Ad Valvas 1976-1977 - pagina 303
3
AD VALVAS — 25 MAART 1977
Hoofd FEZ drs. H. A. van der Vegt verlaat VU na vier jaar
'Universiteit nog altijd bevoorrecht wegens de bescliiicbare middelen' „De universiteit is nog altijd een bevoorreclite maatschappelijke sector gezien de middelen waar zij over kan beschikken. Het is vanzelfsprekend dat Den Haag nu het bewijs vraagt of zij ook met minder middelen toekan dan in de vette jaren. Wat de VU aangaat, zijn de huidige budgetten echt nog wel voldoende. Vooral als men die vergelijkt met die voor andere onderwijssektore^. Er wordt teveel geklaagd tegenwoordig. Ten onrechte." De man die dit zegt is drs. H. A. van der Vegt, hoofd van FinancieelEconomische Zaken (FEZ). Per 1 mei verlaat hij de VLT om te gaan werken bij het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf in Den Haag, waar hij de direkteurspost gaat vervullen. Zo'n vier jaar is hij dan in dienst geweest bij de VU. In Den Haag ligt hem dus een nieuwe funktie te wachten. Op een terrein waar hij zich ondanks zijn interesse in die richting nog nooit eerder mee heeft beziggehouden: werken aan toegepast onderzoek op het veld van het midden- en kleinbedrijf, beleidsadviserende en -ondersteunende arbeid in hoofdzaak. Gevraagd naar de reden van zijn vertrek antwoordt drs. Van der Vegt behalve zijn voorkeur voor de nieuwe baan ook behoefte te hebben aan verandering, en gezien zijn leeftijd — 48 jaar — daar nog aan te kunnen voldoen. Met betrekking tot de bezuinigingsproblematiek wijst de heer Van der Vegt allereerst op het feit, dat een integraal beleid het denken in middelen en taken veronderstelt. Waarbij bij middelen niet alleen moet worden gedacht in termen van financiën, maar ook in termen van personeel, ruimte en organisatie, terwijl bij taken moet worden gedacht aan programma's en de uitvoering daarvan. Alle diensten op de VU zijn volgens hem sterk middelen-gericht, men is altijd met de verdeling van de middelen bezig. Men denkt meer: hoe verdelen we zo redelijk mogelijk, dan: wat moet er gebeuren. De druk op de middelen zal volgens zijn verwachting steeds groter worden, wat ertoe noodzaakt taken en middelen steeds nauwkeuriger af te wegen. En als de middelen steeds schaarser worden, impliceert dit tevens, dat men prioriteiten moet gaan stellen. Beperktheid aan middelen ervaart Van der Vegt niet als beangstigend, in tegendeel: hierdoor wordt men gedwongen tot een steeds efficiëntere aanwending van die middelen, met dien verstande, dat er geen onverantwoorde druk op de mensen komt te rusten. Van der Vegt konstateert, dat er gedurende de eerste twee jaar dat hij aan de VU werkte — de jaren 1973/74 — een redelijke overvloed aan middelen was en dat er sindsdien fors bezuinigd wordt op de toegewezen bedragen aan de universiteiten. Het is duidelijk, dat de heer Van der Vegt aanvaardbare bezuinigingen op de middelen ziet als een uitstekende stimulans voor het voeren van een doelgerichter en doelmatiger beleid.
