Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 57

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 57

11 minuten leestijd

AD VALVAS — U SEPTEMBEE 1975

, f Peil van de meeste beiaardiers bedroevend"

VU-beiaardier voelt zich echte ambachtsman

door minder nuance in het spel leggen". Het carrillon staat niet erg gunstig boven op het dak van het hoofdgebouw. Ten eerste ten aanzien van meeste oudere beiaarden, die meestal een middentoonstemming hadde klankspreiding. Hel platte dak zorgt ervoor, dat de klanken horizontaal verdwijnen. Bovendien staan de klokken te hoog. Een zo lichte beiaard zou in een toren moeten hangen van 40 meter.

Geluidsdicht Elke dinsdag tussen haif een en een uur komt Bernard Winsemius, organist en beiaardier, naar de VU toe, neemt daar plaats achter het Uavier van het carillon, speelt zgn spel en verdwijnt weer geruisloos. Velen zullen vaak met aandacht geluisterd hebben naar de muziek, die van zo hoog over de terreinen van de VU klinkt; sommigen laten het over zich heen komen, maar weinig mensen zullen stilgestaan hebben by de vraag wie deze klanken uit de klokken van het carrillon tevoorschijn tovert.

Door Mara Eijsbouts taaf exact in twaalf gelijke delen is verdeeld, in tegenstelling tot de den. Eigenlijk maakt dat het spel minder interessant. Je kunt hier-

Bernard Winsemius vindt dat geen bezwaar. „Ik speel ook in Haarlem. In een kerk met een oude toren. Dat is sfeervol. Eigenlijk hoort een beiaard meer in het beeld van een oude stad. Mensen op terrasjes, klokkenspel op de achtergrond. Je krijgt dan ook vaak reacties van de mensen. Soms zelfs een bosje bloemen van anonieme bewonderaars(sters). Het is aan de VU natuurlijk wel wat onpersoonlijker".

Het is inderdaad een vreemd gezicht te zien hoe Winsemius een gevecht levert met de pedalen en stokken van het klavier terwijl men nauwelijks enig geluid hoort. Winsemius is geen type om muziek op een emotionele manier te benaderen: „Soms wel een beetje. Als organist doe je dat meer. Maar als je een beiaard bespeelt vereist dat toch een hele andere benadering van de emotie. De emotie is heel anders gekanaliseerd dan by de romantische muziek. Hef is Mj de beiaard een soort bewegingskrachf. Ik voel me eigenlqk een echte ambachtsman als ik het carrillon bespeel. Heel ouderwets."

Rechten De VU is geen vreemde omgeving voor Winsemius. Hö begon hier rechten te studeren en volgde tegelykertijd lessen aan het conservatorium. Toen hö na zün eindexamen aan het conservatorium de priös van uitmmitendheid kreeg, wat evenveel betekent als en aanmoedighig om door te gaan in de muziek, besloot hij om zijn rechten studie op te geven. „Dat was wel jammer. Ik vond het altijd erg aardig om rechten te studeren, maar op een gegeven moment moet je je toch op één ding gaan concentreren. Ik heb de muziÄ gekozen. Ik heb een jaar lang met plezier aan mijn doctoraal scriptie gewerkt. Die ging over auteursrecht in de kerkmuziek. Dat was in de tijd, dat het nieuwe liedboek van de kerken zou uitkomen. Een felle strijd op theologisch, muzikaal en juridisch gebied. Ik heb me daar toen op geworpen, maar toen ik tentamens moest doen werd het me teveel en heb ik de hele boel opzij gezet. Waarschijnlijk was ik een vrij slecht jurist geworden als ik door was gegaan. Ik dacht altijd, dat het nodig was om te studeren; van muziek alleen kon je immers niet leven. Och, en toen kwamen er ineens allemaal baantjes op me af, die alles bij elkaar meer opbrengen, dan datgene wat ik verdiend zou hebben als afgestudeerd jurist"'.

