Ad Valvas 1975-1976 - pagina 379
AD VALVAS — 18 JUNI 1976
3
Mr. Jaap Spoor promoveerde op proefschrift
'Scripta
Mannenf
'Auteurswet werkt bevredigend gezien de weinige processen' In Nederland kent men een Octrooiwet en een Auteurswet. In het octrooirecht wordt de bescherming van de praktische toepassing van uitvindingen e.d. geregeld. De Auteurswet richt zich meer op het „einmalige" van de kunst. De auteur, of dat nou de schepper is van een beeldhouwwerk, roman, schilderij of opera, heeft recht op bescherming van zijn werk. Onder „werk" wordt verstaan de eenmalige, speciale ordening in steen, van woorden, van kleuren of muzieknoten en stemgeluiden. Dus niet alleen het stoffelifke, maar ook het onstoffelijke, geniet de wettelijke bescherming. De auteur heeft het alleenrecht tot het openbaar maken en verveelvoudigen van zijn werk. De Nederlandse Auteurswet is in 1912 aangenomen. In de middeleeuwen werd er in de talrijke kloosters overal ijverig met de pen in de hand gekopieerd. Het is de filologen van de Middeleeuwen maar al te zeer bekend hoe vaak er naast dat kopiëren ook bewerkt werd. De uitvinding van de
Universiteitspastor ds. S. A. Boonstra:
CPN-leden niet 'zegen van de twijfel gunnen'? „Vaak denk ik, dat als één universiteit CPN-ers hebben kan met een bereidheid om in de geest van de doelstelling te handelen, het juist de VU zou moeten zgn. En dat vanwege de doelstelling, waardoor zij zich wil laten leiden." Dit zegt universiteitspastor ds. S. A. Boonstra in het juui-uummer van VUniagazine, waarin hij „vanuit een wat afstandelijke benadering" zijn gedachten noteert over de vraag waar de grenzen van de demokratisering aan de VU, gegeven haar doelstelling, liggen. De universiteitspastor zegt zich te kunnen voorstellen dat een vergelijking van de doelstelling van de VU met de statuten van de C P N tot de konklusie leidt dat ze onverenigbaar zijn, maar stelt meteen de viaag of zo'n vergelijking het laatste woord zou moeten zijn. „Wat de CPN-kwestie betreft, helaas word in veel diskussies vooral buiten de universiteit wel eens vergeten, dat eventuele CPN-leden in raden en besturen een verklaring moeten tekenen, waarin ze op z'n minst beloven in de geest van de doelstelling te zullen handelen." Ds. Boonstra zegt dat de ondertekening van de verklaring ook hen aanspreekbaar maakt en geeft de lezers in overweging of ze niet „de zegen van de twijfel" moet worden gegund, omdat hij zich afvraagt of men elkaar bij uitsluiting bij voorbaat uit bestuurlijke funkties wel serieus genoeg heef genomen. Volgens de universiteitspastor heef t de VU-doelstelling affiniteit met de universitaire demokratisering. „Ik dacht, dat GoUwitzer hier belangrijke dingen over heeft geschreven. Democratie is een samenlevingsvorm, die optimale mogelijkheden aan mensen geeft om tot hun recht en tot een beleving van hun verantwoordelijkheid te komen. Z o wil God de mensen toch?", aldus ds. Boonstra. Vóór zijn artikel las hij kort na elkaar een toespraak van Abraham Kuyper („Het Calvinisme, oorsprong en waarborg onzer constitutionele vrijheden") en een opstel van Helmut GoUwitzer („Bürger und Untertan"), die hem motiveerden om ze in het licht van de aktuele kwestie te bespreken.
Besluiten UR De universiteitsraad nam in zijn vergadering van 1 juni jl. o.m. de volgende besluiten: # De raad stelt de verdeling van de 1,5 aan het bijvak ontwikkelingsproblematiek toegewezen plaatsen vast alsmede de voorwaarden waaronder deze verdeling geschiedt. # In het kader van de bespreking in eerste ronde van de nota aanstellingen en benoemingen besluit de raad de interimregeling betreffende de dan/wel verklaring voor leden^^van (sub)fakulteitsbesturen om té'^etten in een definitieve regeling.
