Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 167

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 167

11 minuten leestijd

AD VALVAS — 5 DECEMBER 1975

3

Wetenschap en Samenleving gewijd aan 'Vrouwen en Wetenschap* Wet

Universiteiten nog bo bolwerlcen van vrouwen-dislcriniï vrouwen-disicriminatie Nog net op de valreep van het Jaar van de Vrouw is het laatste nummer van „Wetenschap en Samenleving" geheel gewijd aan het thema „Vrouwen en Wetenschap" en is voor deze gelegenheid samengesteld door een ad hoc vi-ouw'enredaktie. In een reeks van artikelen wordt de ontwikkeling beschreven die het feminisme binnen de universiteit en de wetenschap doormaakt. Wat verstaan de schrijfsters onder sexisme? Heel eenvoudig gezegd „discriminatie van de vrouw" en uitvoeriger gezegd „het aan onze maatschappij inherente, onbewuste, als vanzelfsprekend aangenomen, niet ter diskussie gestelde, niet onderzochte, niet betwiste aanvaarden van de opvatting dat de wereld zoals mannen die zien de enige wereld is, dat de manier waarop mannen de wereld aanpakken de enige manier is, dat hoe mannen over vrouwen denken de enige manier is waarop je over vrouwen kunt denken." (Jessie Barnard) Sexisme moet bestreden worden. Dit wordt metterdaad al geveer zes jaar in Nederland gedaan door tal van vrouwenbewegingen, zoals Man-Vrouw-Maatschappij, Dolle Mina en de Rooie Vrouwen. Het opmerkelijke hierbij is dat de universiteit en het wetenschapsterrein heel lang buiten schot bleven. Dit is des te opvallender omdat juist goed opgeleide vrouwen gevoelig zijn voor diskriminatie en veel feministen studeren of een universitaire opleiding hebben.

Door Corine Souwer In de navolgende periode treedt hier een reaktie op. Langzamerhand begint men meer nadruk te leggen op de vrouwenonderdrukking door de klassen heen. Het heeft tot 1974 geduurd voordat het feminisme pas goed de universiteit binnendringt. Er gaan dan stemmen op om een onafhankelijke vrouwenuniversiteit

EN OtbK^Z.\M\NATtE VAK/ DE V R G U V V Kunnen we dan stellen dat de we­ tenschap een terrein is waar de emancipatie van de vrouw een vol­ dongen feit is? Integendeel, ondanks het progressieve image dat de uni­ versiteiten op andere terreinen heb­ ben opgebouwd, zijn het in dit op­ zich bolwerken van traditionalisme en diskriminatie van de vrouw ge­ bleven. Als we het totale aantal vrouwelijke studenten in ogenschouw nemen, blijkt maar ca. 20% van de studen­ ten meisjes te zijn. Hiervan studeert ca. 40% af. Van de 80% mannen studeert ca. 60% af. Met andere woorden van iedere 7 afgestudeer­ den is er maar 1 van het vrouwe­ lijke geslacht. Slechts 10% van het wetenschappelijke korps bestaat uit vrouwen.

Staaltje Een mooi staaltje van sexisme was de uitkomst van een enquête, die 3 jaar geleden onder Duitse hoog­ leraren werd gehouden. Hierb^ werd o.m. hun mening gevraagd over een mogelijke uitbreiding van het aantal vrouwen in het hooglerarenkorps. Het bleek dat maar liefst 90% van de hooggeleerde heren een vrouwe­ lijke kollega onaanvaardbaar acht­ te. Geen rooskleurige toestand dus bij de universiteiten! Wat is nu de reden van het ontbre­ ken van een bloeiend feminisme aan onze wetenschappelijke instellingen? De schrijfsters wijten dit groten­ deels aan een schuldgevoel dat uni­ versitaire vrouwen hebben omdat zij wel de kans kregen om te studeren en leuk werk te krijgen, terwijl zo­ veel vrouwen in een veel beroerdere situatie verkeren. Hierdoor kwamen ze er niet toe hun eigen onderdruk­ king in hun studeer­ en werksituatie te analyseren. Nog een andere opvatting binnen de vrouwenbeweging vertraagde de opmars naar de universiteit. Dat was de zogenaamde „mevrouw Phi­ lipstheorie", die stelde dat „vrou­ wen uit de betere kringen een on­ derdeel zijn van de heersende klas­ sen en daarom eerder bij de onderdrukkers horen dan bij de on­ derdrukten; er komt wel wat vrou­ wendiskriminatie bij hen voor, maar alleen arbeidersvrouwen worden echt onderdrukt.'/