Organist Winsemius werd organist in de Arminiuskcrk in Amsterdam, ging de beiaard van de oude kerk in Haarlem bespelen en kreeg een baan als leraar aan de muziekschool, waarmee hö erg blö was: „De studenten ivan zo'n muziekschool weten al een heleboel en daarom kun je ook veel aan ze kwgt. Ik zou niet aan mensen les willen geven die beginnen. Er zön zoveel mensen, die jarenlang les moeten geven aan leerlingen van middelbare scholen. Dat vind ik erg ondankbaar werk". „Na een jaar in de jury's gezeten te hebben vart beiaardenconcours ben ik er achter gekomen, dat ik vrij goed speel. Het peil van de meeste beiaardiers is bedroevend, vooral muzikaal gezien. Er zijn zo ongeveer 70 mensen in Nederland, die beiaard spelen, hoogstens 10 daarvan doen dat redelijk. Ik vind, dat je het de mensen niet aan kunt doen slecht beiaard te spelen, juist omdat het een instrument is dat je iedereen oplegt. Ik geef de mensen gelijk als ze dan zeggen: „dat getingeltangel op die kloppen". Er is een beiaardschool die pretendeert op het niveau te staan van het conservatorium; dat is een misverstand. Ik heb na mijn conservatoriumjaren ook eindexamen aan dat instituut gedaan, maar het verbaasde me hoe gemakkelijk dat ging".

Technische gegevens Toen Bernard Winsemius in 1973 op het VU carillon begon te spelen schreef hij ia Ad Valvas een stukje, waarin hij de technische gegevens over het carillon verwerkte. De beiaard, waarvan de klokken gegoten zijn door Eijsbouts uit Asten, is een lichte beiaard van drie octaven. De stemming is gelijkzwevend. „Dal wil zeggen, dat een oc-

Winsemius vindt het jammer, dat men niemand advies heeft gevraagd. Ja ze hebben wel even Romke de Waard aan de telefoon gehad. De beiaard was al lang geplaatst toen ik kwam. Hel is ook jammer, dat je je eigen spel niet kunt horen, doordat de ruimte, waarin het klavier is opgesteld bijna hermetisch is afgesloten van de plaats waar de klokken staan. Zo kun je ook je eigen spel niet corrigeren. Je kunt wel iets horen via de intercom, maar eigenlijk zou er een luik in het plafond gemaakt moeten worden. Maar ja, dat is natuurlijk een behoorlijke laag beton waar je dooi heen moet".

Rapport verkenningskommissie-Hoogerwerf

Sociaal-weten: appelijl( onderzoek biedt geen rooskleurig beeld De situatie op het terrein van het sociaal onderzoek in ons land is niet erg rooskleurig. Het onderzoek is te veel opgedeeld in kleine projecten; de coördinatie tussen de verschillende projecten is te gering, doordat het onderzoeksbeleid te zwak ontwikkeld is. Te weinig onderzoeken hebben een fundamenteel karakter en de wetenschappelöke kwaliteit is vaak onvoldoende. Ook de relevantie van het onderzoek voor het overheidsbeleid is veelal gering. Aldus de in pittige en ietwat alarmerende bewoordingen gestelde samenvatting, waarmee de ministers Trip (Wetenschapsbeleid) en Boersma (Sociale Zaken) deze maand geleden 'n rapport van de Verkenningscommissie Sociaal Onderzoek voor het voetlicht brachten. De Verkenningscommissie, onder voorzitterschap van de Nijmeegse hoogleraar politicologie Andries Hoogewerf, kwam tot haar conclusies op basis van een schriftelijke enquête onder een groot aantal leiders van sociaal-wetenschappelijke onderzoeksprojecten en onder hoofden van instellingen, zowel universitair als niet-universitair, die sociaal-wetenschappelijk onderzoek verrichten. De gegevens uit de enquête, die door 48% van de aangeschrevenen werd beantwoord, werden aangevuld met gesprekken met een aantal deskundigen.