Voornaamste ontwikkelingen Als de zijns inziens voornaamste ontwikkelingen in de afgelopen vier jaar noemt hij: • er is meer eenheid, openheid en " duidelijkheid in het beleid gekomen; • een beter inspelen op de nieuwe struktuur van de beleidsvoering aan de VU; • een meer weloverwogen besluitvorming, mede onder druk van de demokratisering. Dit heeft volgens hem ervoor gezorgd, dat beleidsbesluiten meer verantwoord moesten worden, er worden meer kritische vragen gesteld, die om een betere motivering van de besluitvorming vragen. Hoe heb je het gedaan en waarom. Hierdoor bleek dikwijls, dat het ook anders, beter kon. Toen de heer Van der Vegt bij FEZ kwam, had hij een grote „verlanglijst", nu heeft hij die eigenlijk nog. Een aantal wensen werden gerealiseerd (zoals een efficiënter beleidsvoering binnen FEZ, verbeterde
Door Jaap
Vertrek personeel
Banken
begrotingsvoorbereiding, meer begrip voor het dienstverlenend karakter van FEZ, aanzetten voor verdere ontwikkeling van de financiële informatie, en het feit dat de jaarrekening aan belangrijkheid heeft gewonnen, maar hierover verderop meer), maar het tempo ligt op de universiteit eigenlijk wat laag. Vier jaar geleden moest het gedemokratiseerd overleg nog van de grond komen. Het denken was meer ambtelijk ingesteld (het denken in strukturen, richtlijnen, „de baas heeft gezegd" en dergelijke), nu is er meer bewustwording, meer inspraak en begint duidelijk het besef door te dringen van de noodzaak van organisatie-ontwikkeling (reorganisaties). Het beste zou het volgens hem zijn, als de initiatieven tot reorganisatie van onderaf zouden komen, wat bij uitstek kan geschieden door middel van het werkoverleg, zonder angst voor eigen positie. Ten eerste leiden reorganisaties op de VU niet tot ontslagen, althans zeker niet bij FEZ. Ten tweede kan niemand zijn positie tot zijn 65ste claimen, men wordt daar mgezet, waar men 't meest nodig is. Daar komt nog bij, dat reorganisaties (Van der Vegt spreekt liever van organisatie-ontwikkeling, omdat reorganisatie een continu proces zou moeten zijn, en omdat reorganisatie bij velen negatief wordt opgevat als een bedreigend ad hoc gebeuren) bijdragen tot verhoging van de efficiency, er kunnen dus meer taken door hetzelfde aantal mensen worden verricht. Van der Vegt ziet efficiency niet alleen als meer, maar ook als kwalitatief be-
VoorStel Klein en Van
ter werk, welke tevens de medewerker betere ontplooiingsmogelijkheden biedt. En dit is hoogst plezierig, want aan werk heeft men geen gebrek bij FEZ!
Een wat minder prettige ontwikkeling bij FEZ is, dat de laatste tijd in de administratieve sfeer er in snel tempo nogal wat mensen vertrokken zijn. Een (tijdelijk) nadeel hiervan is, dat de ervaren mensen verdwijnen (dat geldt straks voor de heer Van der Vegt zelf natuurlijk ook, JB). . Toch wenst hij hierin ook een positieve kant te benadrukken: andere mensen krijgen de kans hun opvattingen gestalte te geven. Van der Vegt is een groot voorstander van funktieroulering en doorstroming, al vindt hij wel dat het wat eenzijdig geschiedt, mensen van FEZ verdwijnen naar andere organen binnen de VU, maar de mensen die FEZ aantrekt komen veelal van buiten de VU, met name uit het bedrijfsleven. Over het werkove-leg en dienstenoverleg bij FEZ zegt de heer Van der Vegt: „Ik ervaar het als nuttig en noodzakelijk, men leert opvattingen kennen, die men anders waarschijnlijk nooit zou vernemen, voor de topleiding zit er een belangrijk informatie-element in, omgekeerd natuurlijk ook. Men begrijpt elkaar beter; tal van initiatieven worden er geboren." Wel is hij van mening, dat de mensen die aan het werkoverleg meedoen, beter hun „huiswerk" zouden moeten voorbereiden. Werkoverleg is een mooie zaak, maar er is slechts een klein deel, dat er echt aktief gebruik van maakt. Dan is er nog een deel voor wie het eigenlijk niet zo hoeft (gemakzucht), en een deel zit er maar zo'n beetje stilzwijgend en passief bij. Van der Vegt: „Er is niet echt 100% enthousiasme, de mensen beseffen nog te weinig de mogelijkheden en het doel van werkoverleg".
