderzoek steeds meer bleek hoe weinig er nog van dat HBO bekend is en hoe moeilijk het is om de bizar uiteenlopende gegevens te verzamelen. Deze actualiteit moge blijken uit de door hem voorlopig getrokken conclusie dat samengaan met het wetenschappelijk onderwijs niet de meest wenselijke oplossing is en 'twee sectoren beleid' de voorkeur verdient. Daarmee geeft hij afwijzend antwoord op een passage uit de begroting van 1975: 'Het kernvraagstuk van het hoger beroepsonderwijs in de structuur van het Nederlandse onderwijs is, als gevolg van de maatschappelijke, wetenschappelijke en economische ontwikkelingen, de samenhang met het wetenschappelijk onderwijs. Resultaat van het onderzoek is dat een opdeling van het hogere onderwijs in twee sectoren met ieder hun heel eigen identiteit de voorkeur verdient. Ondanks vele aanzetten tot mogelijke inrichting van die
Door J. W. M. V. Spaandonk categorieën van studenten die daarop zijn aangewezen, en gericht op het uitoefenen van specifieke beroepen op een bepaald hoger niveau. Het zijn die drie kenmerken, die Van Wieringen vooral heeft onderzocht: wat is het HBO, voor wie is het bedoeld en waartoe leidt het. Dat daarin de laatste jaren grote verschuivingen plaats hebben, heeft tot de identiteitscrisis geleid. _ Ook aan de evaluatie van die verschuivingen niet in de doelstellingen zelf maar in de uitwerking daarvan is in het proefschrift ruime aandacht besteed om de identiteit van dit moment te bepalen en daar het best passende beleid bij te zoeken. 'De vraag die we ons stellen is die naar een zodanige oplossing voor de problematiek van het hoger beroepsonderwijs, die de traditionele taakstelling van deze schoolsoort het meeste recht doet en tevens het potentieel van het hoger beroepsonderwijs voor een toekomstige taakstelling zoveel mogelijk aanboort. Voorgestelde oplossingen zullen we moeten waarderen naar de mate waarin de'waardevolle elementen onderkend en versterkt worden. Welke oplossing wordt geboden voor de verschuivingen en spanningen binnen en tussen de taken van het HBO? Een oplossing zal rekening moeten houden met al deze taken en niet kunnen volstaan met een deeloplossing voor een van deze taken.'
Taakgroepen
twee sectoren zegt Van Wieringen nadrukkelijk niet de pretentie te hebben een blauwdruk van die inrichting te kunnen geven: 'Immers de uitwerking van de hier geschetste oplossing zal in belangrijke mate afhangen van het hoger beroepsonderwijs zelf. De in deze studie ontwikkelde argumentatie kan hopelijk de processen van identiteitsbepaling binnen het hoger beroepsonderwijs verrijken en helpen sturen in de richting van een onderwijssoort, die wezenlijk vernieuwend werkt op de verschillende velden van werkzaamheden van onze samenleving.'
Verschuivingen De kern van de identiteitscrisis ligt volgens de promovendus in de traditionele scheiding tussen algemeen vormend en beroepsonderwijs en de tendens, die steeds meer veld wint, om dat onderscheid ongedaan te maken door alle onderwijs zoveel mogelijk algemeen vormend te maken. Dat is de reden waarom het hoger beroepsonderwijs zijn identiteit zoekt in aansluiting bü het wetenschappelijk ouderwijs en niet in zijn historische duidelijke herkomst uit het beroepsonderwijs met een heel eigen léeritiii^d bedoeld voor
een streven naar professionele status. Een goed beleid moet ook een oplossing zoeken voor deze beroepsproblematiek. 3) Tenslotte hebben we gewezen op de taak van toeleverende schoolsoort voor de universiteiten en hogescholen. Ook hier moet het beleid worden geëvalueerd naar de bijdrage die geleverd wordt aan deze drei-
Van Wieringen heeft die taken in drie groepen ondergebracht, die dan tevens kunnen dienen «Is criteria om voorgestelde oplossingen te evalueren: 1) We hebben het hoger beroepsonderwijs geplaatst binnen het beroepsonderwijs en haar taak in dit perspectief beoordeeld. Een van de wezenlijkste taken ligt dan ook in het verschaffen van hogere scholingsmogelijkheden aan een uiteenlopende groep studenten, die elders (bijvoorbeeld in het wetenschappelijk onderwijs) geen plaats vinden. Hoe houdt een beleid voor het HBO rekening met deze taak? Wordt zelfs getracht deze zaak te versterken? Hoe wordt, samenhangend met deze taak, de relatie gezien met het overige beroepsonderwijs, met name het middelbaar? 2) We hebben de beroepsvoorbereidende taak onderzocht ten aanzien van de ontwikkelingen in de onderwijsprogramma's en ten aanzien van de nagestreefde professionele beroepsstatus. Met betrekking tot de onderwijsprogramma's hebben we gewezen op de tegenstrijdige eisen van veralgemening en verbijzondering. De veralgemening, de verlenging van de programma's, de verzwaring van toelatingseisen hebben we gevat onder de term institutionele mobiliteit. Een beleid dat pretendeert een oplossing te geven voor de identiteitscrisis van het HBO zal dit verschijnsel moeten onderkennen en aangeven hoe de negatieve effecten hiervan te voorkomen zijn. We hebben voorts laten zien dat deze ontwikkelingen binnen het HBO verbonden zijn met tendensen tot professionalisatie van de beroepen. We hebben gewezen op de gevaren vaa
gende verandering van taakstelling: van eindopleiding tot vooropleiding.
