Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 295

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 295

12 minuten leestijd

AD VA LVA S — 36 MA A RT 1976

il

Minister Trip in memorie van antwoord:

Wetenschapsbeleid centralistisch noch bureaukratisch Minister F. H. P. Trip (wetenschapsbeleid) vindt dat interpretaties van de Nota Wetenschapsbeleid die leiden tot kwalificaties als „centralistisch" en „bnreaucratisch" op zéér gespannen voet staan met de door hem gefor­ muleerde beleidsuitgangspnnteu. De minister zegt dit in zqn dezer dagen aan de Kamer aangeboden memorie van antwoord, waarin hij uitvoerig ingaat op de vragen en opmerkingen naar aanleiding van de Nota Weten­ schapsbeleid. Minister Trip wqst er op, dat voor de overheidsbemoeienis met betrek­ king tot bet wetenschappelijk onderzoek globaal een drietal vormen denkbaar is: het onderzoek wordt van bovenaf geleid; er is een zekere mate van sturing en coördinatie, of: de overheid Iaat de organisatie van onderzoek geheel aan onderzoekers en onderzoekinstellingen over. Noch het centraal geleide onder­ zoekstelsel, noch het 'laissez faire'­ model zijn aanvaardbaar. Daarom is in de Nota Wetenschapsbeleid gekozen voor het middenmodel, waarbij voor het fundamentele onderzoek een andere uitwerking gewenst is dan voor het maat­ schappelijk dienstbare onderzoek, aldus de bewindsman. In de struc­ tuur van het buiten­universitaire, in hoofdzaak maatschappelijlc dienstbare onderzoek, zal een rui­ mere plaats moeten worden inge­ ruimd voor sturing en coördinatie dan in het universitaire — in hoofdzaak fundamentele — onder­ zoek, waar de autonomie van het onderzoek een zwaarder accent krijgt. 'Met kracht moet ik «;hter de op­ vatting weerspreken als zou de Nota Wetenschapsbeleid die stu­ ring en coördinatie van het buiten­ universitaire onderzoek geheel aan do overheid toebedelen. Integendeel: de sectorraden, waar­ in onderzoekers, gebruikers van onderzoekresultaten en overheid gelijkwaardig participeren, zullen door middel van de adviezen die zij uitbrengen een belangrijke stu­ rende invloed hebben". In het sec­ torradenoverleg, gericht op het op­ stellen van plannen voor onder­ zoek in een sector, kunnen en mo­ gen de wensen en behoeften van de samenleving niet alleen worden geformuleerd door ^overheidsver­ tegenwoordigers, aldus de minister, maar in minstens eVen grote mate door vertegenwoordigers van aller­ lei maatschappelijke groeperingen.

Minder interne beslissingSTuimte Minister Trip bevestigt in antwoor­ den op opmerkingen van de frac­ ties van PvdA en D'66, dat bij in­ stellingen voOT toepassingsgericht onderzoek de interne beslissings­ ruimte ten aanzien van de keuze van onderzoekdoelen, ­program­ ma's en ­projecten wordt ingeperkt. Hij vindt echter, dat het offer van een zekere beperking van de vrij­ heid van wetenschapsbeoefening moet worden gebracht om het cri­ terium van het maatschappelijk belang operationeel te maken. De minister z«gt zich ervan bewust te zijn, dat het moeilijk zal blijken om de vertegenwoordiging van de samenleving in de sectorraden op een voor ieder aanvaardbare wijze te laten plaatsvinden. Het gaat hier echter om een „test case" voor de democratisering van het weten­ schapsbeleid. In het bijzonder zal zijn aandacht daarom uitgaan naar de vertegenwoordiging van regio­ nale belangen en de toegankelijk­ heid van de sectorraden voor min­ der geïnstitutionaliseerde groepe­ ringen zoals actiegroepen. Het voorstel van de Bond van We­ tenschappelijke Arbeiders (BWA) en het Verbond van Wetenschap­ pelijk Onderzoekers (VWO) om de externe beinvloeding van het on­ derzoek over te laten aan de mate waarin de onderzoekers in de door hen gekozen vertegenwoordigers in de verschillende raden daarvoor openstaan, vindt minister Trip niet ver genoeg gaan. Hij onderkent weliswaar een „toenemende maat­ schappelijke bewustwording van onderzoekers", maar vindt deze een onvoldoende basis voor het tot stand brengen van de externe de­ mocratisering van het weten­ schapsbelied. Met de constatering van KVP­, AR­ en CHU­kamerleden, dat de rechtstreekse invloed van de de­ partementen door de introductie van sectorraden veel groter zal worden, is minister Trip het „vol­ strekt" oneens. Het tegendeel is het geval. De bestaande situatie is dat de beleidsbeslissingen met be­ trekking tot het door een depar­ tement beheerde en gefinancierde onderzoek grotondeels binnen de muren van het departement wor­ den voorbereid >n genomen. In de werkwijze van de sectorraden

