Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1976-1977 - pagina 294

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1976-1977 - pagina 294

12 minuten leestijd

AD VALVAS — 18 MAART 1977

Konklusie drs. L. F. M. Willems van de vakgroep Sociologie van de Hulpverlening

it

VU:

Bejaardenbeleid van de overheid blijft natte vingerwerk"

Het bejaardenbeleid van de overheid blijft natte vingerwerk. Tot deze konklusie komt drs. L. F. M. Willems van de vakgroep Sociologie van de Hulpverlening aan de Vrije Universiteit, tijdens een gesprek dat wij met hem voeren naar aanleiding van de pas verschenen scriptie met de titel „Gekoördineerd Bejaardenwerk in Histories Perspektief",* onder zijn leiding gemaakt door de studenten Henk Brouwer en Frans Schoutsen. Zij zijn gedurende twee jaar bezig geweest met een kritische analyse van het overheidsbeleid van 1956—1975. Al sinds vele jaren staat het bejaardenwerk in de belangstelling. Via de verschillende media worden de diverse problemen rond dit werk en rond de bejaarden zelf, regelmatig aan de orde gesteld. Je zou dan redelijkerwijs ook mogen verwachten dat deze problematiek van hogerhand stevig wordt aangepakt. Niets is echter minder waar. Uit het bejaardenwerk klinken regelmatig klanken van ontevredenheid. Ontevredenheid met name ten aanzien van het beleid van CRM op dit punt. Hoewel er zoveel gepraat en geschreven wordt over het te voeren bejaardenbeleid, was er nog steeds geen grondige analyse gemaakt van het overheidsbeleid dat zich bezig houdt met de bejaardenproblematiek. Vandaar dat een doctoraalscriptie die dat wel doet bijzondere aandacht verdient.

Invalshoek „In 1973 zijn wij ingegaan op een verzoek van mensen uit het gekoördineerd bejaardenwerk, om hun werk en werkterrein door te lichten. Daar hadden zij behoefte aan. Om daarmee te kunnen schermen bij de opperste werkgever: CRM", aldus Willems. Via via kwam men terecht bij de vakgroep Sociologie van de Hulpverlening aan de VU. Het onderzoek werd daar opgedragen aan drs. Willems, medewerker van de vakgroep. We zitten dan in 1974. - „De invalshoek van dit onderzoek is toch eigenlijk gelegen bij de mensen die dit werk doen. Maar wil je dat je de problemen die in en om dat werk spelen goed in je vingers krijgt, dan ben je gedwongen het hele CRM-beleid ten aanzien van het gekoördineerd bejaardenwerk eens goed door te lichten. Want daar zijn ze van afhankelijk in hun werk. Ik kon het onderzoek op dat moment niet zelf doen. Het ligt ook in de lijn van de huidige onderwijsfilosofie, hier in de vakgroep, om zoveel mogelijk mét de studenten te doen en niet bang te zijn om naar de studenten toe te stappen met een zogenaamd „stafaanbod'". Ik heb toen de opdracht duidelijk geformuleerd en de studenten Frans Schoutsen en Henk Brouwer zijn daar toen op in gegaan, herfst 1974." Beide studenten hebben de richting van de Sociologie van de Hulpverlening gekozen. Frans is maandag 7 maart j.l. afgestudeerd en Henk hoopt zijn voorbeeld bcj,!n mei te volgen.

Belangstelling De belangstelling van de schrijvers voor het gekoördineerd bejaardenwerk werd gewekt door een onderzoek naar de funktie van de funktionaris in het open werk in Nederland. Dat onderzoek vond ook plaats aan de afdeling Sociologie