Somber Het beeld dat de commissie schetst van het sociaal onderzoek, ziet er inderdaad nogal somber uit. Het sociaal-wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten _zit in de verdrukking. „De kansen voor het verrichten van onderzoek binnen de universiteit zijn betreklcelijk klein. Met name het creëren van grote onderzoeksteams, die gedurende langere tijd bijeenblijven, is problematisch", zo citeert de commissie één van haar gesprekspartners. „Een eerste vereiste lijkt mij het creëren van grotere instituten. In een klein instituut kan het vertrek van één of twee mensen de bestaande teams volledig ontwortelen. Er is bij kleine instituten nauwelijks ruimte voor het ontwikkelen

van een eigen onderzoekstraditie", aldus een andere geciteerde deskundige. De grote aantallen studenten en de universitaire bestuurshervorming zijn nadelig voor het onderzoek. „Veel onderzoekers, vooral de imiversitaire, klagen over gebrek aan tijd, geld en mankracht", aldus het rapport. Nóg een gesprekspartner van de commissie merkt op, dat „de roep om meer arbeidsintensieve vormen van onderwijs ten koste gaat van de manjaren voor research". De kwaliteit van het scoiaal-wetenschappelijk onderzoek wordt door de geënquêteerden niet erg hoog aangeslagen. Op de desbetreffende vraag van do commissie, die overigens door bijna de helft van de geenquêteerden niet werd ingevuld, antwoordde 26%, dat ze de kwaliteit van het universitaire sociaal onderzoek tamelijk of zeer slecht vinden. De verklaring daarvoor, aldus gesprekspartners van de commissie: „De kwaliteit van het sociaal wetenschappelijk ondei-zoek aan de instellingen van wetenschappelijk onderwijs wordt geschaad door de overbelasting in termen van onderwijs en bestuur, door spanningen en door bepaalde vormen van politisering". De commissie wijdt aan die politisering enige voorzichtige woorden: „Naast een grote verscheidenheid aan onderzoeksinstellingen en -onderwerpen vertoont het sociaal wetenschappelijk onderzoek ook een grote mate van differentiatie in termen van tlieoretische benaderingen, methoden en technieken van onderzoek, wetenschapsopvattingen en maatschappijbeschouwingen. Er is in menig opzicht een scholen- of

Door Gerbrand Feenstra richtingenstrijd gaande. Voorzover deze strijd in de geest van openheid en verdraagzaamheid wordt gevoerd, kan zij naar het oordeel van de commissie positief gewaardeerd worden als een mogelijke bijdrage tot de vooruitgang van de wetenschap". Maar verderop heet het: Met alle respect voor de veelheid van benaderingen in de sociale wetenschappen moet overigens worden opgemerkt dat het de sociale wetenschappen als geheel geen goed doet, wanneer aanhangers van verschillende ,wetenschapsopvattingen" of methoden eikaars werk in algemene termen als ,onzin' betitelen".

Remedies De remedies die de commissie aanbeveelt voor het sociaal onderzoek liggen in de lijn van de genoteerde klachten: een grotere concentratie binnen het sociaal-wetenschappelök onderzoek, het bevorderen van het ontstaan van zogenaamde „centres of excellence" en para-universitaire instituten, die zich specialiseren op bepaalde probleemgebieden, en meer geld. In de para-universitaire instituten ziet de commissie één van de belangrijkste mogelijkheden om het sociaal onderzoek meer af te stemmen op de onderzoeksbehoeften. zoals die bij de overheid leven, en de kwaliteit ervan te verhogen. Men denkt daarbij aan instituten als het Instituut voor toegepaste sociologie in Nijmegen, het Instituut voor arbeidsvraagstukken in Tilburg en het Nederlands economisch instituut in Rotterdam. Deze instituten, die naast de universiteit of hogeschool opereren, hebben bestuurlijke banden met de universiteit, terwijl we" tenschappelijke onderzoekers van de universiteit als adviseur of projectleider bij het werk betrokken zijn. De commissie constateert, dat