daarentegen wordt de benutting van het onderzoekpotentieel onder­ worpen aan de advisering van de overlegpartners. De gevolgtrekking kan dan ook geen andere zijn, dan dat de departementen hierdoor een deel van hun invloed op de be­ leidsvoorbereiding prijsgeven. Minister Trip merkt in dit verband op, dat in een eventuele wettelijke regeling voor de sectorraden het principe van openTjaarheid van de besluitvorming en de adviezen, met inbegrip van de minderheidsstand­ punten, opgenomen moeten wor­ den. Bij de presentatie van het re­ geringsbeleid kan dan duidelijk blijken op welke punten de vak­ minsters — in overeenstemming met de minister voor wetenschaps­ beleid — hebben gemeend te moe­ ten afwijken van 4e aan hen uit­ gebrachte adviezen. Ten aanzien van het universitaire onderzoek zijn de beleidsvoorne­ mens van de regering neergelegd in de Nota Wetenschapsbeleid en de Nota Planning van het Hoger Onderwijs. In het proces dat op landelijk niveau zal moeten leiden tot het vaststellen van een struc­ tuur voor de universitaire en daar­ mee verwante wetenschapsbeoefe­ ning is thans de fase aangebroken, aldus minister Trip, waarin uit­ werking zal moeten worden ge­ geven aan eerdergenoemde beleids­ voornemens.

Industriële research In reactie op kritische kanttekenin­ gen van de zijde van PvdA, D'66 en PSP bij diens opmerking in de Nota Wetenschapsbeleid, dat de mogelijkheden voor rechtstreekse sturing van de industriële research beperkter zijn dan bij de door de overheid gefinancierde research, zegt minister Trip zijn benadering als „realistisch" te willen aanmer­ ken. Een wetenschapsbeleid kan niet worden gevoerd met voorbij­ gaan aan de bestaande economi­ sche orde, waarin de autonomie van de ondernemingen tot op vrij grote hoogte een feit is. In een systeem van selectieve groei, waarbij aan de investeringen voor­ waarden voor het handelen van de ondernemingen zullen gelden, ligt het echter voor de hand dat ook wordt gezocht naar mogelijkheden van afstemming van de industriële research op het wetenschapsbeleid. De minister meent dat er wegen kunnen worden gevonden om te bewerkstelligen, dat het weten­

schappelijk onderzoek van het be­ drijfsleven wordt gestimuleerd of afgeremd, naar gelang de beteke­ nis ervan voor het maatschappe­ lijk welzijn. In dit verband wijst hij op het structuurbeleid van de minister van economische zakea, en de deelneming van het bedrijfs­ leven aan de sectorraden.