Door Jielis van Baaien van de Hulpverlening, onder leiding van drs. Willems. „In aansluiting op dit onderzoek hebben wij stage gelopen bij de Stichting Wijkvoorzieningen voor Bejaarden in Amsterdam," zo zeggen de schrijvers. „Het is een instelling op het gebied van gekoördineerd bejaardenwerk, speciaal in Amsterdam. Hoewel onze stage alleen op Amsterdam gericht was, wilden wij in onze doctoraalscriptie een literatuurstudie doen naar de opkomst van dit werk in Nederland en de ontwikkeling van het beleid van de overheid ten aanzien hiervan. We wilden dit doen tegen de achtergrond van de hulpverlening aan bejaarden in het algemeen en de maatschappelijke ontwikkeling van ± 1850 tot 1975." Daarmee zijn ze in februari 1975 van start gegaan. Eerst met het verzamelen van materiaal, nodig voor het onderzoek. Er is tevens gebruik gemaakt van de CRM-documentatie. Duidelijk bleek hieruit dat er over de bejaardenzorg in het algemeen al wel heel veel is geschreven in de loop der tijd. Dit materiaal werd gebruikt voor een te geven historisch overzicht van de ontwikkeling van het bejaardenwerk uit de armenzorg van de vorige eeuw. Met het doornemen van dit materiaal, waaronder ook Rijksbegrotingen, Handelingen van eerste en Tweede Kamer en tijdschriften op het gebied van het bejaardenwerk. Eind 1975 werd dit onderzoek afgesloten.

tie opgemerkt. In 1869 werd bij de vijfde algemene volkstelling de 65-jarige afzonderlijk aangeduid. In het begin van deze eeuw ging men meer en meer over tot het vaststellen van de 65jarige leeftijd als pensioengerechtigde leeftijd. „Het is ons alleen niet duidelijk waarom juist deze leeftijdsgrens is gekozen, maar omdat men op dit moment nog steeds deze leeftijd blijft vasthouden kunnen we onder bejaarden die mensen verstaan die 65 jaar en~ouder zijn."

Het probleem Met name na de oorlog is het bejaardenvraagstuk uitgegroeid tot een veel omvattend probleem. De schrijvers constateren op diverse punten van opvang, huisvesting en voorzieningen voor bejaarden grote veranderingen. „Voor de oorlog woonden de bejaarden meestal bij hun kinderen thuis. Dat is allemaal veranderd in de loop der jaren. De structuur van het westerse gezin is totaal veranderd. Bovendien zat men na de oorlog met een gigantisch tekort aan woningen. Het was voor bejaarden bijzonder moeilijk om aan een woning te komen. Zo zijn de grote bejaardencentra ontstaan. Totdat het nu zo duur is geworden om die dingen nog redelijk finan-

Begeleider en makers van de scriptie. V.l.n.r.: drs. L. F. M. Willems, Frans Schoutsen en Henk Brouwer.

De vakgroep Sociologie van de Hulpverlening is een onderdeel van de subfaculteit Sociologie. Deze vakgroep is één van de drie vakgroepen binnen de faculteit. De andere zijn de vakgroep Algemene Sociologie en de vakgroep Bedrijfs- en Organisatiesociologie. De vakgroep Sociologie van de Hulpverlening is in het midden van de zestiger jaren ontstaan als een zelfstandige vakgroep. Toen nog onder de naam „Sociologie van het Maatschappelijk werk". De leiding ervan is al sinds dien in handen van dr. H. van den Berg en bestaat voorts uit twee vaste medewerkers en één part-time medewerker. Bij de vakgroep komen studenten die hun basisopleiding sociologie achter de rug hebben en zich specialiseren in dit deelgebied van de sociologie. De vakgroep is gericht op het praktisch bezig zijn. Vrijwel alle afgestudeerde studenten komen dan ook in het welzijnswerk terecht. Sinds september 1975 is de gehele vakgroep bezig met het projekt „Decentralisatie van het welzijnsbeleid". Aan dit projekt wordt 1 dag in de week gewerkt. De studenten worden er zoveel mogelijk bij betrokken. Vanuit dit projekt is de scriptie ontstaan.

zich waar kunnen maken. Nu is de bejaarde een geïsoleerde. Een direkte band met de maatschappij, waarin hij eens een schakel was, is er niet of nauwelijks meer. Dit geeft klappen. Het maakt velen kapot. Ze takelen dan snel af. Maar waarom? Het is een gevolg van het gevoel van gepasseerd zijn. Het grootste deel van hun levensdoel is weggenomen.