Ttvee sectoren
Op grond van deze criteria komt Van Wieringen tot de stelling dat een hoger onderwijs opgedeeld in twee sectoren, de hogere beroepssector en de wetenschappelijke sector, de voorkeur verdient.
Het ideaal voor het hoger beroepsonderwijs (HBO) zou gezocht kunnen worden in instellingen, die een breed en ruim opgezet geheel van cursussen bieden van verschillend niveau met overstapmogelijkheden, dit vaak in samenwerking met het middelbaar beroepsonder^v'js, gericht op velden van werkzaamheden. Instellingen die gekenmerkt worden door soepelheid, innovatie en zorg voor tenachtergestelden: kenmerken die het beroepsonderwijs altijd bezeten heeft. Zo'n instelling zou voorzieningen moeten bieden van full time tot part time en zo mogelijk grote verscheidenheid qua programma's. Het streven naar coördinatie of integratie van wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs versterkt de tendens tot afstoting van traditionele taken, beloont ze als het ware... Het is hierom dat een beleid gekozen zou moeten worden dat niet streeft naar deze samenhang maar dat juist tracht het hoger beroepsonderwijs in zijn traditionele waarde te latetu
'Die oplossing voor de problematiek van het HBO heeft de pretentie te voldoen aan de gestelde criteria. De taakstelling als hogere onderwijssoort binnen het beroepsonderwijs blijft expliciet behouden. De verscheidenheid van studentenbevolking, het aandeel van studenten uit lagere milieus enz. blijven verzekerd. .. De spanningsverhouding tussen veralgemening en verbijzondering is voor een belangrijk deel op te lossen door velden van werkzaamheden als oriëntatiepunt voor het HBO te beschouwen. Structureel betekent een twee sectorenbeleid dat institutionele mobiliteit en de negatieve gevolgen hiervan door een gescheiden onwikkeling van de twee sectoren van hoger onderwijs onmogelijk wordt gemaakt. Het streven naar professionele status en de enige relatie tussen opleiding en . beroepsuitoefening wordt eveneens ontkracht in de voorgestelde oplossing. Voorts kan in een twee sectorenbeleid, waarin het beroepsgerichte hoger onderwijs een zelfstandige en sterke sector vormt, geen sprake zijn van een verandering van het HBO in de richting van een vooropleiding voor het wetenschappelijk onderwijs, de twee sectoren zijn immers in ijelangrijke mate wedijverend ten opzichte van elkaar.'
Engels model
In het proefschrift is ook een hoofdstuk gewijd aan de vergelijking met andere landen, waar men met de-
zelfde problemen kampt en daar oplossingen voor heeft gezocht. Van Wieringen beperkt zich tot de Verenigde Staten, Duitsland en Engeland, omdat in die landen vergelijkbare stromingen het best herkenbaar zijn, die hier in hoofdzaak als oplossing worden nagestreefd. De Amerikaanse community-colleges hebben model gestaan voor de opvattingen van prof. Wiegersma over de inrichting van het hoger onderwijs. In de desbetreffende zogenaamde reisnota's van de ministers Veringa en De Brauw en het wetsvoorstel van minister Van Veen wordt meer gedacht in de richting van de Duitse Kooperative Gesamthochschule. Het door hem zelf voorgestane twee sectorenbeleid herkent hij meer in het Engelse bi-ojnB ap iSBBU }3Ui uiaa^sAs sjren nome universiteiten de niet-autonome polytechnische scholen. Aan het proefschrift is tenslotte nog een uitvoerige bijlage als aparte brochure toegevoegd waarin Van Wieringen verslag doet van de interviews, die hij heeft gehad met personen, die bij het formuleren van het beleid voor het HBO betrokken zijn, van de enquêtes, die hij gehouden heeft onder schooldirecteuren, docenten en studenten en tenslotte van de analyse van een aantal prospectussen van scholen voor HBO. Deze bijlage is in zovere boeiend dat zij duidelijk aangeeft hoe moeizaam gegevens over het HBO bij elkaar kunnen worden gebracht. (Uitleg)