Andere

punten

Enkele andere punten uit de me­ morie van antwoord: Interne democratisering: Minister Trip vindt, dat de democratisering van researchlaboratoria van het bedrijfsleven in de pas zal dienen te lopen met het proces van be­ drijfsdemocratisering in het alge­ meen. Dit impliceert, dat de (aan­ gekondigde herziening van de) Wet op de Ondernemingsraden ook be­ palend zal zijn voor de mede­zeg­ genschap en het medebeslissings­ recht van het personeel dat werk­ zaam is in de onderzoek­ en ont­ wikkelingssector van het Neder­ landse bedrijfsleven. Wetenschappelgke steun voor actie­ groepen: Voor minder permanent georgani­ seerde groepen, zoals actiegroepen, vindt minister Trip het van belang dat zij de mogelijkheid krijgen zich wetenschappelijke ondersteuning te verwerven, opdat alternatieve be­ naderingen van bepaalde proble­ men een betere kans krijgen. De minister bestudeert de mogelijk­ heid van een ombudsunctie ten aanzien van het wetenschappelijk onderzoek. Deze zou er niet alleen toe kimnen bijdragen dat weten­ schappelijke informatie beschikbaar komt voor individuen of groepen die daar behoefte aan hebben, maar bijv. ook optreden als be­ middelingsinstantie en hulp bieden bij de toegang tot het onderzoek­ systeem, en onderzoek entameren. Wetenschapsvoorlichting: In ons land vinden heel wat activiteiten op het gebied van wetenschaps­ voorlichting plaats, maar het ont­ breekt daarbij ten enenmale aan een gecoördineerde aanpak, zo zegt de minister in antwoord op opmer­ kingen uit verschillende fracties' naar aanleiding van zijn beleid tea aanzien van wetenschapsvoorlich­ ting en ­popularisering. Ook ontbreekt elk inzicht in de middelen die hiermee zijn gemoeid. De onder het Ministerie van On­ derwijs en Wetenschappen ressor­ terende instellingen besteden per jaar zo'n ƒ 12 miljoen aan voor­ lichting en publiciteit, maar het aandeel daarin van de wetcn­ schapsvoorlichting is volstrekt on­ duidelijk. Een onderzoek hij de Koninklijke Nederlandse Akade­ mie van Wetenschappen zal in­ zicht moeten geven in de wijze waarop de wetenschapsvoorlichting kan worden verbeterd ea nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen voor het publiek toegankelijk kun­ nen worden gemaakt.

Verkiezingen universiteitsraad en inter/sub/faculteitsraden 1976 KANDIDAATSTELLING EN BEROEP De termijn van kandidaatstelling sluit heden (26 maart) 12 uur v.m. Zo spoedig mogelijk hierna vindt de bekendmaking plaats van de namen der kandidaten, die voorlopig aanvaard zijn. Tegen de kandidaatstelling staat beroep open tot woensdag, 31 maart a.s., 10 uur. Beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het secretariaat KIESCOMMISSIE, Hg. 2D­26. Een beroepschrift omvat: — naam en adres van de indiener; — het belang van de indiener; — het onderwerp en de reden(en) van het beroep. In geval zich beroep mocht voordoen, zal de kiescommissie dit behan­ delen op vrijdag, 2 april, in kamer 2D­11, aanvang 12 uur. Beroep­ schriften worden ter visie gelegd op het INFORMATIECENTRUM, Hg. lD­03. VRIJE KIESVERENIGING Tot de datum van inlevering van de kopie hebben de volgende vier kiesverenigingen een verzoek om erkenning als vrije kiesvereniging inge­ diend: K.V.­T.A.S.­UR. '76, V.U.S.O., P.K.V., K.V.­STAF­VU. ADRES Adreswigzigingen kunt U tot kort voor de verzending van de stembrief doorgeven aan het secretariaat KIESCOMMISSIE, Hg. 2D­26. KIESCOMMISSIE: HOOFDGEBOUW 2D­26, tel.: (548) 3001

Proefschrift over Maguerite Duras „De reden, dat ik Maguerite Da­ ras gekozen heb als onderwerp voor mqn proefschrift is, dat deze schrigfster nauwelijks bekend is fai de hedendaagse literatuur. Publica­ ties over haar bestaan alleen maar uit voetnoten, een enkel interview in een krant. Verder een paar ge­ schriften over haar uit A merika, waar ze veel meer bekendheid ge­ niet dan bier in Europa. Ik was erg geboeid door ïa^a romans, daar­ om ben ik wat "dieper ingegaan op haar als schryfster." Dit zegt mevr. dr. H. Steinmetz­ Schünemann, die is gepromoveerd op haar proefschrift, getiteld „Die Bedeutung der Zeit in den Roma­ nen von Maguerite Duras unter be­ sonderer Berücksichtigung des Ein­ fluesses von Faulkner und Heming­ way." „Uit allerlei publicaties en uit eigen ervaring heb ik vastgesteld, dat er een concrete invloed uitgaat van haar boeken op de lezer. In het begin is dit helemaal niet rationeel te verklaren. Dat maakt het onder­ zoek wel wat moeilijker, je moet je eerst losmaken van het gevoelsma­ tige dat je ervaart bij het lezen van haar romans. Deze betrokk«iheid is heel sterk in haar boeken tot on­ geveer 1968, daarna wordt het moeilijker, haar werken zijn dan heel moeilijk te begrijpen, althans niet voor de gewone lezer. Toen ben ik met het eigenlijke onderzoek begonnen. Zoals vele van haar tijd­ genoten stond zij ook sterk onder invloed van Faulkner en Heming­ way, vooral in haar vroege perio­ de."