Door Ben Rogmans boekdrukkunst veranderde alles in één klap. D e moeilijkheden waren nu niet in de orde van grootte van één scribent die één, hooguit twee exemplaren overschreef, maar een uitgever die misschien wel vele honderden boeken tegelijk aanmaakte. De vaak talrijke drukfouten waren te wijten aan misgrepen van de zetter, onzekerheid omtrent de spelling van bepaalde woorden, dialectische verscheidenheid etc. Joost van den Vondel beklaagde zich over de erbarmelijke weergave van zijn werk in klandestiene uitgaven! Zijn geest zou tot de Franse revolutie moeten wachten op bescherming van het onstoffelijke „werk" van de auteur. D e Berner Conventie in 1886 startte een diepgaande internationalisering. Het lidmaatschap van deze conventie verplichtte een lid-staat het werk van buitenlandse auteurs dezelfde bescherming te geven als dat van de binnenlandse. Deze bescherming zou moeten worden vastgelegd in een wet, de Auteurswet, aan de inhoud waarvan door de Berner Conventie tamelijk verregaande voorwaarden werden gesteld. In Nederland ontstond zo in 1912 in de huidige Auteurswet. Sindsdien kon het boek ook steeds meer door middel van film, grammofoonplaten, radio, televisie, microfilm en video telkens opnieuw bekeken en beluisterd worden. Mede daarom was het nodig de Auteurswet in 1972 grondig te herzien. Paragraaf 1 („de aard van het auteursrecht"), art. 1 bleef echter ongewijzigd gehandhaafd: „Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld." De geest van de Auteurswet ligt in bovenstaande zin besloten. Gecompliceerde en technische zaken zoals wie nou precies de auteur is, wat nou precies werk is, erfopvolging,
verveelvuldigen, inbreuk etc. worden verderop in de wet nader toegelicht. Toch is de wet onduidelijk t.a.v. de betekenis van b.v. het begrip „verveelvoudigen". Zie hierover onderstaand vraaggesprek met mr. J a a p Spoor.
Verveelvoudigen „Het staat daar nou wel allemaal mooi in die wet, maar hoe werkt dat nou in de praktijk?", kun je je afvragen. Mr. Jaap Spoor concludeert, dat, gezien het zeer geringe aantal procedures, de wet in de praktijk zeer bevredigend werkt. Waar velen de laatste tijd bang voor zijn is een uitholling van het auteursrecht door de fotokopieertechnieken. In 1972, toen de popularisering van de kopieerapparaten nog maar net begonnen was, reproduceerde alleen het hoger onderwijs al 12.080.000 maal een auteursrechtelijk beschermd velletje papier (cijfer Stichting voor Economisch Onderzoek, UvA). We hebben tot dusverre telkens gesteld dat de auteur het auteursrecht bezit. Vreemd genoeg komt het in de praktijk slechts zelden voor dat de auteiur werkelijk nog het alleenrecht bezit tot verveelvoudigen en openbaar maken. Meestal geeft t i j zijn rechten in licentie aan een uitgever. Vroeger gebeurde het nog wel eens, dat een auteur voorgoed zijn of haar rechten verkocht aan de uitgever. Was de auteur in kwestie niet al te bekend, dan gingen de rechten vaak voor een habbekiats van de hand. Een tragisch voorbeeld hiervan is Rie Cramer. Ze wordt niet veel wijzer van de heropleving van de belangstelling voor haar tekeningen, omdat ze vroeger (toen ze nog vrijwel onbekend was) de rechten daarop verkocht heeft. Een recht dat de auteur overigens altijd zelf behoudt, is het persoonlijkheidsrecht. Zo zal een uitgever nooit een roman als feuilleton in een sexperiodiek mogen laten verschijnen, als daardoor de goede naam en de eer van de auteur kunnen worden aangetast. In 1973 is er een standaardcontract gereedgekomen na samenwerking tussen de Koninklijke Nederlandse Uitgevers Bond en de Vereniging voor Letterkundigen (resp. KNUB en VvL). De belangen van beide partijen worden hierin voldoende gewaarborgd. Voor de auteur is van groot belang, dat hij het auteursrecht behoudt, en de uitgever slechts toestemming geeft om het werk volgens allerlei overeengekomen voorwaarden te exploiteren.