De behoefte aan werkoverleg moet duidelijk opgewekt en gestimuleerd worden. Aan opleiding, training en vorming voor TAS-personeel wordt volgens hem op de gehele universiteit ontstellend weinig gedaan en in dit opzicht vindt hij het budget van FEZ (nog geen ƒ 300.000) belachelijk weinig. Op de vraag, wat hij vindt van de , verhouding werken in het bedrijfsleven tegenover werken bij de overheid zegt Van der Vegt: „Aan de VU is men overwegend risico-mijdend ingesteld, men denkt voornamelijk rechtspositioneel, men is perfektionistisch." Hij is van mening, dat er bij een goed beleid aanvaardbare risico's moeten kunnen worden genomen, men anticipeert minder op toekomstige verwachtingen, in tegenstelling tot het bedrijfsleven.
Budgettering Een kritische kanttekening plaatst hij voorts bij het feit, dat de budgetten worden opgesteld op basis van het verleden (extrapolatie) waarbij men een bepaalde marge in acht neemt. Dit is duidelijk een verouderde methode, men kent een bepaald budget toe, zonder dat men de inhoud gaat toetsen, dus zich afvragen waarvoor het geld moet worden aangewend. Men heeft nu een poging gedaan om over te stappen op inhoudelijk begroten, Buro Planning heeft zich bij de personeelskant daar nogal intensief mee bezig gehouden. In-
Kemenade:
Al in 1979 beginnen met Open Universiteit Al in 1979 'zal waarschijnlijk kunnen worden gestart met de open universiteit in Nederland. Dit is donderdag in Den Haag duidelijk geworden waar minister van Kemenade en staatssecretaris Klein de nota „Open Universiteit in Nederland" publiceerden en tegelijk de voorbereidingscommissie installeerden. Deze commissie wordt voorgezeten door de socioloog prof. R. A. de Moor uit Tilburg. De diploma's en graden van de open universiteit zullen dezelfde rechten geven als de overeenkomstige die in volledig dagonderwijs worden behaald. Open universiteit wil ook zeggen, dat er geen, formele toelatingseisen zullen worden gehanteerd. Een proefperiode kan worden gebruikt om uit te maken of de student het onderwijs kan volgen. De voorbereidingscommissie-*gaat bekijken in hoeverre er toch eventuele toelatingsdrempels moeten worden ingebouwd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een leeftijdslimiet. Een minimumleeftijd van 21 jaar zou kunnen worden overwogen gezien de aansluiting op levenservaring en het functioneren in het maatschappelijk bestel. De voorbereidingscommissie zal ook moeten nagaan of beperkingen in aantallen studenten moeten worden aangebracht bij grote toeloop. Zo'n beperking zou men zich kunnen denken voor wie al een volledige vooropleiding hebben genoten. Een beperking in de toelating van bepaalde groepen kan ook betekenen, dat de toeloop van andere groepen (bv. vrouwen of personen, die in verhouding weinig onderwijs hebben genoten) juist wordt gestimuleerd.
Er wordt vanuit gegaan, dat men over een studie aan de open universiteit anderhalf tot twee keer zo lang doet als over een vergelijkbare dagopleiding. De open universiteit verzorgt het onderwijs met behulp van verscheidene media: schriftelijk, via radio, televisie, band- en videorecorder, persoonlijke begeleiding door studie-adviseurs, docenten en niedestudenten in regionale studiecentra en tijdens gezamenlijke werkweken. Om' ^foldoende veelzijdigheid van opleiding te garanderen moet reeds in een vroeg stadium aan de open universiteit een scala van cursussen van zowel alpha-, als gamma- en betasignatuur worden geboden. Ook is een interdisciplinaire aanpak gewenst. Hierbij wordt gedacht aan interdisciplinaire basiscursussen voor het eerste of wellicht ook het tweede leerjaar. Die basiscursussen maken een oriëntatie op het vakgebied mogelijk. Wat de studie-opbouw betreft wordt gestreefd naar afgeronde cursusjaren, zodat een een- of meerjarige studie-onderbreking mogelijk is. Uiteindelijk wordt de open universiteit een zelfstandige door het ministerie bekostigde instelling met eigen verantwoordelijkheid voor inhoud en vorm van het onderwijs. Wel moet de voorbereidingscom-
missie samenwerkingsvormen met bestaande instellingen van hoger onderwijs nagaan. De toenemende belangstelling voor hoger onderwijs kan onmogelijk binnen de traditionele instituten worden opgevangen menen de bewindslieden.