Nieuw sportcentrum GU aan De Boelelaan Na een bouwtijd van anderhalf jaar is het Universitair Sportcentrum voor de Universiteit van Amsterdam aan de De B oelelaan 46 deze maand zo ongeveer klaargekomen. Het complex omvat twee sporthallen (met in totaal i basketbalvelden of S volleybalvelden) en twee gymnastiek­ zalen, bestemd voor de conditietraining. Het centrum, is niet uitsluitend bestemd voor universitaire verenigingen of groepen. In be­ ginsel kunnen de ruimten ook gehuurd worden door verenigingen buiten de universiteit en scholen. Het beheer van Tiet centrum berust bij het B ureau Studentensport, Jodenbreestraat 23, kamer 1134, tel. 254279.

Hoe trekt u parallellen tussen Ma­ guerite Duras en Faulkner en He­ mingway? „Het is moeilijk dat in kort bestek uit te leggen, maar het gaat hierom. Sinds het begin van deze eeuw ging het probleem van de mens in deze tijd, ook in de literatuur, een rol spelen. Faulkner heeft een heel spe­ cifieke manier om dat in zijn ro­ mans impliciet uiteen te zetten. De mensen zijn door hun verleden vastgelegd. Niet zozeer door het milieu, veel meer door hun \ f ­ den, door hun afkomst. Door ^ vaststelling zijn ze niet me om hun eigen toekomst te ' . omdat het verleden in het ^' doorwerkt." Bij Hemingway was dat ju' gekeerd? „Ja, in zekere zin wel. Doe oorlogservaringen wou hij a' alles wat verleden was. Een opstand tegen het verleden. H' loofde ook niet meer in een p­ tieve toekomst. Hij beeldt zijn fi, ren dan ook alleen in het heden !' empiristisch." Een soort idealiseren van de fi t ren die hij in zijn romans uitbee' „Ja, misschien wel. Het is eigen meer een tendens naar een btj^­ • volledig nihilisme. Ook op het mt­ tafisieke vlak is voor de mens niei anders dan het ogenblik waarin hi) leeft. Ook de toekomst wordt door Hemingway weggestopt, juist om­ dat hij niet in een positieve toe­ koms gelooft. Het heden is belang­ rijk, hij kijkt ook niet naar de ge­ volgen die het heden in de toe­ komst kan hebben." Tot zover reikt de aandacht, gege­ ven aan Faulkner en Hemingway; het gaat veel meer om Maguerite Duras, de invloed die zij van deze twee mensen ondervonden heeft, ook op taalkundig gebied. De korte dialogen van Hemingway, de veel moeilijker beschrijvingen die Faulk­ ner geeft zijn in de Franse litera­ tuur veelvuldig toegepast. In haar proefschrift probeert mevr. Steinmetz een nieuwe visie te ge­ ven op het concept van deze tijd, een karakteristiek voor de romans van Maguerite Duras. Vooral in haar eerste twee romans komt dat duidelijk naar voren, in La vie tranquille en Un barrage contre Ie Pacifique. De sterke invloed van Faulkner is hierin terug te vinden. In Le marin de Gibraltar en Les petits chevaux de Tarqninia staan duidelijk onder invloed van He­ mingway. B {R. .)

Voor ADVERTENTIES AD VA LVA S naar J. G. DCTKER Telefoon 05612­541

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975

Ad Valvas | 396 Pagina's

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 295

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975

Ad Valvas | 396 Pagina's