Onderwijs ontwikkelingslanden vereist andere aanpak Een laag inkomen per hoofd van de'^bevolking, geringe industrialisatie en een groot analfabetisme dat zifn de eigenschappen die samen de minst ontwikkelde landen van de wereld maken tot wat zij zijn. Het zifn ook karakteristieken die deze landen vasthouden in een vicieuze cirkel waaruit de Verenigd^ Naties mogelijkheden om te ontsnappen moeten wijzen. Het onderwüskwartaalschrift ,',Prospects" van de Unesco heeft sommige problemen bestudeerd en mogelijke oplossingen bekeken, waarbij het blad aangeeft dat deze LDC's (Least developed countries) op sommige gebieden tot een fundamenteel andere aanpak moeten overgaan om uit die vicieuze cirkel te geraken. Voor deze landen is het niet zaak om meer geld in het onderwijs te steken; sommigen besteden er al 30 % van de overheidsinkomsten aan, zonder er evenwel veel voor terug te krijgen. De Egyptische econoom Sarair Amin wijdt veel moeilijkheden aan het feit dat van een Europees model werd uitgegaan, dat veel te ver voor lag op de werkelijke economische behoeften in de ontwikkelingslanden. Grootscheepse hulp faalde daardoor en bracht alleen teweeg dat gediplomeerden werkloos rondliepen en plattelandsbevolking naar de steden trok. Voor Manzoor Ahmed is er geen hoop om in de nabije toekomst algemeen vormend onderwijs bereikbaar te maken voor de gehele bevolking, zodat elke poging om scholen daarvoor te verbeteren en uit te breiden juist voorbijgaat aan de meerderheid die het meest hulp nodig heeft bij de inspanningen om de kost te verdienen.
Alternatieven Hij meent daarom dat alternatieve programma's geboden zijn speciaal voor de plattelandsbevolking die in de LCWD's de overgrote meerderheid vormt. In ieder geval onbevredigend zijn die programma's gebleken waarin met mobiele vakscholen en kleine dorpsambachtscholen w«rd gewerkt, die een voorafgaande
opleiding vergen en waarvan de kosten trouwens te hoog zijn om ze uit te breiden. De problemen zijn ook niet opgelost door de cursussen onder het motto: „leer terwijl je doet", waarmee wordt gepoogd bekwaamheden te otvdervrijzen of te vergroten die van direct belang zijn voor de dorpseconomie. Dergelijke projecten in Boven Volta en Dahomey bijvoorbeeld bestreden het analfabetisme tegelijk met het verbreiden van meer landbouwkennis, maar doordat ze niet gekoppeld waren aan enige poging om de economische beperkingen op te heffen die de boeren arm houden, boden ze ook geen uitweg uit de vicieuze cirkel. Voor een betere strategie geeft Manzoor Ahmed enkele uitgangspunten waarbij hij de onderwijs activiteiten ziet als een essentieel onderdeel van een ontwikkelingsprogramma dat zich richt op het verschaffen van werkgelegenheid, het opvoeren van de produktiviteit en verhoging van het inkomen. Voor dergelijke geïntegreerde ondernemingen bestaan verscheidene mogelijkheden: produktiecoöperaties bijvoorbeeld van-het-type,iat in Bots-
wana (Zuidelijk Afrika) bewezen heeft zichzelf te kunnen bedruipen.
Eigen kuhuur Abdeu Moumoni ontwikkelt een andere strategie waarvoor hij bepleit terug te keren tot de eigen kuituren en talen. Het leren lezen en schrijven wordt dan een kwestie van enkele maanden, meent hij, in plaats van een of twee jaar; opleiding van leerkrachten vergt navenant minder tijd en de resultaten van het onderwijs zullen veel beter zijn. Wel is het dan nodig een schrijfwijze van de talen te ontwikkelen, uitrusting aan te schaffen voor de prodüktie van schoolboeken, leerkrachten te herscholen en de organisatie van het onderwijs te herzien. De kosten en moeite hiervan zijn volgens hem de voornaamste reden waarom men doorgaans nogal traag was om af te stappen van het geërfde koloniale systeem. Henri Dieuzeidc betoogt dat een herziening van de onderwijsstrategie niet zou moeten inhouden dat de LCD's zich ook afkeren van de moderne technische mogelijkheden: Niger bijvoorbeeld heeft bewezen dat zelfs bij afwezigheid van electriciteit een onderwijstelevisie net gesticht kan worden. Zonnebatterijen leveren licht voor de ontvangers. Tanzania's president Julius Nyerere geeft in het openingsartikel het principiële uitgangspunt aan voor het diepgaand hervormen van onderwijsstelsels. Hef doel is niet om technici op te leiden die gebruikt kunnen worden als instrumenten om de economie te laten groeien, maar om mensen te vormen die de tecimische bekwaamheid bezitten om een economie te laten groeien tot heil van de mens in de samenleving.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975
Ad Valvas | 396 Pagina's