CB6L6\/tU.

op te richten. Maar over het algemeen ondervindt dit idee veel verzet. De tegenstandsters gaan er van uit dat sexisme op de universiteit zélf moet worden bestreden.

Argument

Een veel gebruikt argument is: vrouwen staan toch nl zo zwak; wanneer ze de erkende diploma's van de universiteit zouden missen staan ze nog zwakker." Bovendien vinden de vrouwen dat ze recht hebben op de middelen die de universiteit ter beschikking staan en willen geen genoegen nemen met een apart „postje" op de begroting. In Amsterdam wordt een groep „Vrouwen en Universiteit" opgericht, die eind april '74 een dag organiseerde waarvoor een onverwacht grote belangstelling bestond. Sindsdien draaien er in de meeste universiteiten fakulteits- en studiegroepen die onderzoek over vrouwen uitvoeren en entameren. In de zomer van 1975 wordt een stuurgroep emancipatieonderzoek bij het SISWO ingesteld. Hierin zitten helaas geen studenten en nauwelijks aktieve feministen. Het is niet te verwonderen dat er een kloof ontstaat tussen de traditioneel ingestelde onderzoekers en de aktieve vrouwen die in de fakulteiten aan de basis werken. De tegenstelling ligt voornamelijk besloten in de wetenschapsopvatting van beide partijen. Tegenover een waardevrije benadering van de tra- ditionele onderzoekers benadrukken de feministen het waardegebonden onderzoek waarbij een feministisch engagement noodzakelijk wordt geacht. De fakulteitsvrouwen zijn van mening dat sexisme 4n de wetenschap alleen bestreden kan worden door een feministisch bewustzijn, anders is men er niet ge-'oelig voor. Ze vinden ook dat onderzoek naar vrouwen ifiet gedaan moet worden uit hobbyisme of omdat het zo leuk is voor je karrière, maar zodat

vrouwen er daadwerkelijk iets mee kunnen doen. De lakunes in de kennis over vrouwen moet worden aangevuld en de resultaten moeten aan de vrouwenbewegingen dienstbaar worden gesteld.

Open avond over liomosexuallieit

Hard werJcen

De volgende open avond van de werkgroep homosexualiteit wordt gehouden op donderdag 11 december om 8 uur in kamer OA17 van het VU-hoofdgebouw. Op deze avond zal ds. Doucé aanwezig zijn. Zijn discussieavonden, die in de introduktietijd werden aangekondigd op 24 nov. en 9 dec. zijn komen te vervallen. Daarvoor in de plaats dus de „open avond" op 11 dec. Ds. Doucé is een Baptistenpredikant uit Frankrijk, die met een beurs van de Wereldraad van Kerken, aan de VU studeert. Hij oriënteert zich over minderheidsgroepen. Het is de bedoeling, dat hij volgend jaar teruggaat naar Frankrijk om daar in Parijs een pastoraalcentrum op te zetten voor homofielen en andere minderheidsgroepen. Op de komende avond zal aan de hand van enkele kritische stellingen over „het gezin" gesproken worden. Als iemand er moeite mee heeft, naar een open avond te komen, kan hij of zij ook persoonlijk kontakt opnemen, via onderstaand telefoonnummer. Verdere informatie en gespreksmogelijkheid op het Studentenpastoraat bij ds. S. de Lange. Telefonisch op nr. 426930 bij ondergetekende. Jan Weenink