Voorzieningen Voor bejaarden wordt veel gedaan tegenwoordig. Maar op wezenlijke punten is momenteel nog niet veel opgelost. Financieel hebben ze niet veel meer te klagen. Hoewel het duidelijk moet zijn dat er bij de pensionering een enorme klap wordt gegeven aan het inkomen. Maar echte armoede hoeven ze niet meer te lijden. Dit in tegenstelling tot hun lotgenoten uit de vorige eeuw.

Om wie het gaat Het gaat om de bejaarden. Over de term bejaarden bestaat echter nog altijd enige verwarring. Wie is bejaard; wanneer en waarom? Veel kans op een duidelijk antwoord is er niet direkt. Het enige wat enig houvast kan geven is de pensionenngsleeftijd. In Nederland is de pensioengerechtigde leeftijd 65 jaar. Het eigenaardige feit doet zich Voor, dat wanneer je deze leeftijd hebt bereikt, je onmiddellijk wordt gerekend tot de kategorie bejaarden. Deze leeftijd is echter volkomen willekeurig gekozen. Een andere leeftijd zou evengoed in aanmerking kunnen komen. Zo vormen de bejaarden een vrij heterogene bevolkingsgroep, omdat zij, behalve de leeftijd, weinig gemeenschappelijke kenmerken bezitten. „Veel mensen van 65 jaar of daar boven voelen zich helemaal niet „bejaard" en willen ook niet tot de „bejaarden" gerekend worden, maar krijgen door de samenleving het stempel „bejaarde" opgedrukt. Dit houdt dan meestal in dat zij als hulpbehoevenden worden gezien en niet meer meetellen in de maatschappij, „zo wordt er in de scrip-

Nog jonge vakgroep werkt aan welzijn

Het valt niet mee, steeds weer door de drukke straten te komen om de dageliikse boodschappen te doen. ciél in stand te houden. Nu wil, met name CRM, de zaak weer terug draaien. Het is onmogelijk om alle bejaarden in tehuizen onder te brengen," In ongeveer 1956 begon het probleem 'eigenlijk pas écht te leven. Ook in de politiek. Meer aandacht was dringend nodig. Het probleem is nog steeds groot. Zo niet nog groter.

Logische lijn Sinds de industriële revolutie is er een proces van toenemende vergrijzing op gang gekomen. Dat valt eenvoudig te verklaren. De arbeidsvoorwaarden en de arbeidsomstandigheden werden steeds verbeterd. Levensvoorwaarden werden wettelijk aan zekere banden van „garantie" gelegd. De „oude dag" moest veilig worden gesteld, zelfs met overheidssteun. Vanwaar dan die grote „onlust" onder de bejaarden? Bejaardenpartijen worden opgericht. Een toch tot voor kort ongekende situatie. Toch blijkt dit voort te komen uit een soort gevoel van onvrede met de bestaande situatie. „Je telt niet meer mee", is één van de veel gehoorde klachten van de bejaarden. Ze voelen zich afgedankt. Het grootste deel van hun leven met veel toewijding en ijver gewerkt en opeens: „ . . . u heeft voor ons bedrijf Veel gedaan. We zullen u missen als collega, en vooral als mens, dank, heel veel dank!..." En dan het gouden horloge. Wat een feest, wat een eer, wat een . .. stilte! Vroeger kon men door werken. Was je nog écht onmisbaar. Dat geeft je kracht en geloof in je zelf. Een mens moet