'In feite subsidiëren ze overheid nu beetje'
Spoor: 'Auteur moet meer van zijn werk profiteren' „Het onderzoek heeft veel langer geduurd dan oorspronkelgk in de bedoeling lag". Deze woorden kunnen waarschijnlijk door iedere willekeurige promovendus worden onderschreven. Aan het woord is een jonge doctor in het auteursrecht, mr. Jaap Spoor. Elders is al het een en ander uiteengezet over het auteursrecht. Dit verhaal zal gaan over de ideeën van Spoor met betrekking tot de auteurswet. Vanzelfsprekend zal ook zijn proefschrift aandacht krijgen'. „Ht onderwerp van mijn proefschrift wijkt sterk af van het onderwerp waarop ik aanvankelijk had willen promoveren, maar dat mij door prof. Gerbrandy werd afgeraden. Voor dat onderwerp was ik wel meer gemotiveerd, maar ik heb er achteraf zeker geen spijt van dat ik nu dit verhaal op papier heb gezet", aldus Spoor. Wat was dan je oorspronkelijke onderwerp? „De gedachte dat de uitvoerende kunstenaar (een toneelspeler of musicus b.v.) evengoed auteursrecht op zijn vertolking dient te hebben als de schrijvers, componisten e.d. Dat recht wordt op het ogenblik n.l. niet erkend. Toch kun je een vertolking gelijkstellen met een vertaling, en die heeft nou juist wèl
IVtr,
JCiiip
^yKjwi
piwrftOvut^iMi:^
op 19 mei 1976 te Utrecht op een proefschrift over de reproduktie in het auteursrecht. Mr. Spoor behandelt in zijn proefschrift, dat hij „Scripta Manent" doopte, achtereenvolgens de technisch-juridische kanten van „het reproduceren" (hoofdstuk 1) en „Het in verkeer brengen" (hoofdstuk 2). In beide hoofdstukken wordt ook het historisch perspektief waarin de wording van auteurs- en reproduktie-recht geplaatst kan worden, behandeld. De wetgeving in Nederland, Frankrijk, Duitsland en (ten dele (België hijgt de meeste aandacht. In hoofdstuk 3 wordt bekeken hoe het zit met „de verdere verspreiding en het gebruik van de exemplaren", waarbij te denken is aan uitlenen e.d. In het laatste gedeelte wordt een voorstel gedaan om auteurs wier werk door middel van bibliotheken door zeer veel personen gelezen kan worden, een soort extra vergoeding te geven als hun werk inderdaad door uitlening geëxploiteerd wordt. De heer Spoor werd in 1942 geboren te Amsterdam. Hij studeerde rechten aan de V.U.
Alleen als een boek voor langere tijd uitverkocht zal zijn, is het wettelijk toegestaan om het te kopiëren. Bij dit alles moet je wel bedenken dat geen uitgever het in zijn hoofd zal halen om te gaan procederen tegen een particulier die die dingen voor eigen gebruik reprografeert. Dat zal pas gebeuren wanneer dat in een bedrijf systematisch en op grote schaal gebeurt."
auteursrecht. Het onderwerp dat het uiteindelijk geworden is, gaat over de rechten van de auteur met betrekking tot de stoffelijke, tastbare reproduktie van zijn werk."
Heeft de auteur ook nog iets te vertellen over wat er met de exemplaren van zijn werk gebeurt als ze in handen van derden zijn gekomen? Is dat een wenselijke situatie?
Hoe ver gaat de wet eigenlijk in dit opzicht? „In eerste instantie heel ver. Zowel het reproduceren (d.w.z. opik er geen geld mee verdien. E n één of meer exemplaren, dus drukken van boeken, persen van platen, fotokopiëren enz.) als het verkrijgbaar stellen daarvan is vrijwel altijd aan de auteur voorbehouden. Als ik b.v. voor mijn studenten een aantal fotokopiën van een boek maak, kan je niet zeggen dat ik het werk „exploiteer", zeker niet als nieuw vastleggen van een werk in toch is dat, naar de letter van de wet, verboden! Ik zal meestal eerst toestemming van de auteur moeten hebben. Je mag dus maar zelden kopiëren zonder toestemming van de auteur. Je kan je daarbij afvragen of de wet niet een beetje te Icrampachtig probeert vast te houden aan een situatie zoals die er was vóórdat de moderne kopieertechnieken opgang maakten. Binnen de universiteit komen er wel eens mensen naar me toe om te vragen hoe dat nou zit, en dan wil het nog wel eens gebeuren dat ze inderdaad kontakt opnemen met de auteur.