VU-theologie: internationale context

Oe nieuwe studentcnpredikant aan de theologische hogeschool in Kampen, ds. Faber, is destqds voor zyn theologiestudie speciasJ uit Canada overgekomen om aan de VU te gaan studeren. Hij was op veertienjarige leeftijd daarheen geëmigreerd. Waarom is hij uitgerekend naar de VU gegaan? Deze vraag beantwoordt ds. Faber in een interview in het blad van de hogeschool. In de eerste plaats werd er toen veel gedaan aan de beoefening van de wijsbegeerte der wetsidee (Dooyeweerd). In Amerika had dit zoeken naar een door de Schrift genormeerd denken Faber bijzonder gegrepen. Hij wilde er meer van weten, ook met het oog op de uitbouw van het reformatorisch leven in Canada. In de tweede plaats werd aan de VU de theologie in een internationale context bedieven: open naar de Romana, open naar Barth, open naar véél wat zich in Europa afspeelde. Faber: „Je had het gevoel, dat in Amsterdam de tijd waarin wij moeten leven onverbloemd op je afkwam, met alle vragen. In de vijftiger jaren bestudeerde je de theologie in Canada in een veel groter isolement. Dat is nu niet meer zo." Faber wilde niet in een isolement theoloog worden, zodat hij weer moest terugkeren naar Europa.

deze para-universitaire instituten nogal in trek zijn bij de overheid. „Minder gunstige ervaringeti met projecten, die door universiteiten en hogescholen als toegepast onderzoek werden gepresenteerd (te lange onderzoeksduur, te weinig toepasselijk onderzoek) hebben de departementen ertoe gebracht zich meer en meer te wenden tot commerciële onderzoeksbureaus en tot para-universitaire onderzoeksinstituten".

Bevorderen Die ontwikkeling wil de commissie bevorderen. „Zowel terwille van de maatschappelijke als de wetenschappelijke bijdrage, als terwille van de doelmatigheid is een concentratie van het sociaal wetenschappelijk onderzoek in grotere onderzoeksinstellingen nodig". De noodzakelijke omvang van zulke instituten: „De internationale vakliteratuur doet vermoeden dat goede research-resultaten vooral komen uit gespecialiseerde, vrij omvangrijke onderzoeksinstituten van ongeveer vijftig of meer onderzoekers". Nog een paar aanbevelingen uit het rapport: ter stmulering van de tanende belangstelling voor de onderzoeksspecialisatie bij studenten suggereert de commissie, dat de onderzoeksspecialisatie als belangrijk criterium gehanteerd zou kunnen worden bij de toedeling van student-assistentschappen en bij het benoemen van wetenschappelijke medewerkers. De dalende kwaliteit van het onderzoek, door één van de gesprekspartners van de commissie onder meer verklaard uit de „explosieve uitbreiding van het wetenschappelijk corps enige jaren geleden, waarbij nogal eetrs onvoldoende gekwalificeerde onderzoekers aangetrokken zijn en veelal in vaste dienst zijn aangesteld", kan aldus het rapport verholpen worden door een personeelsbeleid, dat als volgt omschreven wordt:: „Benoeming van gekwalificeerde onderzoekers, afvloeiing van onbekwaam gebleken personeel, gelegenheid tot studie en bijscholing voor bekwaam personeel". Benoeming in vaste dienst zou slechts na promotie mogen gebem-en. Verder beveelt het rapport „minder arbeidsintensieve onderwijsvormen" aan: :„De hoeveelheid tijd. die leden van het wetenschappelijk corps aan bestuurs- en beheerswerkzaamheden besteden, moet beperkt worden". Voorts dient de discipline- en sectorsgewijze coördinatie van het onderzoek verbeterd te worden door het tot stand brengen van planningsorganen voor het onderzoek op diverse niveaus. (F. C.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975

Ad Valvas | 396 Pagina's

Ad Valvas 1975-1976 - pagina 57

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975

Ad Valvas | 396 Pagina's