Het ideaal van de schrijfsters is een feministische kritiek op de wetenschap, die uitstekend past in de aanval die in de zestiger jaren is gelanceerd op de pretentie van de waardevrijheid. Er ligt op dit gebied nog een groot terrein braak, waaraan hard gewerkt moet worden. Maar allé idealen van de samenstelsters van dit speciale Vrouwennummer ten spijt, het heeft mijns inziens geen zin om de universiteit tot een vrijplaats voor vrouwen te maken, als er overal elders in de maatschappij nog sexisme wordt bedreven. Zo werd onlangs een zelfstandig werkende academica, die in haar werk volkomen als gelijke van de man werd geaccepteerd, een ABN-plankrediet geweigerd op grond van de zware lasten die haar man had. Zo komen we natuurlijk niet verder. Emancipatie-onderzoek zal daarom gericht moeten zijn op de totale maatschappij. Hoewel inkrimping van de probleemkeuze niet te vermijden is, lijkt het wel zinnig dit toch goed te beseffen. Voor verdere informatie verwijzen wij naar het betreffende oktobernummer van 'Wetenschap en Samenleving', gewijd aan Sexisme en Wetenschap.

AR pleit voor onafhankelijk onderwijsplanbureau De Academische Raad is van mening, dat een in te stellen Onderwijs­ planbureau ten behoeve van en in overleg met de betrokkenen moet functioneren. Naar zijn oordeel moet daarom de bestuurlijk­organisa­ torische onafhankelijkheid van dit orgaan gewaarborgd zijn. In het wetsontwerp Instelling van een Onderwijsplanbureau wordt evenwel aan de minister van Onderwijs en Wetenschappen een overwegende invloed verleend. Dit standpunt is de voorzitter van de Vaste Commissie voor Onderwijs en Wetenschappen van de Tweede Kamer ter kennis gebracht. Daarbij is er op gewezen, dat het voor een door de Wet Universitaire Bestuurshervorming beoogde doelmatige en democratische bestuursvoering van het

Dr. Geudeke in ope openbare les

Kind geen '[(ind van de rel(ening' rék Kindergenee De geschiedenis van de Kindergeneeskunde, een specialisme dat zich i n Nederland nog «nkele decaden gele( geleden duidelijk moest waar maken, is storm: kort, maar de ontwikkeling is stormachtig. De kinderarts heeft zich snel opstellen en heeft een breed veld van belang­ steeds professioneler kunnen opstellen, stellingssfcren. Verbreding gaat nog ial eens ten koste van verdieping; het is vanzelfsprekend, dat zich binnen de Kindergeneeskunde talrijke deel­ specialismen hebben ontwikkeld. Van groot belang is, dat de deelspecialist beschot zich in eerste instantie blijft beschouwen als internist voor kinderen: de hoofdspecii „moederbinding" met het hoofdspecialisme dient behouden te blijven ter­ wille van de patiënt. Een en ander zei dr. M. Geudeke, benoemd tot lector in de algemene pediatrie aan de VU, tijdens zijn openbare les op 28 november. Wil de kinderarts zijn taak naar behoren blijven vervullen, dan dient het wetenschappelijk onder­ zoek krachtig te worden gestimu­ leerd. Verantwoord onderzoek is alleen mogelijk bij een zo goed mo­ gelijke stafbezetting, met name in de academische ziekenhuizen. Het huidig beleid in dezen in ons land is dan ook zeer betreurenswaardig; weliswaar moet geldbesteding ver­ antwoord gebeuren, maar het vrij­ wel totaal uitblijven van de gele­ genheid tot stafverruiming zal, waarschijnlijk reeds op korte ter­ mijn, duidelijk fnuikend blijken te zijn voor de ontwikkelingen in dit vlak in Nederland Gedurende de laatste jaren doen zich grote verschuivingen voor al­ thans in de zogenaamde ontwikkel­ de landen, in het ziektepatroon. De kinderarts dient zich steeds op­ nieuw te oriënteren en zich met na­ me ook bezig te houden met niet zuiver somatische problemen.