Goedkoop Met een open universiteit kunnen veel grotere aantallen studenten worden opgevangen en zoals Do Moor onlangs opmerkte, bovendien goedkoper. Wanneer een open universiteit op grote schaal wordt opgezet worden de kosten per student lager. Het maakfniet uit of een onderwijsprogramma, dat voor de televisie wordt uitgezonden, door 100 of 10.000 studenten wordt bekeken. Hoe groter het aantal studenten, hoe goedkoper het onderwijs per student wordt. De bewindslieden brengen de open universiteit ook in verband met de toenemende belangstelling voor part-time onderwijs. Overigens zal de open universiteit het bestaande part-time onderwijs niet gaan vervangen. Maar is zij als aanvulling daarop bedoeld. De open universiteit is verder ook uitdrukkelijk bedoeld voor groepen die in het verleden niet toegekomen zijn aan het volgen van onderwijs. De druk op de bestaande instellingen kan worden verminderd als deze groepen voor de open universiteit kiezen. (ANP)
houdelijk begroten wil zeggen het afwegen van taken en middelen en het zoeken naar normen voor toewijzingen, met betrekking tot personeel bij voorbeeld het definiëren van het takenpakket van funkties, etc* Deze vorm van begroteif^geschiedt voornamelijk op basis van budgetanalyses: toetsing van in het verleden verleende budgetten. Voorop staat dan het vergelijken in de tijd, vergelijken binnen de organisatie en buiten de organisatie met gelijksoortige funkties. Op dit gebied moet echter nog veel gedaan worden.
Jaarrekening Een andere gelukkige ontwikkeling vindt Van der Vegt, dat de jaarrekening aan belangrijkheid gaat winnen. „Vroeger was deze veel meer een formele afrekening van de begroting en in het beleid speelde het geen enkele rol. De jaarrekening moet veel meer gaan fungeren als een stuk verantwoording van het gevolgde beleid," aldus de heer Van der Vegt. Over het informatiebeleid van het College van Bestuur zegt hij: „Of het altijd even zorgvuldig is, weet ik niet. Soms zijn de uitspraken wat vaag, zodat het anders valt te interpreteren. In ieder geval vind ik het een goede zaak om dit ter diskussie te stellen, kritiek wordt positief gebruikt." Voorts wijst hij nog op de moeizaamheid van de besluitvorming en de problemen om een stukje beleid te voeren in een log lichaam als een universiteit is. Het tempo ligt duidelijk lager dan hij, voor hij op de VU werkzaam was, had verwacht. Ook vindt hij, dat het interfakultair overleg vaak moeizaam verloopt, doordat men als het ware verschillende talen spreekt, zodat alleen al elkaar begrijpen soms een punt vormt. Specifiek in relatie tot FEZ: „Onze onmacht is, om met opvattingen en standpunten van de diverse bestuursorganen onmiddellijk rekening te houden, maar dat is inherent aan dergelijke grote lichamen en er zal altijd wel een 'time-lag' blijven," aldus Van der Vegt. Samenvattend spreekt hij van een bijzonder leerzame periode, interessante ontwikkelingen, en gedurende de volle 4 jaar een goede verstandhouding en samenwerking met zijn kollega's binnen en buiten FEZ. Van het grootschalige universitaire bedrijf gaat hij nu naar het typisch kleinschalige van het Midden- en Kleinbedrijf, waar hij verantwoordelijk is voor het management van zo'n 130 man personeel onder zijn hoede krijgt. Een funktie ten dienste van de gemeenschappelijke belangen van het midden- en kleinbedrijf, die hij zo uitermate boeiend vindt.
TIJDELIJK GELDGEBREK?
UltZENDBURO DE WERKBANK
ongeschoold personeel Tel. 020-162121
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1976
Ad Valvas | 440 Pagina's