„Een deel van de bejaarden was in de vorige eeuw aangewezen op armenzorg. Naast inkomen uit arbeid en kapitaalrente bestonden geen andere bronnen van inkomen. Over het algemeen was het zo dat de bejaarden inwoonden bij hun kinderen en zolang mogelijk deelnamen aan het produktieproces. Als zij niet meer instaat waren om te werken en niet de beschikking hadden over een eigen kapitaal, moesten ze hun toevlucht nemen tot de armenzorg, tenzij de familie hen kon onderhouden. Dit laatste was zelden het geval, zeker bij de arbeidersbevolking." „De gegoede burgerij wilde van een ingrijpen door de overheid niets weten. Ze wilden de bestaande maatschappelijke verhoudingen niet veranderen. Eïaarom zijn de voorzieningen erg lang minimaal gebleven en werd hun vorm volledig bepaald door het alles overheersende belang van de bourgeoisie. De liefdadigheid van partikulieren en kerkelijke instellingen kon zich zo ontwikkelen en stabiliseren." „Sindsdien is er veel veranderd, vooral op dit terrein. Maar het valt ons op, dat het merendeel van hét bejaardenwerk nog steeds in handen is van partikulieren en vrijwilligers en in een belangiijke mate van kerkelijke instellingen. De overheid heeft het financiële gedeelte der problemen voor het grootste gedeelte opgelost, mede door regelingen als de AOW (algemene ouderdoms wet) en Algemene Bijstandswet (1965). „De ABW heeft buiten de AOW nog belangrijke betekenis voor arme bejaarden die op grond van deze wet van voorzieningen gebruik kunnen maken, welke bijdragen tot een redelijk sociaal bestaan. Deze laatste wetten hebben mede in belangrijke mate bijgedragen tot een verdere verzelfstandiging van de bejaarde in de Nederlandse samenleving."

'Woningnood' Al in het begin van deze eeuw ontstond de tendens de bejaarden afzonderlijk te huisvesten. Dus los

van hun familie. Door de, hier boven beschreven, sociale wetgeving, trachtte de overheid meer invloed te krijgen op de hulpverlening. De afzonderlijke huisvesting van de bejaarden leidt ertoe dat hun positie steeds geïsoleerder wordt. Tevens raken ze daarbij hun financiële zelfstandigheid kwijt. „Na de Tweede Wereldoorlog is er enerzijds een tendens de bejaarden als kategorie apart te huisvesten, anderzijds wordt er gestreefd naar eea financieel gunstiger positie van de bejaarden. Aan het eind van de vijftiger jaren wordt de positie aanzienlijk gunstiger, zoals we zagen en er breekt dan langzaam maar zeker het inzicht door, dat de bejaarden zolang mogelijk zelfstanaig in de samenleving geïntegreerd moeten blijven." Het is heel duidelijk dat de bejaarde er behoefte aan heeft bij het „leven" betrokken te blijven. Door het „opsluiten" van de bejaarden in zogenaamde verzorgingstehuizen en bejaardencentra is dat betrokken-zijn in het gedrang gekomen. Het mag ons dan ook niet verbazen dat dit juist één van de klachten is die uit de kringen der bejaarden wordt gehoord. Toch kregen ze weinig respons van die samenleving waarmee ze het kontakt wilden behouden. Ten einde raad werden bejaardenpartijen opgericht om met vereende stem te wijzen op hun problemen. Woningnood. Maar dan op het vlak van overaccentuering van de positie van de bejaarden. Bij elkaar gezet, ap^rt weggestopt en verstoken van het bruisende leven, waar ze eens midden in stonden.

Overheidsbeleid In 4it verband wijst drs. Willems op de in de scriptie gehanteerde termen „open- en gesloten bejaardenwerk of extramuraal en intramuraal bejaardenwerk". In het gesloten of intramurale bejaardenwerk zien we een afhankelijke positie van de bejaarde. Hij is niet zelfstandig, opgeborgen in speciale tehuizen. Door middel van het open of extramurale bejaardenwerk wordt een poging gedaan de geïsoleerde positie van de bejaarden te doorbreken. De bejaarde behoudt een zekere mate van zelfstandigheid. Is tevens omgeven door een aantal organisaties, die veelal door de gemeenten worden gekoördineerd. Instanties als maatschappelijk werk, gezinszorg, wijkverpleging, zustercomité's, burenhulp en nog vele andere organisaties. „Het gekoördineerd bejaardenwerk is een poging al die voorzieningen voor zelfstandige bejaarden te koördineren." De schrijvers wijzen voorts op het feit, dat „het gekoördineerd bejaardenwerk eigenlijk dus koördinerend bejaardenwerk moet heten. Je streeft naai een gekoördineerd bejaardenwerk, maar je bent aan het koördineren." Dit koördineren kan plaats vinden op nationaal vlak, dat valt dan

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1976

Ad Valvas | 440 Pagina's

Ad Valvas 1976-1977 - pagina 294

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1976

Ad Valvas | 440 Pagina's