„Die vragen vormen een belangrijk punt in mijn dissertatie. Een concertganger verkeert in een lijdelijke positie: het tijdstip waarop hij naar de muziek kan luisteren, het volume e.d. zijn voor het bepaald, en als hij twee keer wil gaan, dan moet hij twee keer l)etalen. Voor iedere uitvoering is telkens opnieuw weer toestemming van de auteur nodig. Daarentegen heeft de auteur vrijwel niets meer te zegen over Ijoeken, platen etc. wanneer ze verkocht zijn, b.v. als ze in biblio- en fonotheken terecht komen. Dat vind ik zacht gezegd nogal opvallend, en ook niet helemaal terecht. Met name het ontbreken van een zogenaamd leenrecht vormt m.i. een duidelijke lacune in de wet." Kan je er een voorbeeld van geven hoe dat nou in de praktijk ten nadele van de auteur zou kunnen werken? „Na het in verkeer brengen kan het exemplaar eindelijk de functie gaan vervullen waarvoor het bestemd was. Een boek wordt eenmaal, vele malen (of in het geheel niet) gelezen. Maar een bibliotheek
i Hilo Peter van
Vliet)
en werd daar meteen na het behalen van zijn doctoraal examen in 1966 wetenschappelijk medewerker in het burgerlijk recht. Hij specialiseerde zich echter steeds meer in het auteursrecht en het recht van de industriële eigendom, vakken waarin hij ook college geeft. Spoor is bestuurslid van de Ver. voor Auteursrecht. Het proef schift is opgedragen aan Vera, zijn vrouw, en aan zijn (overleden) vader, die hem voor het eerst interesseerde voor het Auteursrecht. Promotor was prof. mr. E. A. van Nieuwenhoven Helbach. Maar het proefschi ift werd grotendeels geschreven onder begeleiding van de oud-V.U. hoogleraar mr. S. Gerbrandy. Het motto is een schitterend Oosters Kwatrijn van Omar Khayyam, waarvan de Nederlandse vertalingen van Boutens en Leopold bij lange na niet het niveau bereiken van de Engelstalige van de hand van Edward Fitzgerald: „The Moving Finger writes; and, heaving writ I Moves on: nor all thy Piety nor Wit j Shall lure it back to cancel half a Line I nor all thy Tears wash out a Word of it.
betaalt niet meer voor een boek dan een particulier. Voor één royalty woidt een bibliotheekboek vele malen gelezen. In Nederlandse bibliotheken was het boekenbezit in 1972 15 miljoen. Het aantal uitleningen bedroeg 76 miljoen. In 1970 werden er 50 miljoen boeken (exclusief schoolboeken) verkocht. De overheid subsidieert de bibliotheken en gebruikt dus op een handige wijze het werk van een auteur om haar cultuurbeleid goedkoop te houden en toch het werk onder de aandacht van velen te brengen. Ik wil nou niet direkt alleen het financiële aspekt naar voren brengen, maar voor veel auteurs is dat in de praktijk wel het belangrijkste. Mijn model om dit systeem, waarbij de auteurs in feite de overheid een beetje subsidiéren(!) te veranderen, is het volgende: In het boek plaatst de uitgever een stempeltje met de vermelding: „niet voor gebruik in bibliotheken". Bij een aantal laat hij dat achterwege, en die exemplaren kunnen voor een aangepaste prijs door bibliotheken gekocht worden. Die prijs is binnen zekere grenzen vrij; billijk zou m.i. b.v. een toeslag van 50% o p de normale verkoopprijs zijn. Overigens bepleit ik niet, de auteur het recht te geven om het uitlenen van zijn boeken geheel en al te verbieden. In Frankrijk gaat men daarin veider; volgens de theorie zou een medisch specialist daar zelfs kunnen verbieden dat zijn boeken door leken worden gelezen. Hoe hij dat moet kontroleren is vers twee. Maar ik ben niet zo radikaal. Het gaat mij er alleen om, dat de auteur in elk geval kan profiteren van de belangstelling die er voor zijn werk bestaat."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1975
Ad Valvas | 396 Pagina's