Er moet, om een enkel voorbeeld te noemen, optimale^ begeleiding zijn van chronisch zieke, en van geestelijk en/of lichamelijlc gestoor­ de kinderen; er moet meer en meer met anderen worden samengewerkt in het vlak van de psychosociale problematiek. Van het grootste be­ lang is in dit verband een goede relatie tussen huisarts en kinderge­ neeskundige. In deze relatieproblematiek huis­ arts­specialist, een bekend discus­ siepunt in deze tijd, neemt de kin­ derarts een bijzondere plaats in, omdat hij via het kind steeds met het gezin in zijn totaliteit te maken krijgt. Zowel huisarts als kinderarts moeten tot diepgaand overleg be­ reid zijn; in de opleiding van medi­ sche studenten zal dit aspect meer nadruk dienen te krijgen dan tot heden het geval is. In concreto betekent dit een zo goed mogelijke samenwerking van de kinderarts­docent met de mede­ werkers van de afdeling Huisarts­ geneeskunde aan de Universiteit; met vreugde kan worden gesteld dat de bereidheid hiertoe aan beide

zijden aanwezig is! De verwachting is dan ook gewettigd dat het kind niet „het kind van de rekening" wordt!

Prijsvraag milieudefensie Op 10 april 1976 organiseert de Vereniging Milieudefensie (VMD) een studiedag met als thema: „Verscheidenheid in het stedelijk milieu". Op deze manier tracht de vereniging een bijdrage te leveren aan de discussies over stad en verstedelijking. De VMD doet een beroep op wetenschapsmensen en aktievoerders op het gebied van de stedebouw, om materiaal te leveren voor de studiedag. Iedereen kan dit doen door op de een of andere manier (bijv. artikel met onderzoeksresultaten of ontwerpen) te reageren op het artikel: „Verscheidenheid in stedelijk milieu", aan de hand van de VMDmedewerkers drs. H. J. Bakker en drs. D. A. van der Hoeven. Om de activiteiten aan te moedigen looft de vereniging een prijs van ƒ 500,uit, voor alle artikelen, die geplaatst worden in en speciale documentatiemap. Inzendingen dienen uiterlijk vóór 15 januari 1976 binnen te zijn. Nadere inlichtingen en aanvraag artikel zijn te verkrijgen bij VMD. Herengracht 109, Amsterdam, tel. 020-235450.

grootste belang is dat de universiteiten en hogescholen bij de vaststelling van hun beleid over kwantitatieve informatie kunnen beschikken. Voorts heeft de Raad opgemerkt dat staatssecretaris Klein van Onderwijs en Wetenschappen in zijn Nota Planning van het Hoger Onderwijs principieel heeft gekozen voor een procesmatige beleldsopbouw vanaf de basis. 'Deze principiële keuze impliceert naar het oordeel van de Raad samenwerking van de betrokkenen, ook bij de verzameling en bewerking van gegevens, teneinde te waarborgen dat de beslissingen op de onderscheiden niveaus van besluitvorming binnen het wetenschappelijk onderwijs ook genomen kunnen worden.' Met de Onderwijsraad vraagt de Academische Raad zich af of het niet^ beter zou zijn het Centraal Bureau voor de Statistiek uit te breiden met een afdeling, die de aan het Onderwijsplanbureau toebedeelde taken zou uitvoeren. Indien deze oplossing niet realiseerbaar mocht zijn zou de onafhankeli)kheid van het in te stellen Onderwijsplanbureau gewaarborgd kunnen worden door het in het wetsontwerp vermelde Adviescollege meer bestuurlijke taken te geven. De Academische Baad pleit in dit verband voor een regeling, welke vergelijkbaar is met die van de Centrale Commissie voor de Statistiek. Aangaande de samenstelling van het Adviescollege meent de Academische Raad dat dit wat het postsecundair onderwijs betreft slechts dan representatief kan worden genoemd wanneer de HBO-Raad en hijzelf bindende voordrachten kunnen doen voor de benoeming van vertegenwoordigers uit het hoger beroepsonderwijs respectievelijk het wetenschappelijk onderwijs.

Voor ADVERTENTIES

m AD VALVAS naar J. G. DUTKEB Telefoon 05612-541

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975

Ad Valvas | 396 Pagina's

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 167

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975

Ad Valvas | 396 Pagina's